Burkinafasoreis2011
Home » muziekinstrumenten

muziek, instrumenten en dans

 Warbadansers uit Poutenga, begeleid door instrumenten, tijdens de opening van St Elisabeth in Ouagadougou dec 2011.

 

Het ritme van het leven.

Muziek begeleidt het leven in Afrika in de meest uiteenlopende situaties, van het werk op de velden tot religieuze trance, en van rouw tot vermaak. Rondtrekkende verhalenvertellers die de geschiedenis en de legenden overleveren, begeleiden zich vaak op een snaarinstrument. Trommen en andere muziekinstrumenten zoals fluitjes zijn onmisbaar voor het aangeven van de ingewikkelde ritmes van de dans, de belangrijkste artistieke uitdrukkingsvorm in Afrika. Muziekinstrumenten zijn vaak zorgvuldig vormgegeven en fraai versierd met geometrische motieven of figuratieve voorstellingen.

Trommen kunnen ook dienen als een vorm van communicatie, niet alleen tussen de mens den de bovennatuur maar ook tussen mensen onderling. Veel Afrikaanse talen zijn toontalen, waarbij de toonhoogte van de lettergrepen van invloed is op de betekenis van woorden, Woorden en zinnen krijgen zo hun eigen melodie, die na te bootsen is met trommen die verschillende toonhoogten kunnen produceren, Deze zogeheten “sprekend trommen” vormen en dermate effectief communicatiemiddel dat ze verboden werden op slavenplantages waar Afrikanen gedwongen te werk waren gesteld.

 

Muziek van Burkina Faso


Het land heeft weinig populaire muziek voortgebracht in vergelijking tot haar buurlanden, waaronder giganten als Nigeria en Ivoorkust. Traditionele Burkinese muziek echter is blijven bestaan ondanks de invloed van populaire stijlen, en het land culturele en muzikale voortbrengselen blijven vrij divers.
In Burkina Faso leven meer dan 60 verschillende etnische volkeren, ieder met haar eigen variatie van volksmuziek. In tegenstelling tot de meeste Afrikaanse landen is Burkina Faso nog niet een populaire nationale stijl, en de meest populaire opnames worden geïmporteerd uit Europa, de Verenigde Staten, Democratische Republiek Congo, grootschalige concerten te investeren, geavanceerde opname studio's, elektrische instrumenten en amplificatie en brede verspreiding moeilijk.

Het nationale volkslied van Burkina Faso is "Une Seule Nuit", geschreven door Thomas Sankara. Het is het officiële volkslied sinds 1984, toen de naam Opper Volta verandert werd in Burkina Faso. Het volkslied bleef bestaan, zelfs nadat Sankara werd vermoord tijdens een coup.

Er is een nationaal Museum in Ouagadougou. Haar collectie is slechts een paar jaar oud, beginnend in 1998, maar nu al bestaand uit enkele honderden muziekinstrumenten. Hieronder ook de balafoon en de bara.


De Semaine Nationale de la Culture, sinds 1983 wordt het om de twee jaar gehouden, is een muziekfestival dat heeft geholpen enkele sterren van het land te laten doorbreken, waaronder Jean-Claude Bamogo. Koudbi Koala's Saaba, die traditionele Mossi muziek uitvoert, is afkomstig uit de regio rond Ouagadougou.

 

Traditionele muziek

Djeli zijn een kaste van praise-zangers in Burkina Faso, hun functie staat in verband met de griots elders in West-Afrika. Bij de begrafenis van elke heerser reciteren djeli de namen en geschiedenissen van alle voormalige heersers, en grijpen ook in de persoonlijke zaken van gewone mensen, alsook voor de uitvoering bij sociale gelegenheden.

 

Ouagadougou kent een muziekmuseum te weten

Musée de la musique de Ouagadougou. http://www.museedelamusique.gov.bf/textes/collections.htm

http://nl.wikipedia.org/wiki/Djemb%C3%A9

http://www.accu.or.jp/ich/en/community/warba.html

http://www.african-concept.com/instruments-musique-afrique.html

http://www.virtualtourist.com/travel/Africa/Burkina_Faso/Local_Customs-Burkina_Faso-MISC-BR-1.html#ixzz1ntLGSOQC

http://www.answers.com/topic/music-of-burkina-faso

http://www.answers.com/topic/music-of-burkina-faso#ixzz1OEuMxPQ9

http://www.paulnas.eu/wap/warba.html

http://nl.wikipedia.org/wiki/Afrikaanse_muziek

 

 

 

Hfdst 1 Indeling in muziekinstrumenten

Hfdst 2 Afrikaanse muziek

Hfdst 3 Warbadans

 


Hoofdstuk 1 Indeling in muziekinstrumenten:

  • 1. Membrafonen (Bendré / Bara, Lunga / Tamani, Gangaado, djembés en doumdoums)
  • 2. Idiophonen (balafoon, castagnetten, klokken, bellen, sanzas, toeters, ratels, kalebassen)
  • 3. Cordophonen (luit, harp, citers vlot (cithares à radeau), viool, kora)
  • 4. Aérophones (hoorns, trompetten, fluiten (flûtes), fluitjes (sifflets),  klarinetten van gierststengel, fluit (une flûte sifflet), dwars fluiten, rechte fluiten, hoorns (des cors),

  

horens (des trompes)

Ø 1.1 De membrafonen

De membrafonen zijn muziekinstrumenten waarvan de klanken worden geproduceerd door trillingen, geproduceerd door percussie van een membraan (huid).• Le Musée national , par un prêt de 25 instruments de musique collectés et conservés, jusqu'en 1966, par l'Institut Français d'Afrique Noire de Dakar (IFAN).• Les collections propres du musée , acquises par achat et par don, suite à une vingtaine de missions dans dix des quarante cinq provinces du Bu

Instrumenten van de membranofoon familie zijn het meest talrijk in Burkina Faso en kennen naast de kalebas drum Bendré / Bara, de 'Lunga / Tamani, (ook "zandloper” drum genoemd vanwege zijn vorm) omvatten. De Gangaado – trommel is een uit een boomstam gesneden klankkast met daarover eens trak gespannen vel. In Gaoua wordt de trommel Gangaa genoemd, en in Kaya en  Ouahigouya gebied Gangaado. De betekenis en het doel zijn verschillend van gebied tot gebied. Het wordt vooral gebruikt om nieuws te verspreiden of ter verlevendiging van feestelijke gelegenheden. 

De Bendre is een membranophone gemaakt van een kalebas met de top afgesneden en bedekt met geit of schaap huid. Hetzelfde instrument heet bara in Mali en dumaa tussen de Hausa in Ghana en Benin. De Bendre is een oude instrument, gespeeld op de koninklijke hoven van Moaga, het was waarschijnlijk geïntroduceerd tijdens het bewind van Naaba Oubri, en heeft veel meer hetzelfde geweest. Bendre muziek is heilig en wordt gespeeld door een hoofd drummer (benaaba), die het centrum of randen stakingen maakt verschillende geluiden.

 

Ø 1.2 De idiophones

De Idiophones zijn muziekinstrumenten waarvan de klanken worden geproduceerd uit hun eigen materiaal. Hieronder vallen verschillende soorten xylofoons gewoonlijk "balafoon" genoemd met 14 tot 22 toetsen, klokken, bellen, castagnetten, sanzas. De familie van idiophones bevat ook allerlei toeters, ratels, castagnetten, kalabassen, enz.

           Kalebas-speler

De balafoon is een soort houten xylofoon, de precieze eigenschappen ervan kan variëren afhankelijk van de maker. De Dagara, BWA en Senufo volkeren hebben allemaal hun eigen uitvoeringen.

 

Ø 1.3 De cordophones

Cordophones zijn muziekinstrumenten waarvan de klanken worden geproduceerd door strijkers, zoals bijv: harp, citers vlot (cithares à radeau), viool, kora.

 

Ø 1.4 De aérophones

Aerophones zijn muziekinstrumenten waarvan het geluid wordt geproduceerd door lucht. Dit zijn allemaal de blaasinstrumenten: hoorns, trompetten, fluiten (flûtes), fluitjes (sifflets),  klarinetten van gierststengel, fluit (une flûte sifflet), dwars fluiten, rechte fluiten, hoorns (des cors), horens (des trompes)....  Ze zijn in bijna alle regio's van Burkina Faso te vinden.  

De hoorn (la corne) is meestal van een een os, een buffel of antilope.Het heeft twee gaten, een aan het eindgedeelte dat fungeert als het mondstuk, de andere wordt gecontroleerd door de musicus, waarmee hij varieert in toonhoogte. De hoorn wordt gebruikt in de "warba" dans van de Mossi.


  • Ø 1.1 De membrafonen
  • Ø 1.1a De djembé (ook: djembeh, djembee, dzjembee of yembe, conga, bongo) is een trommel die voornamelijk afkomstig is uit West-Afrika: Mali, Guinee, Senegal, Ivoorkust, etcetera.

Het is een muziekinstrument dat bestaat uit een stuk hout gevormde kelk bedekt met een geiten- of antilopevel en een systeem van touw en metalen ringen. Het komt van het Mandingo Rijk (West-Afrika), en werd in de dertiende eeuw geïntroduceerd in Burkina Faso.

Het wordt bespeeld met beide handen tijdens zeer specifieke sociale gelegenheden, zoals bruiloften, doopfeesten, besnijdenissen, oogsten, enz. te ondersteunen. Dit met bijzondere ritmes en geschikt voor elke gelegenheid en elke etnische groep.

De djembé is een onderdeel van een polyritmiek, en wordt slechts zeer zelden of nooit alleen bespeeld. Daarnaast is het onlosmakelijk verbonden met de dans.

Maar het was pas in de jaren 1980 toen de Djembé de wereld veroverde dankzij de grote west-Afrikaanse nationale balletten, die ook regelmatig optraden in Europa, de Verenigde Staten en Japan.

De huidige populariteit van de Djembé in het Westen en de grootschalige productie voor de export heeft ernstige gevolgen voor de Cordyla pinata, een van de bomen waaruit de djembé wordt gesneden. Sterker nog, bij het huidige tempo van de exploitatie verdwijnt de pinata Cordyla binnen een generatie, ondanks het beleid ter bescherming ervan door onder andere de Senegalese regering, die gemakkelijk omzeild wordt door houthakkers.

 

Fabricage

De traditionele djembé wordt met de hand gemaakt. Een boomstam wordt uitgehold en bespannen met een geitenvel. Dit vel wordt via een touw-bespanning op de djembe bevestigd.

De boom waarvan de traditionele djembés gemaakt worden is de Leky. En de djembés heten origineel: Sambany.

Tegenwoordig worden djembés ook fabrieksmatig geproduceerd. Grofweg bieden slagwerkmerken drie soorten djembés aan:

● Fabrieksmatig geproduceerde 'traditionele' djembés; houten trommels met een touwbespanning.

● Westerse houten djembés; klinkt warmer en voller dan een fiberglas djembé.

● Westerse fiberglas djembés; klinkt wat feller en luider dan een houten djembé.

Fabrieksmatig geproduceerde westerse djembés zijn dus gemaakt van hout óf van fiberglas. Deze djembés hebben meestal ook een natuurvel (geitenvel of buffalovel). Ze zijn echter via spanhaken (spanbouten) op de djembé bevestigd. Dit maakt het heel gemakkelijk om het vel te stemmen of te verwisselen. De bovenste foto toont een traditionele djembé (met touwbespanning) én een westerse houten djembé (met spanhaakbespanning).

De djembé kan zittend en staand worden bespeeld. Als de speler zit, dan houdt hij/zij de djembé tussen de benen; de onderkant staat op de grond. De djembé wordt dan iets naar voren gekanteld en met de knieën vastgehouden. Hierdoor is de onderkant van de trommel open waardoor het geluid kan vrijkomen. Wordt de djembé staand bespeeld, dan hangt de djembé aan een koord die over de schouder van de speler rust. Soms wordt de djembé ook bespeeld terwijl deze op een speciale standaard is bevestigd.

De speler kan verschillende klankkleuren bereiken door beide handen te gebruiken en zowel met de vingers als met de vlakke hand te spelen. Sommigen zien ashiko als de 'mannelijke' variant van de 'vrouwelijke' djembé.

 
 

De geluiden/ klanken van de Djembé.

De drie basisklanken zijn:

● "claqué" (Frans, “slap” – Engels) op de meest doordringende geluid, verkregen door slaan aan  

   de zijkant van de huid met de palm van de hand en vingers. Grote schaal gebruikt in solo's;

● "son of tonique" (Frans, “open” – Engels)  een meer matte, verkregen door het slaan op de rand

   van de huid met alle vingers:

● "basse" (Frans, “bass” – Engels) slag in het centrum van het instrument met de hele hand.

   Gebruikt om het ritme te markeren.

 

Bas

De basklank wordt bereikt door met de vlakke hand in het midden van de djembé te slaan. Spelen met de vingers tegen elkaar zorgt voor een warme bas. Met de vingers van elkaar geeft wat minder articulatie; het geluid wordt dan wat 'waziger' van karakter. Als het vel snel in het midden en met voornamelijk de vingertoppen wordt geslagen, bereikt de djembé-speler een felle 'attack' qua bastoon. De vingers worden hierbij tegen elkaar gehouden. Je mag deze klank overigens vergelijken met een 'slap' (zie hieronder). Met andere woorden:

« Het met de vlakke hand in het midden van het vel slaan, zorgt voor een warme en volle basklank.

« Het met voornamelijk de vingertoppen snel in het midden van het vel slaan, zorgt voor een felle basklank.

« Verder is het mogelijk om de klank te dempen. Dat wil zeggen dat één hand vlak op het vel rust terwijl de andere hand op het vel slaat. Hierdoor wordt de resonantie van het vel gestopt waardoor een 'vlak' (gedempt) geluid wordt verkregen.

Door te variëren met de bas-klanken (vingers tegen elkaar, van elkaar, vlakke hand, vingertoppen en het al dan niet dempen), heeft de djembé-speler per definitie zes bas-klanken tot zijn/haar beschikking.

De bas is dus een slag gegeven in het midden van het speelveld. Het meest succesvol bespelen van de djembé hangt voor het algemeen af van de stand van de handen en vingers, de slag die daarmee geslagen wordt en de timing waarin de handen het vel verlaten na de slag op het vel. De volle hand wordt hiervoor gebruikt en brengt een lage bastoon ten gehore.

 

Toon

De toon-klank wordt geproduceerd door op de rand van de djembé te slaan. De vingers worden standaard tegen elkaar aan gehouden; de spieren zijn dan lichtjes aangespannen (waak voor krampachtigheid). De duimen moeten altijd voldoende naar boven (achteren) staan, zodat ze niet in aanraking komen met de trommel. Anders kan dit wel eens voor zeer pijnlijke ervaringen zorgen... De toon-klank kan ook met de vingers gespreid worden gespeeld. Hierdoor wordt de toonklank iets 'wateriger' van karakter; wat 'waziger'. De toon-klank is, net als de bas-klank, variabel. Als de djembé op de rand met:

« alle vingerkootjes wordt geslagen, dan is de toon-klank vol en warm van karakter.

« twee vingerkootjes (per vinger) wordt geslagen, dan is de toon-klank scherper, hoger en minder diep van karakter.

« slechts één vingerkootje (per vinger) wordt geslagen, dan is de toon-klank hoog, fel en iel van karakter.

« Verder is het mogelijk om de klank te dempen. Dat wil zeggen dat één hand vlak op het vel rust terwijl de andere hand op het vel slaat. Hierdoor wordt de resonantie van het vel gestopt waardoor een 'vlak' (gedempt) geluid wordt verkregen.

Door te variëren met de toon-klanken (vingers tegen elkaar, van elkaar, wat meer naar het midden, gedempt enzovoort), heeft de djembé-speler per definitie 12 toon-klanken tot zijn/haar beschikking. De toon-klank wordt door spelers vaak als moeilijkst ervaren, omdat (zeker als het tempo omhoog gaat), de toon-klank vaak naar de 'slap' gaat neigen (zie hieronder).

De open slag wordt met gesloten vingers van de hand geslagen; de palm van de hand aan de rand van het vel en de vingers vlak op het veld. Deze slag zal dus een lagere toon dan de slap produceren.

 

Slap

Er zijn voor de 'slap'-klank verschillende beschrijvingen mogelijk als het gaat om de handtechniek. Zo speelt de ene speler een 'slap' meer naar het midden van het vel dan de andere. Hierover bestaat geen universele waarheid, ook niet onder gerenommeerde West-Afrikaanse spelers.

 

 

Toch is er wel een soort van 'universele beschrijving' van de handtechniek te geven:

-       De vingers worden licht tegen elkaar gehouden.

-       De handpalm is wat gebogen en vormt een holletje.

-       De hand wordt iets naar binnen gedraaid.

-       De duim wordt 'omhoog' gehouden zodat die bij het slaan het vel niet raakt.

-       Er wordt op de rand van het vel geslagen.

-       De vingertoppen raken het vel steviger dan het overige deel van de vingers (hand).

« Het is ook mogelijk een 'gedempte slap' te spelen, hierbij blijft één hand op het vel rusten, waarbij de andere hand een 'slap' speelt. Op die manier wordt een drogere 'slap' gerealiseerd. Deze is, mits goed gespeeld, nog steeds fel en kort; karakteristiek voor een 'slap'. Door te variëren met de slap-klank (iets verder naar het midden of meer op de rand van het vel, holletje van de palm kleiner of groter, gedempt of niet), heeft de djembé-speler per definitie 12 slap-klanken tot zijn/haar beschikking.

Een slap (uitgesproken als `slep`) is daarmee een handslag op de drum dat in een hoge, scherpe toon maakt. Het geluid van een geweerschot, zegt men wel eens. De vingers spreiden zich geopend van elkaar en de vingertoppen raken het vel maar heel even.

 

Samenvattend

De djembé geeft de speler veel variatie qua klank-mogelijkheden. Hierbij vormen de bas-klank en de toon-klank de basis. De 'slap' en het gedempt spelen zorgen voor extra mogelijkheden om het geluid te beïnvloeden. Hierdoor heeft een geoefende djembé-speler per definitie 30 klank-mogelijkheden tot zijn/haar beschikking om een ritme mee op te bouwen of een solo mee uit te voeren.

 

Spel

Net als bij andere muziekstijlen, dient de speler het ritme goed aan te voelen en mag niets krampachtig klinken. Uitgaande van een djembé-groep, waarbij er meerdere djembés tegelijk worden bespeeld, worden er vaak ook andere slaginstrumenten gebruikt. Bij traditionele West-Afrikaanse djembéritmes zijn de doundouns (doundounba, sangban en kenkeni) een vast gegeven. Diabara's (sjékérés, kalebassen), bellen en zelfs handgeklap kunnen het geheel verder opfleuren tot een rijk polyritmisch geheel.

Meestal wordt er binnen een djembé-groep uitgegaan van meerdere partijen. Traditionele ritmes bevatten verschillende partijen. De drie doundounpartijen vormen een geheel die structuur geeft aan het ritme, samen met één of meerdere begeleidingsritmes die op de djembé worden bespeeld. Daarbovenop komt de solo-partij van de solist. Traditionele ritmes hebben een aantal solophrasen die in de loop van de geschiedenis zijn ontstaan en van generatie op generatie zijn overgeleverd. Ook die solophrasen bevatten vaak een steeds terugkerende basisritme en verschillende variaties. De solist voegt daarbij zijn eigen creativiteit door te improviseren. Een goede solist doet dit zonder de eigenheid van het traditionele ritme uit het oog te verliezen. Hij gaat als het ware communiceren met de doundouns, de begeleidingsritmes en de danseressen.

Meestal is het de solist die het begin en einde van een stuk bepaalt. Dit wordt meestal gedaan door een kort en afwijkend ritme te spelen; het 'appel'.

Er worden ook geregeld 'breaks' gespeeld; alle spelers spelen dan hetzelfde ritme (vaak slechts enkele maten lang). Daarna wordt weer teruggekeerd naar de oorspronkelijke partijen of begint er een nieuw stuk.

Een 'échauffement' (Frans voor "opwarming") is een stuk van enkele maten lang, meestal in een versnellend tempo gespeeld, welke door de solist wordt uitgevoerd. Meestal wordt dit korte stuk dwars door de andere ritmes heen gespeeld. Het échauffement” kondigt vaak het nakende einde van het ritme (of een onderdeel ervan) aan. Of de solist vindt het tempo gewoon te traag en wilt het met de échauffement wat opdrijven.

Bij het spelen van de traditionele ritmes gaat het letterlijk om samenspel (als er iemand 'uit de maat' speelt, klinkt het totaal niet). De meeste ritmes zijn zo 'gecomponeerd', dat de verschillende partijen als het ware om elkaar heen geweven zijn; wanneer de één een rust heeft, speelt de ander (bijvoorbeeld) een 'toon'. Hierdoor ontstaat er een soort melodie. De uitwerking van deze melodie hangt mede af van hoe de djembés individueel klinken.

 

Bekende djembéspelers

Mansa Camio; Adama Dramé; Mamady Keïta; Famoudou Konaté; Ibro Konaté;

Salifou Sylla; Kofi Ayivor; Sidiki Camara ("Fabla"); Harouna Dembélé; Babara Bangoura;

 

 

  • Ø 1.1b Gangaado – trommel

Alle soorten trommels worden ‘membranophones’ genoemd. Zij zijn de meest voorkomende instrumenten van Burkina's ethnolinguistieke groepen, meestal in het centrum en midden van land. Strak gespannen vellen.They are carved from a tree trunk. Ze zijn gesneden uit een boomstam. In Gaoua gebied, is er een cilindrische trommel GANGAA genoemd, en in Kaya en in Ouahigouya wordt het GANGAADO genoemd. De betekenis en het doel zijn verschillend van gebied tot gebied. Het is vooral te gebruiken om nieuws aan te kondigen of  ter verlevendiging van feestelijke gelegenheden.

 

  • Ø 1.1c Een doundoun (ook bekend als doun, dundun, doudoun, djundjun) is de algemene naam voor een categorie Afrikaanse bastrommels, die samen met de djembé vorm kregen in West-Afrika. De trommels zijn gemaakt van een uitgehold rond stuk hout, waarbij aan beide zijden een koeienvel is gespannen. Er zijn drie groottes van trommels te onderscheiden. Ze zijn genoemd naar de leden van het Afrikaanse gezin.

De kleinste is de kenkeni (het kindje), met een doorsnede van 20 tot 25 cm en een hoge en korte toon. De kenkeni wordt traditioneel gebruikt om het tempo aan te geven door middel van een eenvoudig patroon. Dit patroon kan op de tel zitten, maar bij sommige ritmes zoals de doundounba-ritmes, zit het patroon helemaal naast de tel.

De sangban (de vader) (ook: sangbeni, songba, sangbé, sangba) is middelgroot, ca. 65 cm lang en 30 cm in doorsnede, met een lager en langer durende toon dan de kenkeni. De sangban verzorgt het hart van het ritme dat in gang wordt gehouden.

De grootste van de drie, 50 tot 80 cm in doorsnede en soms meer dan een meter hoog, is de doundounba (de moeder) met een lage en langdurende toon, die zorgt voor diepte.

Om de muziek te verlevendigen worden in de gespeelde patronen variaties aangebracht. Het wordt extra aantrekkelijk als de sangban variaties speelt, en de doundounba erop reageert.

Door deze drie trommels en djembé's te combineren kunnen met meerdere personen complexe ritmes worden opgebouwd. Gewoonlijk worden de trommels door drie personen bespeeld. De trommels worden dan horizontaal op een rek gelegd en worden aan de zijkant met een ronde stok bespeeld. Bovenop de trommels worden gesmede bellen gemonteerd, de kenkens. Als er weinig trommelspelers zijn kan er worden gekozen om één speler alle drie de trommels te laten bespelen. Ze worden dan verticaal neergezet, het liefst met het onderste vel los van de bodem. Deze wijze van spelen vergt de nodige oefening en grondige kennis van het ritme.

 

 

  • Ø 1.1d De bendre (of Bara, Barra) is een membranofoon die gemaakt is van een kalebas met de top afgesneden en bedekt met geiten of schapenhuid. Dit instrument wordt bara genoemd in Mali en dumaa bij de Hausa in Ghana en Benin. De bendre is een oud instrument, gespeeld op de Koninklijke hoven van Maoga, waarschijnlijk geïntroduceerd tijdens het bewind van Naaba Oubri en is sinds die tijd weinig veranderd. Bendre muziek is heilig en wordt gespeeld door een hoofddrummer (benaaba), die in het centrum slaat of op de randen om verschillende geluiden te maken.

 

De Barra is oorspronkelijk van Mali. Het wordt gespeeld in vieringen van gelukkige gebeurtenissen samen met balafon en bongolo (kleine trommel die een vlot warm geluid heeft, opgezet met een koehuid).

In de vorm van een timpani, Barra wordt gemaakt van de 3/4 van (40 tot 60 cm diameter) calabash schil, op welke een behandelde koehuid wordt bevestigd, uitgerekt met normale kabels of met leerkoorden.

Barra wordt normaal gespeeld met al oppervlakte van de handen. Het is vaak gestemd om een duidelijk en droog geluid te krijgen.


Specificaties: calabash opgezet met behandelde geitenhuid; prestretched het roping.

 

 

  • Ø 1.2 De idiophones
  • Ø 1.2a De Balafoon is een traditioneel instrument uit West-Afrika. In Burkina wordt het met name aangetroffen in de Zuidelijke regio’s. De Balafoon bestaat uit houten toetsen van variërende lengte geplaatst op een houten frame. Onder de toetsen zit een kalebas (een vrucht geteeld om zijn fruit maar gedroogd gebruikt als fles, gebruiksvoorwerp of pijp.) die zorgt voor een typisch geluid. Een balafoon kan verschillen in vorm en lengte en aantal toetsen afhankelijk van de stam die het gebruikt.


De Mande mensen van het zuidwesten staan bekend om balafoon (houten xylofoon) muziek, terwijl de grote, centraal gelegen Mossi en hun griots oude Koninklijke hoven en hoofse muziek behouden. De Fulbe (Fula) van het noorden gebruiken complexe vocale technieken op het klappende percussie.

Er zijn een aantal moderne populaire traditionele groepen in Burkina Faso, met inbegrip van balafoon bands, zoals Saramaya, Les Freres Coulibaly en djeli-Kan, percussie ensembles (Adama Drame en anderen, zoals Le Troupe Saaba, Farafina en Djiguiya. De in Italië gevestigde Gabin Dabiré is een wereldmuzikant die elementen van de traditionele Burkinabé muziek gebruikt in zijn werk .

Djembé en balafoon worden vaak vervaardigd in Bobo Dioulasso, de op een na grootste stad van Burkina Faso. De djembé is een vitaal onderdeel van Burkinese traditionele muziek. Er wordt gezegd dat hij van de Malinke afkomt. Het is gemaakt uit een stuk hout, vaak uit de Caïcedrat boom of Lenke boom. De kast is in de vorm van een kelk, en het wordt overspannen met de huid van een geit, antilope of kalf. Moderne djembés gebruiken een combinatie van stalen ringen en nylon touw om het bovenkant te bevestigen.

De balafoon is een soort houten xylofoon, waarvan de precieze karakteristieken afhangen van de maker. De Dagara, Bwa en Senufo volkeren hebben hun eigen variaties.

 

Bala of turukabala (Bamana taal), vijftonige xylofoon. (Etnische groep: Bamana, Senufo Bwa)

Gemaakt van Hout, bamboe, kalebas, leer, garen.

Er zijn twee soorten balafoons:

  • De balaba of grote xylofoon
  • De balanin of kleine xylofoon,

De welke hebben bijgedragen tot het ontstaan van 2 complete verschillende muzikale genres. Dit instrument wordt uitsluitend door mannen bespeeld.

De Balaba, kan worden begeleid door instrumenten zoals ratles, begeleid op zijn beurt de tékéré klon ofwel “handengeklap van vrouwen” als muziekgenre.

Het wordt ook solo bespeeld op bijvoorbeeld avondvergaderingen en voor besnijdenissen van zowel jongens als meisjes.

De balanin daar en tegen wordt bespeeld binnen een instrumentenensemble: 2 xylofoons en 2 bass-drums. Dit wordt vooral gedaan bij populaire muziek voor een jonger publiek. Deze muziek wordt gemaakt bij trouwfeesten, jaarlijkse vergaderingen van de tòn (agrarische verenigingen van jongens en meisjes) of louter voor het plezier. Het heeft een gevarieerd vocaal en ritmisch repertoire. De xylofoon begeleidt verschillende andere instrumenten in de muziek van de Bamana, Senufo, Bwa, Minianka.

Door de Senufo wordt hij de “jegele” genoemd en is gestemd in een vijftonige schaal en wordt bespeeld in groepen (1-3) en meestal begeleid door een nabingè (drums van mannen) in een apart muziekgenre. Het wordt eveneens samen met menig ander instrument gespeeld om andere muzikale genres te verkrijgen. Dit maakt de “jegele” tot het meest karakteristieke instrument van de Senufo.

Het is in grote delen van zuid-oost Mali, onder de Bamana en Miniamka gekend onder de naam turuku-bala. De Bwa noemen het “cooza”

     
     

 

 

 

 

 

   
     

Maninka bala Malinké of Jeliba xylofoon, tovenaar-genezer xylofoon (zeven-tonig), (etnische groep: Malinké)
In de Maninka of Malinké cultuur wordt het geven van muzikale voorstellingen voorbehouden aan bepaalde kasten, jeliw (tovenaar-genezers) en numun (smeden). Ze worden gekarakteriseerd door epossen die een beeld scheppen van helden en belangrijke historische gebeurtenissen uit het voormalige politieke systeem van de Mandé's.
Onder de helden, die in deze muzikale epossen opgevoerd worden, bevindt zich Soumangourou Kante, de koning-smid of Sosso (in de vroeg 13de eeuw). Hij, naar gezegd wordt, bezat een magische xylofoon die onder de bescherming stond van een arend en van Sunjata Keita, held, veroveraar en stichter van het vroegere Mali.

 

De Maninka Bala wordt bespeeld in verschillende muzikale ensembles en kan als solo of als begeleidingsinstrument worden

 

 

  • Ø 1.3 De cordophones
  • Ø 1.3a Kora is een snaarinstrument uit West-Afrika dat tot de harpen wordt gerekend en met beide handen wordt bespeeld. Het is al vele honderden jaren oud en wordt als korri voor het eerst genoemd in 1799.

 

Alieu Suso, meester kora-bouwer uit Gambia

De kora is een traditioneel snaarinstrument gespeeld door de djeli in Burkina Faso. Hetzelfde instrument wordt gevonden door een groot deel van West-Afrika, en is vooral bekend in Mali. Het heeft kenmerken van zowel de luit (beide worden gespeeld met de rechterhand) en de harp (beiden hebben een resonator en loodrecht snaren). Het instrument is populair sinds de Malinese rijk van de 1240s, maar dateert waarschijnlijk nog veel verder terug. Uiterlijk lijkt het instrument meer op een gitaar dan op een harp. Het is gemaakt van de helft van een kalebas bedekt met de huid van een geit of kalf (soms ook wel antilope), die is geperforeerd door twee handgrepen.

Een stok loopt door de kalebas loodrecht op de handgrepen en de hals, en de snaren zijn verbonden aan de hals. Hoewel het instrument van oudsher meestal zeven snaren had, steeg het aantal bij de Gambiaanse griot Madi Woulendi tot eenentwintig. Tussen de kalebas en de mahoniehouten hals van het instrument zijn 21 snaren gespannen, in twee groepen - 11 links en 10 rechts. De hals heeft geen toets maar dient uitsluitend om de snaren aan vast te maken. De snaren worden gestemd door huidringen - konso genaamd - te verschuiven. Tegenwoordig worden de snaren van de kora van nylon gemaakt, maar oorspronkelijk vervaardigde men ze uit de huid van vrouwelijke antilopen. Twee stokken die door de kalebas worden gestoken dienen om de handen houvast te geven zodat de snaren kunnen worden getokkeld.

 

De Kora is waarschijnlijk de meest complexe chordofoon van Afrika. De koramuziekant ondersteunt het instrument met de 3e, 4e en 5e vinger en de noten worden gespeeld met de duimen en wijsvingers van beide handen. Een geschoolde vakman doet er een maand over om een kora te maken. Wanneer de huid over de calabas getrokken moet worden heb je wel drie man nodig om het er goed op te krijgen. Het maken van een kora is zwaar werk. Een koraspeler maakt zijn eigen kora of gaat naar een bekende koramaker. Daarbij kan de keuze gemaakt worden voor diepe of ondiepe kalebas, groot of klein, droog of vochtig hout, zwaar of licht vel, e.d.

Een traditionele kora heeft 21 snaren, maar het is ook gebruikelijk er 22 te zien met een extra bass snaar in de stijl bekend als Yenyengo (sta op en dans). In de Cassamance regio (Zuid Senegal) is 25 gebruikelijk de Kora Cassamance. De kora heeft een bereik van 3 en 3/8e octaaf .

Een kora muzikant kan zelf erbij zingen, dit laten doen door een zangeres, terwijl hij the ritme aangeeft op de kalebas of alleen instrumentaal optreden

 

De kora wordt bespeeld in Senegal, Gambia, Mali, Burkina Faso, Guinee en Sierra Leone. Ze hebben ieder hun eigen repertoire, maar delen ook sommige muziekstukken of hebben er variaties op gemaakt per regio.

De bekendste korabespeler is Toumani Diabaté. Zijn album Kaira (1987) wordt als het beste kora solo-album ooit beschouwd.

 

 

  • Ø 1.3b Ngoni

Ngoni Is de Bambara naam voor een oud traditionele luit, die aangetroffen wordt door heel West Afrika. De legende zegt dat het is uitgevonden door een Senufo jager. De n'goni wordt ook gespeeld in Niger, Senegal en Mali, van Marokko tot Nigeria

Hoewel het een typisch klein instrument is heeft de Ngoni een flink geluid en een belangrijke plaats in de geschiedenis van de West Afrikaanse muziek. Zijn klankkast is uitgehold, kanovormig stuk hout met gedroogd dierenhuid er over heen gespannen, net zoals bij een trommel.

Net als bij de kora gaat de steel door de klankkast, maar bij de kora stopt hij erin en bij de ngoni komt hij aan de nadere kant er weer uit. De snaar het dichtste bij de muziaknt is de hoogtste in toon. De muzikant bespeelt de snaren met zijn duim, met als bij de vijfsnarige banjo. De vorm gekoppeld aan het feit dat ngoni’s klankkast een drum is meer dan een “box” geeft sterke aanwijzingen dat de ngoni de Afrikaanse voorloper is van de banjo.

Sommigen instrumenten zijn groot zoals de gimbri die bespeeld worden in het mysieke broederschap Gnawa (Marokko). Anderen zijn klein, zoals de eensnarige gurkel in het noorden van Mali. In Senegal noemen de Wolof het xalam (spreek uit halam), terwijl in Gambia de Mandinka een 5-snarige versie hebben die de kontingo noemen. De Manding griots van Gambina, Mali en Guinee is ongeveer 2 meter lang en heeft 4 of 7 snaren.

Ngoni spelers kunnen gebruik maken van een verscheidenheid aan technieken en stemmingen, hieronder zijn drie typische stemmingen: in de handen van een ervaren griot instrumentalist kan de ngoni scherpe, snelle melodieën  produceren

 

 

Hoofdstuk 2 Afrikaanse muziek

De Afrikaanse muziekstijl is de muziek die door inheemse Afrikaanse volkeren al van generatie op generatie wordt overgedragen en tot vandaag de dag nog steeds stand houdt. Ze is zeer verschillend van andere muziekgenres en kende haar eigen evolutie.

2.1 De Afrikaanse muziekstijl

Opbouw

De Afrikaanse muziekstijl is zeer verschillend van de Westerse muziekstijl. Bij de Afrikaanse muziek ligt de nadruk vooral op ritme (meestal trommel ritmes) en de muziek is niet gebonden aan regels. Terwijl bij de Westerse muziek melodie en harmonie een belangrijke rol spelen. Harmonie is het tegelijkertijd voortbrengen van verschillende tonen die mooi, harmonisch klinken en om het muziekstuk harmonisch te doen klinken heeft men bij de harmonie heel wat regels opgesteld waaraan men zich moet houden om een ‘mooi’ muziekstuk te verkrijgen. Wij gebruiken bijvoorbeeld vierkwartsmaten waar ze in Afrika geen gebruik van maken, waardoor Afrikaanse muziek voor ons raar klinkt. De voorloper van de harmonie was de (polyfonie) en de Afrikaanse tegenhanger van de polyfonie is de (polyritmiek): Het tegelijkertijd voortbrengen van verschillende(eenvoudige) ritmen. Nog een verschil tussen polyfonie en ritme is dat polyfonie op een moment waarneembaar is en om een ritme te horen heb je meer tijd nodig. Dit verklaart de herhalingen in Afrikaanse muziek. Maar in Afrikaanse muziek zit ook een melodie al schenkt men er in Afrika minder aandacht aan dan aan het ritme. De melodie van Afrikaanse muziek verloopt meestal als volgt: In het begin is er een sterke stijging, gevolgd door een langzame melodiedaling zonder dat de toonsoort veranderd. Een van de meest gebruikte vormsoorten in de Afrikaanse muziek is (antifonie)(de solist en het koor die afwisselend zingen, waarbij de solist meestal improviseert). En soms komt er in Afrikaanse muziek ook meerstemmigheid voor, maar in mindere maten.

Polyritmiek en het sociale leven in Afrika

De Afrikaanse muziekstijl heeft ook een speciaal karakter van vraag en antwoord. Dit komt door de ver doorgedreven polyritmiek, waarbij door het tegelijkertijd voortbrengen van verschillende ritmen, ritmische lagen ontstaan die behoren tot een ingewikkeld geheel. Bij dit polyritmische geheel heeft iedere muzikant, danser en zelfs luisteraar een eigen plaats en dit verklaart het vraag en antwoord karakter. Bij Afrikaanse songs heb je meestal een vraag en antwoordsituatie door een voorzanger en een koor die de zinnen herhalen, waarbij het koor meestal het publiek is. Daarom is Afrikaanse muziek spelen, erop dansen en ernaar luisteren een vorm van communiceren en is Afrikaanse muziek beluisteren niet hetzelfde als Westerse muziek beluisteren. En ook het hele sociale leven in Afrika is polyritmisch opgebouwd. Een moeder die haar kind in slaap wiegt, een gesprek, vrouwen die maniok stampen, mensen die dammen, bedienden achter hun computer… In Afrika gebeurt dit allemaal polyritmisch. Dit heeft als gevolg dat de samenhang van iedereen met elkaar en van alles benadrukt wordt. En ook bij muzikale gebeurtenissen is de samenhang met de sociale situatie het belangrijkste, want het doel van Afrikaanse muziek is de deelname van zoveel mogelijk mensen.

In Afrika wordt muziek ook heel anders opgevat dan in Europa. In Afrika is muziek meestal geen uiting van individuele gevoelens of van geloofsovertuiging van de gemeenschap, maar een deel van het sociale leven en communicatie, de ritmen vormen als het ware de gemeenschap. In veel gevallen gebruikt men muziek in Afrika ook als middel voor het bestrijden van ziektes of voor het gunstig stemmen van de goden. En muziek bevordert ook de interactie tussen mensen en geeft individuen een plaats in de gemeenschap.


2.2 Etnomusicologische indeling

Afrika is een zeer groot continent waardoor de muziekstijl verschilt van regio tot regio. Daarom heeft de Amerikaan A.P. Merriam in 1959 Afrika in 7 etnomusicologische regio’s ingedeeld waarbinnen men ongeveer dezelfde muziekstijl had.

2.2a Zuidelijk Afrika

Zuidelijk Afrika werd in 1969 bestempeld als een gebied met ongeveer overal dezelfde muziekstijl. En door de jaren heen is dat altijd zo gebleven op een uitzondering na: Zuid-Afrika. Omdat Zuid-Afrika een multicultureel land is met een hogere HDI dan de rest van Afrika en omdat het vroeger een Nederlandse kolonie was en slaven importeerde vanuit het Oosten komen er in Zuid-Afrika zeer veel verschillende muziekgenres (met soms nog Oosterse elementen) voor zoals rock, jazz, jungle, reggae, hiphop, gospel, klassiek, rap, Marabi, Kwela, Mbaqanga… En samen met de muziekgenres is ook de invloed van muziek en de levenswijze veranderd. In Zuid-Afrika bepaalt het ritme de manier van leven, Je hoort overal muziek: in winkels, cafés, restaurants, bij mensen thuis of gewoon op straat. Maar deze muzikale invloeden hebben wel als gevolg dat de plaatselijke, authentieke muziekgenres in Zuid-Afrika stilaan verdwijnen of vermengd worden met de nieuwe stijlen. Maar niet heel Zuidelijk Afrika heeft te maken met een dergelijke muzikale revolutie. Het overgrote deel van Zuidelijk Afrika bestaat nog steeds uit inheemse volkeren met hun eigen authentieke muziekstijlen. Enkele van die belangrijke volkeren zijn de San (Bosjesmannen) en de Khoikhoi (Hottentotten). Zij hebben een muziekstijl waarbij de melodie steunt op reeksen bovenharmonischen (harmonische boventonen) en waarbij ritme een zeer belangrijke rol speelt. Zij maken hun muziek door het produceren van vreemde ‘klik’ geluiden waarbij handengeklap mee voor ritme zorgt en door het gebruik van de schietboog die als een soort harp wordt gebruikt. Tijdens de muziek wordt er dan gedanst of worden er verhalen verteld.

2.2b Oost-Afrika

In Oost-Afrika speelt muziek, zoals in heel Afrika, een zeer belangrijke rol. Maar in Oostelijk Afrika is muziek meer dan alleen muziek, het is een propagandamiddel voor de wederopbouw van de Oost-Afrikaanse landen. Zulke muziek wordt er Spectacles Coupées genoemd. Het is een mengeling van traditionele muziek en dans en thema’s over ontwikkeling in de Oost-Afrikaanse maatschappij. Een van de belangrijkste groepen die Spectacles Coupées produceert is de Oegandese groep Ndere Troupe. In Oost-Afrika zorgt deze band dat er maatschappelijke ontwikkeling op gang komt en dat er geen oorlogen meer ontstaan. Maar de groep heeft ook al in verschillende andere landen opgetreden (zoals Nederland) waar het de zang-en dansspektakels van de belangrijkste stammen in Oeganda presenteert. En hier, bij ons is hun doel ook veel anders. Ze willen de Westerse wereld warm maken voor Oegandese muziek. Maar de Spectacles Coupées zijn niet het enige verschil met de rest van Afrika. De Oost-Afrikaanse muziek wordt ook gekenmerkt door de Arabische muziek, maar tegenwoordig vooral door de Indiase filmmuziek. Een voorbeeld van een Arabisch, Indiaas getinte muziekgenres in Oost-Afrika is de taraab (een mengeling van Arabische orkestmuziek, Indiase filmmuziek en Afrikaanse ritmes). En dit muziekgenre bevat naast Oost-Afrikaanse, Arabische en Indiase elementen ook nog eens Latijns-Amerikaanse elementen. Nog een van de populairste muziekgenres uit Oost-Afrika is de Keniaanse bengamuziek, dé hedendaagse dansmuziek voor Oost-Afrikanen. Deze stijl is niet Arabische of Indiaas, maar zuiver Oost-Afrikaans. Deze muziekstijl die in de jaren vijftig populair werd, wordt gekenmerkt door een diep basritme en kort aanhoudende, heldere gitaarpatronen. En bij dit muziekgenre is de traditionele wisselwerking tussen de instrumenten ook kenmerkend. Maar er zijn nog verschillen met de andere Afrikaanse muziekgenres. Naast de maatschappijgebonden muziek en de Arabische en Indiase elementen zijn de eigen trommelstijlen, de afwezigheid van ‘hot rhythm’, hét kenmerk van Afrikaanse muziek en de speciale, traditionele muziekinstrumenten zoals houten xylofoons en snaarinstrumenten gemaakt van uitgeholde kalebassen of kokosnoten kenmerkend voor Oost-Afrikaanse muziek.

2.2c De Hoorn

De Afrikaanse Hoorn heeft een muziek die gelijkt op die van Oost-Afrika. Maar er is toch een groot verschil: de wereldse invloeden die hun intrede maakten in de jaren zeventig. Door deze invloeden van over de hele wereld ontstonden er in de jaren zeventig-tachtig swingende muziekgenres zoals de Ethio-jazz en Ethio-funk, die men niet aantreft in Oost-Afrika. Dit zijn muziekgenres die ontstaan zijn uit de Amerikaanse psychedelic rock en Motown soulmuziek, vermengd met de traditionele muziek uit de Hoorn. De kenmerken van deze Ethio-jazz en –funk zijn de aanwezigheid van de blazers (vooral trompetten), de Elektrische en akoestische instrumenten (bv. synthesizers) en het accordeon naast de traditionele inheemse instrumenten zoals de beganna en de Krar. En ook de wat langere intervallen zijn kenmerkend voor deze muziekgenres. En op deze swingende muziekstijlen werd natuurlijk ook gedanst. Er waren twee belangrijke dansstijlen voor deze swingende muziek: de ene werd in een cirkel gedanst en de andere in twee groepen. De beide dansen waren zoals alle Afrikaanse dansen zeer ritmisch. Maar dit alles was rond de jaren zeventig-80, nu zijn we in 2007 en in deze periode van ongeveer 25 jaar is er wel wat veranderd. Een van de bekendste hedendaagse muziekgenres in de Hoorn is nu een mix van vele ingevoerde stijlen uit de jaren zeventig zoals Ethio-jazz en –funk met de authentieke muziek uit de Hoorn. En samen met het muziekgenre zijn ook de muziekinstrumenten en de dans veranderd. Nu gebruikt men vaker de saxofoon als blaasinstrument en de rijkere maken ook gebruik van het elektrische orgel, maar zoals bij de Ethio-jazz en –funk zijn de inheemse instrumenten nog altijd het meest vertegenwoordigd. En ook de dans is nu veranderd. Nu danst men meer de ekesta, een dans waarbij men het borstbeen ritmisch naar voren duwt en waarbij vooral de schouders soepel bewegen.

2.2d Centraal-Afrika

Centraal-Afrika ligt van alle Afrikaanse landen het meest geïsoleerd. En dit heeft gevolgen gehad voor de muziek. Door deze isolatie is de ontwikkeling van een meer modernere muziekcultuur met invloeden van Afrikaanse en westerse muziek pas later op gang gekomen dan in de rest van Afrika. Tot aan de oorlog(1945) is de muziekstijl van de pygmeeën de belangrijkste. Deze muziekstijl wordt gekenmerkt door de herhalingen van melodische patronen en polyfonische harmonie. Pas na de oorlog ontstaat vanuit Congo de zogeheten Congo pop, die veel invloed heeft gehad op de Afrikaanse (pop)muziek. Congo pop is de benaming voor de popgeoriënteerde klanken van veel bands uit landen als Congo, Kenia, Tanzania, Zambia en Angola. Uit deze Congo pop in combinatie met wereldlijke invloeden, vloeiden verschillende andere meer Westerse muziekstijlen die vandaag de dag nog steeds bestaan in Centraal-Afrika zoals westerse pop en rock muziek, soukous de bekendste Congolese muziekstijl en andere genres van afrobeat. Soukous is een mengeling van Afro-Cubaanse rumba en traditionele Congolese muziek. Soukous betekent schudden en wordt vooral gekenmerkt door wervelende gitaarpartijen, herhalende ritmes en hartverwarmende harmonieën, waardoor het een onweerstaanbare dansmuziek vormt en zijn naam niet gestolen heeft. Je zou het ook niet zeggen maar Soukous is ook de meest invloedrijke dansmuziek op de Westerse dansvloer. Soukous is bij ons en in Afrika niet alleen geliefd door zijn dansritmes maar ook door spontaniteit, energie en vernieuwing. De Soukous heeft heel veel verschillende vertakkingen die de muziek telkens weer nieuw leven inblaast. Maar in Centraal-Afrika zijn er nog andere muziekgenres als de soukous. Er zijn ook ‘echte’ Westerse pop en rock genres. Die zijn er gekomen omdat veel Centraal-Afrikaanse groepen (Papa Wemba, Kanda Bongo Man, Kofi Olomidé,…) naar het Westen reizen (vooral Parijs en Brussel) om een breder publiek te verwelkomen. Op die manier geraakt de traditionele Centraal-Afrikaanse muziek verweven met de Westerse muziek. Dan in de jaren zeventig ontstaat er een nieuw muziekgenre in Centraal-Afrika. Deze muziekstijl ontstaat in de Congolese studentenwereld en wordt sterk beïnvloed door rockmuziek en ook wel door de soukous. De kenmerken ervan zijn het gebruik van de drums en gitaren. Naaste deze bekendere centraal-Afrikaanse muziekgenres zijn er ook nog iets minder bekende en traditionelere muziekstijlen zoals de banda waar polyritmiek centraal staat en waar men gebruik maakt van houten trompetten en ongo’s (trompetten van antilopenhoorn).

2.2e West-Afrika

In West-Afrika zijn de slaginstrumenten toonaangevend, veel meer dan in de rest van Afrika. Ook is de "hot rhythm" bijna altijd aanwezig, wat niet zo was bij Oost-Afrikaanse muziek. Een van de belangrijkste muziekgenres in West-Afrika is highlife, een dansmuziek die eind 18e eeuw in Ghana ontstond uit een vermenging van Afrikaanse ritmes met Amerikaanse brassbandmuziek, meegebracht door West-Indische soldaten. Naast deze dancehallmuziek ontstonden er na de onafhankelijkheid varianten waarin de gitaar prominent is en waarin door zeelui meegebrachte accordeons worden gebruikt. Naast Ghana zijn de grote highlifelanden Sierra Leone en Nigeria.

Naast highlife zijn er ook nog andere belangrijke muziekstromingen in West-Afrika zoals juju (palm wine Music). Het is een popvariant van de highlife en ontstond begin de jaren zeventig en werd vooral door de armere bevolking gespeeld. Ook afro-highlife, soms wel highlife-jazz genoemd, is zo'n variant van highlife. Dan rond de jaren zeventig ontstaat ook de moderne West-Afrikaanse muziek. De landen Guinee, Senegal en Mali dragen daartoe bij. Zij vermengen de oorspronkelijke highlife met de Latijns-Amerikaanse elementen waardoor de Afro Manding ontstaat, die vooral bekend is in Gambia. En de muziek evolueerde steeds meer en meer zodat je onnoemelijk veel varianten hebt op de standaardhighlife. Al deze varianten worden gevormd door de oorspronkelijke muziek die vermengd wordt met funk, pop, blues, Spaanse en Portugese creoolase gezangen, Amerikaanse jazz. Zo ontstaan er muziekgenres zoals Malinese griot. Nog zo een van die bekende en recente versmeltingen is de Kameroonse Makossa een tussenvorm van Nigeriaanse-Congolese muziek (Congo-pop) en Ghanese highlife.

Dit fenomeen van versmeltingen van verschillende muziekgenres noemt men een smeltkroes van muziekculturen en het doet zich van alle Afrikaanse landen het meeste voor in West-Afrika. In het algemeen lijken al deze varianten sterk op elkaar en hebben ze ongeveer dezelfde kenmerken: een snel gitaarspel en dansbare ritmes. En vaak lijken al de varianten sterk op de Congolese soukous, maar toch zijn ze iets anders, wat van de Afrikaanse muziek een vernieuwende, bewegende muziek maakt. En niet alleen de Afrikanen vinden dit een sterk punt, wij ook. Want in het Westen heeft het ook vaste voet aan de grond gekregen. Dit komt grotendeels, buiten de vernieuwende en bewegende muziek, door de elektrische gitaar, die in het Westen zeer geliefd is. Nu zijn er heel wat West-Afrikaanse muzikanten zoals E.K. Nyame, Osibisa en Prince Nico M'barga & Rocafil Jazz die regelmatig optredens in Europa verzorgen.

2.2f Soedan

In Soedan overheerst vnl. de muziek uit Egypte. Er zijn bijna geen verschillen op een groot verschil na. Bijna alle Soedanese liederen zijn in het Arabisch gezongen. Ook is Soedanese muziek een mengelkroes van vooral Arabische muziekgenres met Zwart-Afrikaanse elementen. Soedan ligt namelijk op de grens van Arabische Afrika en Zwart-Afrika (deze ‘grens’ situeert zich ergens in de woestijn) en daarom heeft men in 1959 Soedan als een aparte regio gezien.

2.2g Noord-Afrika

Noord-Afrika wordt zoals Oost-Afrika en de Hoorn gekenmerkt door Islamitische invloeden, al zijn deze invloeden In Noord-Afrika duidelijker dan in Oost-Afrika en de Hoorn. Naast de Arabische muziekcultuur is Noord-Afrikaanse muziek ook gekenmerkt door elementen uit de Moorse muziek en door westerse klanken die door de Franse en Engelse bezetters werden geïmporteerd. Traditionele muziekstijlen uit Marokko, Egypte, (Libië) en Algerije zijn de Gwana- en berber-muziek (een spirituele en rituele vorm van muziek die haar wortels heeft in de zwarte Afrikaanse slavernij) en de bedoeïenmuziek (muzikale smeltkroes waarin Indiase, Iraanse, Spaanse en Marokkaanse elementen samenkomen met veel ruimte voor improvisatie). Maar dit zijn de traditionele muziekgenres. De meest specifieke en herkenbare hedendaagse muziekstijl uit Noord-Afrika is de raï. Een oorspronkelijk Algerijns muziekgenre, maar nu kom je het in heel Noord-Afrika tegen. Raï is ontstaan uit de oorspronkelijke muziek van herders die, ondersteund door trommels en fluit, kreten uitslaken. Raï kwam in de jaren zeventig echt tot volle ontwikkeling en vanaf de jaren tachtig werd de typisch stijl ook sterk beïnvloed door de westerse muziek. Naast de raï is er ook nog de Egyptische Al jeel, die ook vnl. op jongeren is gericht zoal de raï en ook een reactie is op de traditionele muziek. Het is inmiddels samen met de raï een muziekgenre dat het verzet van de jeugd tegen de autoriteiten symboliseert en gekenmerkt wordt door kritische teksten (een zeer bekend voorbeeld van hedendaagse Noord-Afrikaanse muziek is ‘Aicha’). Op deze jongeren muziek is er ook kritiek gekomen die zich uit in volksmuziek. Deze volksmuziek is gevoed door de religie en de nationale trots. De maatschappijkritische teksten van de volksmuziek zijn soms iets te politiek beladen waar dan weer protest tegen ontstaat.


Hoofdstuk 3 Warbadans, Burkina Faso

Mossi Tribe (Yadsé de Kongoussi), Kongoussi City, Bam Province, Burkina Faso

 

Introductie

Warba (of Waraba) is een traditionele dans van de Mossi in de hooglanden van Burkina Faso. Dat wil zeggen de Warba is een dans die in vele verscheidenheden wordt uitgevoerd bij Mossi dorpsfeestelijkheden en gebeurtenissen, inclusief traditionele festiviteiten, begrafenissen, inauguratie ceremonies voor de dorpsoudste/ chief volgens de gebruikelijke wetten, en onderwijskundige bijeenkomsten.

De Warba dans kenmerkt zich door snel schudden van heupen en billen en afwisselend een been optillen terwijl met het andere geschud wordt. Warba is een zeer energieke dans, die ook acrobatiek omvat. Het wordt ook gekenmerkt door zijn ritmische karakter, en op dit moment zijn 36 soorten passen bekend, die worden gebruikt. Er is geen limiet aan het aantal dansers.

 

Danskostuums zijn onderscheidend, een uiteenlopende rok van gevlochten katoen en belletjes als een riem rond de taille gebonden. Dansers dragen een hoofdbedekking volgens locale tradities, evenals kettingen en sieraden gemaakt van dierlijk leer en kaurieschelpen.

 

Van oorsprong werd de dans begeleid door de Bendré, een kalebas drum met een schapenhuid. Dit instrument (ook wel Bara genoemd bij de Youla werd bespeeld bij de Naba, de Mossi-chief. Het werd vaak gebruikt als een aankondigingsinstrument wanneer belangrijke berichten werden afgekondigd. Tegenwoordig staat het chiquer om de djembé hiervoor in de plaats te gebruiken. Naast dit instrument is er de Wiga, (de mossi fluit), de Lounga (de sprekende trom) de Doumdoum en de kièma (de Mossi ijzeren castagnetten). Je kunt de Sangban em de Kenkeni gebruiken om de Lunga patronen te spelen.

Begeleidende instrumenten omvatten, minstens twee tam-tam drums, tenminste twee tamboerdrums en een fluit. Tam tam drums (Bendré of Bara) zijn gemaakt van kalebassen (pompoen) en een dierenhuid. Tamboer (doum doum) trommels zijn gemaakt van hergebruikte metalen vaten met daarover een dierenhuid gespannen.

In een optreden betreden twee groepen het terrein: een groep muzikanten met meerdere drummers en een fluitist en een groep dansers.

 

Problemen bij het conserveren van de Warba dans.

Voor 2003 werd de Warba dans zelden opgevoerd in de dorpsgemeenschappen. Traditionele festivals werden overschaduwd door Kerstmis en Pasen vieringen. Inauguratie vieringen voor dorpsoudsten/ chiefs werden zelden uitgevoerd; en Christelijke priesters en Moslim Imams verboden te dansen als mensen voerleden waren, bij begrafenissen, want zowel de Christenen als de Moslims zagen deze dans als een uiting van animisme. De gemeenschap nam moderne dansen over en verwaarloosde de traditionele dansen. Er wam ene moment waarop mensen bijna alleen nog maar dansten op moderne opgenomen en afgedraaide muziek. Jonge mensen zagen de Warba dans als een relikwie uit het verleden en gaven de voorkeur aan samen te komen in levendige, en verleidelijke eetgelegenheden en bars.

 

Een voorbeeld van een herleving van het Warba dansen is de oprichting in 2003 van de groep Warba Relwendé in Kongoussi, die ontstond vanwege het bewustzijn dat de Warba dans nieuw leven in moest worden geblazen. Eerst moesten echter een aantal probleem worden opgelost. Naast het probleem van fondsenwerving, was het noodzakelijk om de goedkeuring te krijgen van de kerken en moskeeën, maar ook passende kostuums, instrumenten en andere apparatuur voor de dansgroep. Het gebrek aan culturele samenwerking in de regio maakte het overbrengen van informatie lastig.

Gelukkig waren er in dit gebied bars waar jonge mensen samenkwamen van verschillende leeftijden en beroepsgroepen. De praktijk van het dansen met de doden en het zenden van de overledenen naar hun graven onder begeleiding van de geluiden van de drums was iets dat alle familieoudsten als een onmisbaar deel van hun eigen begrafenis zagen. En sinds het door de priester/ imam verboden werd, hoopten menig dorpsoudste dat iemand het onderwerp weer eens ter sprake zou brengen, in de hoop dat het weer nieuw leven in geblazen zou worden.

De geluiden van het weer in ere herstellen van de warba dans bereikten zodoende ook de mensen van naburige dorpen, waar het onderwerp werd van de dorpsvergaderingen. Deze beweging riep op tot solidariteit binnen de dorpsgemeenschap, hoewel ingegeven door de wens het lokale culturele erfgoed te beschermen dat anders mogelijk in de tijd verloren zou gaan.

De groep Warba Relwendé uit Kongoussi werd opgericht en zowel jonge als oudere, mannen als vrouwen, en de algehele dorpsvergadering besloot unaniem om een dansgroep te vormen. Omdat alle dorpsbewoners dezelfde culturele erfenis hadden, hadden ze allen een bezwaar tegen het verval van de dans, die een onderdeel vormde van de cultuur waar ze trots op waren, want de Warba dans was hun kunstuiting die de maatschappelijke solidariteit versterkte.