Burkinafasoreis2011
Home » reisverslag dec 2011

reisverslag dec 2011

BARKA, BARKA, BURKINA

 

Op zeventien december 2011 is het dan eindelijk zover. Mijn derde reis naar Burkina Faso kan beginnen. Ik had me er iets heel anders bij voorgesteld toen we met de organisatie van deze reis begonnen. We begonnen natuurlijk met de gebruikelijke informatieavond voor belangstellende leerlingen en hun ouders. Zodra de brieven voor deze avond de deur uit waren braken er behoorlijk heftige onlusten uit in Ouagadougou en enkele andere grotere steden van Burkina Faso. Aanleiding was onder andere het niet uitbetalen van de salarissen van de militairen en politie. Het reisadvies stond zelfs enige tijd op zes, dat wil zeggen, nog gevaarlijker dan een land als bijvoorbeeld Afghanistan. Alle reizen naar het land werden ten zeerste afgeraden. Het reisadvies zakte naar vijf, alle niet noodzakelijke reizen werden ontraden. Op de informatieavond zelf  bleek het advies te zijn bijgesteld naar drie, dat wil zeggen waakzaamheid betrachten en bepaalde gebieden eventueel vermijden. Deze laatst genoemde gebieden zaten niet in ons programma en dus was er toch wel een bepaalde opluchting. We besloten toen dat we uiteindelijk pas in augustus de knoop om al dan niet te gaan zouden door hakken. Vierenveertig leerlingen leverden uiteindelijk hun motivatieopstel in en wij maakten hieruit een selectie van twintig gelukkigen.

In augustus hakten we de knoop door en besloten we dat het met het toenmalige reisadvies van de Nederlandse ambassade verantwoord was om de reisplannen door te gaan zetten. Helaas nam de directeur van onze school enkele weken later het besluit de reis te annuleren, omdat hij de verantwoordelijkheid voor deze reis op dat moment niet wilde aanvaarden. Hij achtte de risico’s die we zouden kunnen lopen te groot. Dit tot groot verdriet van alle betrokkenen.

Enkelen van de begeleiders besloten dat we desondanks wilden gaan en we kregen daarvoor toestemming van de schooldirectie. De reisplannen werden aangepast aan dit kleine gezelschap. De personen die mee zullen gaan zijn Sjef Theunissen van Stichting Help Burkina, Kees Vreeburg en Els en Heico Schrik.

 

En zo staan we op een regenachtige koude morgen om zeven uur in Breda klaar voor het vertrek naar Zaventem. Zeven grote koffers worden in de aanhangwagen gelegd. De handbagage gaat mee in de auto en we vertrekken voor dit nieuwe avontuur. Er is niet echt veel verkeer op de weg. Langs de wegen in België zien we zelfs sneeuw op de velden liggen. De reis naar het vliegveld verloopt voorspoedig en ook op Zaventem is het redelijk rustig. We kunnen meteen al onze bagage inchecken en dan is het wachten tot 10.35 uur als we mogen instappen. Het vliegtuig van Brussels Airlines waarmee we een rechtstreeks vlucht naar Ouaga hebben blijkt nagenoeg vol te zitten. Hoewel het buiten blijft miezeren hebben we bij het opstijgen een goed zicht over Brussel en kunnen we vanuit de lucht het Atomium duidelijk zien.

Boven Zuid-Frankrijk hebben we een goed zicht op de lange stranden, we vliegen over de Middellandse zee en over Algerije. Boven de woestijn hangen ook vele kleine wolkenpartijen die een  apart beeld geven door de schaduw die zij werpen op het Sahara zand. We zien een ruig gebied met zandheuvels, oases met bomen en hier en daar grote nederzettingen met donkere grote cirkels, waarvan we niet goed weten wat dat voorstelt.

Dan na zes en een half uur vliegen komen we aan boven Ouaga. We zien veel strak georganiseerde nieuwe wijken. De landing verloopt soepel en we worden met de bus naar het douanegebouw gereden. Paspoort controle, inreisformulier invullen, politiecontrole en bagage ophalen. Gelukkig is alle bagage aangekomen. Op naar de ontvangsthal. Daar zien we al snel de oude bekenden staan. Natuurlijk onze contactvrouw Pascaline met dochter Sjefa, een goede kennis en bronsgieter Oumar en Daniel, die in 2008 onze chauffeur was. Hij zal ook deze reis onze chauffeur zijn. We rijden door een stoffig en naar olie- en benzinedampen stinkende, bijna mistig aandoende hoofdstad. Vanaf half zes begint de duisternis in te vallen en rond half zeven is het eigenlijk donker. Het is er spitsuur en met de vele stinkende brommertjes en olieverbruikende auto’s is het geen erg plezierig welkom in Burkina. We zullen er aan moeten wennen, want zeker rond het spitsuur is het hier dagelijks zo. Vele bestuurders van brommers en fietsen rijden ook met mond- en neuskapjes voor. Het is een wirwar van brommertjes die overal lijken te mogen rijden, auto’s die veelvuldig toeteren en rode stoplichten die waar mogelijk genegeerd worden.

Op veel kruispunten staan verkeersregelaars, die als het rustig is niets doen, maar in de spits vaak het werk van de stoplichten overnemen en zelf met drie of vier man het verkeer regelen. Opvallend genoeg wordt er dan wel naar hun signalen geluisterd.

Kees, Heico en ikzelf zullen de dagen dat we in Ouaga zijn, verblijven in het gastenverblijf van Tele-Vie-Deo (TVD), Sjef zal bij Pascaline worden ondergebracht. We worden eerst afgezet bij Tele-Vie-Deo. Tele-Vie-Deo is een door een Nederlands echtpaar, Henk en Joke van Ingen, gerund protestant- christelijk bedrijf dat via TV-uitzendingen aandacht probeert te wekken voor de boodschap van het Christendom. Er blijken twee kamers voor ons klaar te staan op de bovenverdieping. Via een halletje en daarna een steile trap komen we bij onze kamers. Prima houten ledikanten met matrassen, laken en dekens voldoende voorhanden. WC, wastafel, douche en zelfs airco maken de boel compleet. Er vinden in het gebouw nog volop bouwactiviteiten plaats. Ook onze badkamer heeft nog wat zorg nodig, want de eerste avond staan we al met natte sokken. Hier en daar lekt het sanitair. De loodgieter moet daar nog eens naar kijken. Tijdens ons verblijf dweilen we maar regelmatig en gedeeltelijk wordt de nattigheid verminderd door het water met een emmer en bakje op te vangen. Er hangt ook een airco in de kamers, maar die hebben we eigenlijk niet nodig in deze tijd van het jaar. Overdag verblijven we meestal elders en ’s nachts koelt het dusdanig af, dat je blij bent met je slaapzak. In warmere tijden van het jaar zal de airco ongetwijfeld een fijne bijkomstigheid zijn.

TVD ligt vlak bij de grote geasfalteerde rondweg door Ouaga, aan een rode zanderige brede “avenue”. Na het inrichten van ons nachtverblijf brengt Daniel ons naar Pascaline. Daniel blijkt inmiddels 36 jaar oud te zijn en heeft drie kinderen, zoon van 10, dochter van 7 en zoon van 3 jaar oud. Aan de spiegel van zijn auto hangt een vaantje van de Etalons (hengsten) van Burkina, ofwel het nationale voetbalelftal. Pascaline woont één tot twee km vanaf TVD. Naarmate we verder van de “grote” weg afraken wordt het verkeer minder, maar de straten niet minder stoffig. Grote stofwolken hangen achter onze wagen.

Daniel zoekt het beste stukje van de straat, die vol ligt met grote keien en kuilen. Fietsers en brommers zoeken een veilig heenkomen als we er aan komen. In deze overwegend onverlichte straten is het soms erg goed oppassen, want fietsers en brommers en soms zelfs ook auto’s rijden er nog al eens zonder licht. Ze doemen dan ineens voor de auto op. Iedereen probeert net zoals wij het beste stukje van de weg te vinden. Hierdoor worden de op het eerste oog breed lijkende straten soms ook ineens erg smal. Sommige delen van straten zijn eigenlijk niet eens te berijden, maar lijken meer op kraterinslagen. Links en rechts van de straat rijdend gaan we naar het huis van Pascaline. Onderweg zien we al bij diverse huizen wat eerste bouwsels van de Kerstallen, die kinderen tegen Kerst hier altijd maken tegen de buitenmuur van het huis. Hele gezinnen zitten buiten op straat en vaak bedekken ze hun neus en mond als we passeren teneinde een hap stof te vermijden. Of het helpt is de vraag.

Een aantal runderen staat bij een stal en even verderop passeren we een opvallend groen stuk in dit verder dorre Ouaga. Het blijkt een volkstuincomplex te zijn, waar vooral vrouwen wat proberen bij te verdienen door sla, wortels en andere zaken te verbouwen. We passeren een open riool. Hier ligt enorm veel  vuil en plastic in. Dan komen we in de straat van Pascaline. Deze is iets minder breed. Kinderen spelen er op straat en enkele volwassenen zitten op stoelen voor de toegang tot hun huizen.

Een hartelijk welkom door alle aanwezigen in het huis van Pascaline.  Pascaline heeft drie kinderen, Lydia 20 jaar, Cynthia 17 jaar en Sjefa 11 jaar. Verder is er nog Chantal, hulpje in de huishouding, en David met een onduidelijke familierelatie die al enkele jaren bij Pascaline woont en voor accountant studeert.

Er blijkt een kok ingehuurd te zijn om voor ons te koken. Een aardige, attente, wat onderdanig man die erg blij is met de complimenten die hij van ons krijgt. Het bestek ligt met de bolle kant boven, borden staan op hun kop, zo ook de glazen. Tja, ook in het huis moet men in deze stad voortdurend rekening houden met het stof in de lucht.

We krijgen onder andere een heerlijke groetensoep met stokbrood en als toetje is er fruit gesneden in de vorm van een zonnebloem met een schijfje citroen. In het huis hangt de foto die ik in 2008 van haar heb gemaakt vóór het gebouw van de Assembée Nationale met een gedeelte van de groep en de voorzitter van het parlement. Voor onze begrippen hangt hij erg hoog, zoals de meeste van de foto’s en andere muurversieringen.

De hele dag is het, zo lijkt het wel, de zoete inval. Vele oude vrienden en bekenden komen aangewaaid. En dat gaat alle dagen zo. Ook staat hele dagen de televisie aan. Het maakt niet uit of er iemand kijkt, hij staat altijd aan.

Zo aan het einde van een lange en vermoeiende reisdag laten we ons vrij vroeg terug brengen naar TVD. Morgen reizen we verder naar Douré, een dorpje 60 km ten noorden van Ouaga, waar ikzelf nog nooit geweest ben. We kunnen gelukkig alle spullen die we daar niet nodig hebben achterlaten bij TVD. De kamers zijn tijdens onze afwezigheid niet nodig en dus maken we daar graag gebruik van. De hoogst noodzakelijke spullen worden gepakt en daarna rond 21.30 uur Nederlandse en 20.30 uur Burkinese tijd zoeken we ons bed op. Op straat rijden de auto’s gewoon door en ook horen we het geknetter van voorbij rijdende brommertjes.

 

Zondag 18 dec 2011

Rond half zes wordt het weer licht. ’s Nachts is het toch nog stil geworden in de straat, waar aanvankelijk de brommertjes en auto’s nog met knetterende en ronkende motoren doorheen reden. Ook fietsers hoor je rijden, hun voertuigen rammelen behoorlijk. Geen wonder als je dagelijks door dit soort straten moet rijden. De buurt lijkt ook wakker te worden want er klinkt muziek uit een radio. Omdat het leven op straat plaatsvindt, moet je je muziek daar natuurlijk ook kunnen horen en dus staat over het algemeen de muziek hier niet erg zacht. Van burengerucht heeft men hier nog niet gehoord. Ook de toeterende auto’s kan ik vanuit mijn bed goed horen. Een haan kraait en ook de imam heeft al van zich laten horen. Hij was de eerste die mij ’s morgens om vijf uur al wekte met zijn oproep tot het ochtendgebed. Houtskoolvuurtjes worden weer opgestookt en de geur ervan kan ik vanaf het balkon duidelijk waarnemen. De zanderige naar benzinedampen stinkende waas die gisteravond over de stad hing is grotendeels verdwenen.

Dit deel van de stad kent hoofdzakelijk laagbouw, terwijl er, nu de grond duurder wordt, toch ook wat gebouwen met meer verdiepingen verrijzen. Zo ook schuin tegenover ons verblijf, waarbij het interessant is om de steigerbouw te vergelijken met die bij ons. Verder zijn overal in de straat kleine winkeltjes te vinden. Een kapster is ’s morgens al het vroegste open. Om 8.15 uur opent zij de deuren en maakt de boel schoon. De andere zaakjes, ook voorzien van tralies, openen in de loop van de morgen hun deuren. Alle huizen, zo ook TVD, hebben een omheining. Nu is het zo in Ouaga, zo vertelt Joke ons die ochtend, dat als je een muur hebt gebouwd om een terrein, dat terrein ook echt je eigendom is. Dus ook al heb je geen geld om het huis te bouwen, dan probeer je toch die muur te bouwen. Voor de overheid een teken dat je er serieus bezig bent met bouwplannen. Binnen de muren is het vaak schoon, er buiten over het algemeen vuil, vies en stoffig. Ik geniet van de geweldige in diverse kleuren bloeiende haag van Bougainville. Met name de roodpaarse kleur is prachtig. Hij siert nagenoeg de gehele muur rond de gebouwen van TVD. De tuin wordt dagelijks door de bewaker besproeid met water uit een eigen diepboring, waardoor de tuin opvallend groen is in een verder vaak stoffige  omgeving. Het is een groene tuin waarbij de bladeren en bloemen over het algemeen bedekt zijn met een flinke laag rood stof.

Om zeven uur maakt Joke voor ons het ontbijt klaar buiten op de veranda. Het zonnetje schijnt al heerlijk en de temperatuur vinden wij al behaaglijk. Het is overdag net iets boven de 30 graden en ’s nachts loopt de temperatuur terug tot net rond of onder de 20 graden. Wij vinden de temperatuur prima, maar de Burkinezen denken daar vaak anders over. Tot ruim in de ochtend lopen ze met dikke truien of winterjassen rond en ook hun handen voelen bij het begroeten vaak niet erg warm aan. En dat terwijl wij dan al vaak in ons T-shirt rondlopen. Heerlijk vers stokbrood natuurlijk met onvermijdelijke jam. Ook een vers gekookt eitje en de ons overbekende stukjes smeerkaas van ‘La vache qui rit’ heeft ze voor ons geregeld. Natuurlijk voldoende koffie en thee naar keuze, want veel drinken doe je toch wel bij de voor ons vrij hoge temperaturen overdag. Gisteren heb ik wel opgevangen dat bij Pascaline voor ons een ontbijt geregeld zou worden, maar daar sta ik eigenlijk pas bij stil als we al bijna klaar zijn. Daniel haalt ons op en we rijden langs een kerk. De brommers staan er zeker in vier rijen geparkeerd. Ook vele auto’s hebben in de straat een parkeerplekje gevonden. De kerk puilt uit en velen staan of zitten buiten op een door henzelf meegebrachte stoel. Bij deze temperatuur is buiten zitten geen straf. Wij realiseren ons eigenlijk nu pas dat het vandaag zondag is!

De hond, Nero, slaat wel aan als we het hek bij Pascaline open maken, maar loopt dan verder voor ons uit als we hem negeren en gewoon doorlopen. Misschien heeft hij ons wel herkend van gisteren. De kok is al druk doende met het regelen van ons ontbijt. We besluiten maar niets te laten merken en ook hier het nog eens dunnetjes over te doen. De omelet die erbij is smaakt heerlijk. Dus het is niet echt een straf, twee maal ontbijten.

Juliette, mijn vriendin uit 2006 komt even langs. Een hartelijke begroeting volgt. Ze geeft wel aan dat ze niet helemaal lekker is en later komt er meer gelegenheid om daar dieper op in te gaan. Ik heb wel het idee dat ze wat magerder geworden is sinds onze laatste ontmoeting in 2008. Nu heeft ze na ons bezoek haar knie gebroken en een flinke tijd niet goed uit de voeten gekund. Hierdoor lag de productie en verkoop van dolo, het lokale gierstbier, nagenoeg stil, had ze geen inkomen, hadden zij en haar 3 kinderen niets tot bijna niets te eten. Daarna kwamen als klap op de vuurpijl een grote regenbui en storm die het golfplaten dak van haar huisje vernielden. Alle gierst om dolo van te maken die eronder lag raakte zo in een klap waardeloos. Ze heeft toen hulp moeten zoeken bij vrienden en bekenden om deze zware periode door te komen. Uiteindelijk heb ik gezorgd dat ze middelen kreeg om een zeepmakerij te kunnen gaan beginnen.

Om tien uur beginnen we met een bezoek aan Sainte Mère Teresa, het eerste project van Stichting Help Burkina. Begonnen als een basisschool in een kansarme wijk van Ouaga. In de loop van de jaren is deze uitgebreid met diverse nieuwe lokalen en sinds een aantal jaren ook met een vierjarige CEG, ofwel een middelbare school vergelijkbaar met onze VMBO. Deze school telt inmiddels meer dan 1000 leerlingen en draait in feite op eigen kracht. De bewaker is een oude bekende. Hij was er ook al in 2006 en 2008. Hij opent na een claxonstoot van de auto de poorten en laat ons binnen. Hij opent ook alle lokalen voor ons zodat we ze even kunnen bekijken. Het is zondag dus het schoolterrein is nagenoeg verlaten. Alleen een ijverige leerling van de CEG maakt buiten onder een overkapping haar huiswerk op een schoolbord. Ze kijkt even op als ze ons ziet, maar gaat daarna onverstoorbaar verder.

We bekijken eerst de administratie. Een computer en kopieerapparaat staan er. Ik meen me te herinneren dat Pascaline vertelde dat er wel 3.000 kopieën per maand op gemaakt worden. We denken er het onze van en weten zeker dat onze eigen directeur heel erg blij zou zijn als wij op onze school ons zouden kunnen beperken tot dit aantal per dag. Dan bezoeken we een ruimte die voorheen benut werd als lokaal voor de CE2. Bij mijn vorige bezoek werd ik namelijk naar dit lokaal gebracht om mijn adoptiekind te ontmoeten. Nu de school een extra lesruimte bijgebouwd heeft wil men deze ruimte gaan benutten als bibliotheek. De eerste boeken en stellages staan er al in, maar er zal nog veel werk te verrichten zijn wil dit een, voor onze begrippen, volwaardige bibliotheek kunnen gaan worden. Een aantal Mangobomen, die zijn geplant bij de opening van de school, staat er prima bij. Ze dragen vrucht op het moment dat de school in oktober van start gaat. Heel lang hangen ze er dan niet meer aan, want de kinderen weten ze goed te vinden. Wat ook eigenlijk de bedoeling ervan is, naast het feit dat ze voor enige schaduw en dus verkoeling zorgen op het verder stoffige schoolplein.

In de kleuterklas zien we dat de rijtjes met tafeltjes en stoeltjes, de klassieke opstelling, plaats heeft gemaakt voor een meer groepsgewijze opstelling. De kleine tafeltjes zijn vervangen door enkele grote tafels, de stoeltjes zijn hetzelfde gebleven. Aan de muren hangen de voor kleuterklassen zo kenmerkende tekeningen van handen en kleurplaten van dieren.

Op de wandborden in de onderbouwklassen zagen we weer grote aantallen leerlingen per klas. Elke dag wordt op het bord genoteerd hoeveel leerlingen aanwezig zijn, hoeveel meisjes en hoeveel jongens en het aantal absenten; 89 leerlingen horen in deze klas te zitten, waarvan 44 jongens en 45 meisjes. Twee jongens stonden als absent genoteerd. Een goed teken dat er ongeveer evenveel jongens als meisjes in de klas zitten. In het verleden gebeurde het nog al eens dat alleen jongens naar school gingen en meisjes thuis moesten helpen. Dit lijkt voor deze school gelukkig niet zo het geval te zijn. Tevens valt me op dat bij de diverse schoolborden gordijntjes zijn verschenen. Als de leerkracht dan ’s morgens voor de les de teksten al op het bord heeft geschreven, kan hij ze totdat hij ze nodig heeft, voor de leerlingen verborgen houden. Het ziet er provisorisch uit, maar het werkt wel. Wij zouden de schoolborden dan even dichtklappen, maar met op de muur geschilderde borden, zoals hier het geval is, valt dat toch echt niet mee. Een handige oplossing dus. Er zijn weinig tot geen schoolboeken, dus alles moet op het bord geschreven of getekend worden. We worden een beetje gemaand door te lopen, want ons programma voor die dag loopt zo vroeg op de morgen al een beetje achter.

Daarna een vlug bezoekje aan het te openen Lycée Privé Sainte Elisabeth ofwel de vakopleiding voor naaisters. Meisjes voor wie de normale middelbare school vaak te hoog gegrepen is en die hier wel een vak kunnen leren. De opening van deze school, mede gefinancierd door Stichting Help Burkina, de NCDO en dankzij de sponsoractie van onze school, is de eigenlijk aanleiding voor deze reis. Op de poort van de school de toepasselijke tekst voor deze meisjesschool: ”Chaque enfant a droit à l’ éducation. Eduquer une fille c’est éduquer une nation.”

Bij maar liefst 30 van de huidige 36 meisjes die de school dit eerste jaar bezoeken zijn de ouders niet in staat het schoolgeld, ongeveer 125 Euro per jaar, te betalen. Op allerhande manieren wordt geprobeerd hen daarmee te helpen.

De bewaker heet ons welkom en we lopen langs de diverse gebouwen en lokalen. Het lokaal met een grote hoeveelheid naaimachines trekt toch wel de grootste aandacht. De meeste zijn machines die met de voet worden voortbewogen. Prima machines om het vak op te leren. Deze machines zijn niet afhankelijk van de beschikbaarheid van elektriciteit, dus werken ze altijd. Een enkele machine is elektrisch. Daarnaast bevindt zich een lokaal met hoge grote tafels, naar het zich laat aanzien om patronen te tekenen en de coupons te knippen. Ook zijn er gewone leslokalen voor de theorievakken, want ook dat krijgen de meisjes hier. Rekenen/ wiskunde, Franse en Engelse les, sportieve en fysieke vorming en nog een aantal vakken waarvan ik de afkorting niet kan lezen.

Eén gebouw is nog niet helemaal af en staat met name aan de achterkant nog in de steigers. Achteraan op het terrein, achter het sportveld, bevinden zich de toiletten voor de leerlingen. Het sportveld bestaat uit een voetbalterrein met twee doeltjes, een 100 meter sprint baan en een aanloopbaan voor de verspringbak. Voor de LO-les hebben de leerlingen fel oranje LO shirtjes met het schoollogo erop.

Het hele terrein is nog niet erg vlak, maar dat zal op korte termijn verbeterd gaan worden. Ook staan er in twee lange rijen van voor tot achter over het schoolterrein moringa en mangobomen geplant, dankzij de millenniumprijs van de gemeente Roosendaal, die onze school voor dit project mocht ontvangen. De bomen zijn ongeveer anderhalve meter hoog en staan er prima bij. De bewaker geeft ze met een tuinslang dagelijks water en diverse bomen staan volop in bloei. Om de bomen is hier en daar maïs geplant, die zodoende ook kunnen profiteren van het dagelijks water. Het merendeel van de bomen is voorzien van bescherming, hoewel dit op het afgesloten schoolterrein, waar eigenlijk geen vee komt, niet echt nodig lijkt. En nu maar hopen voor de huidige leerlingen dat er binnen enkele jaren al heerlijke mango’s aan komen te hangen. Voor de verkoelende schaduw zal men wel iets langer geduld moeten hebben. Van het overige geld zullen onder andere bij de basisschool in Kokossin nog een tiental fruitbomen geplant gaan worden tijdens ons bezoek daar de komende week. Deze bomen staan hier in de hoek al te wachten totdat wij ze mee gaan nemen.

De kamer van de administratie is simpel maar doeltreffend en voorzien van een computer. Op de absentenlijst kunnen we zien dat er van de 36 leerlingen pas zeven maal iemand verzuimd heeft sinds de start van de lessen begin oktober. Een goed begin dus.

Achter de administratie ligt de kamer van de directeur, die alleen maar voorzien is van wat papieren, een tafel, wat stoelen en een opbergkast. Erg eenvoudig dus in vergelijking tot wat wij gewend zijn. Vlak bij de poort bevindt zich een waterkraan en verspreid over het terrein staan bakken opgesteld waar leerlingen desgewenst ook hun handen kunnen wassen. Deze bakken zullen in de toekomst dagelijks gevuld gaan worden en kunnen open en dicht gemaakt worden met behulp van een kraantje. De werkzaamheden aan de school zijn ook wat dit betreft nog niet helemaal klaar en dus ontbreekt het kraantje nog en liggen de bakken op dit moment nog op de grond te wachten op plaatsing op hun sokkels.

We horen dat het systeem op school iets is aangepast ten opzichte van een normale middelbare school. Die kennen over het algemeen twee toetsperiodes per jaar. Hier zijn dubbel zoveel toetsperiodes, omdat het hier over het algemeen minder gemakkelijk lerende kinderen betreft. Hierdoor wordt de stofomvang die per periode getoetst wordt wat beperkter. Met nadruk wordt vermeld, dat leerlingen niet de dupe mogen worden van een vorm van faalangst tijdens een toetsperiode; ook krijgen de leerlingen inspraak bij het bepalen van hun beoordeling. De opleiding duurt net als op een normale CEG vier jaar.

 

Daarna op naar Douré. Een plaatsje ongeveer 60 km ten noorden van Ouagadougou. Daar is in 1991 begonnen met de aanplant van een bos, door sponsoracties van het Norbertuscollege. We rijden langs één van de grote barrages van Ouagadougou. Het is een groot meer geworden, in feite een opvangbekken voor het rioolwater van de stad, dankzij de dam en langs het meer zijn veel plantenkwekerijen, groenten- en fruittelers te vinden. Dankzij de voortdurende beschikbaarheid van water kunnen zij dagelijks hun gewassen begieten en liggen hun veldjes er mooi groen bij. Hiermee is een goed bestaan op te bouwen, want in een grote stad als Ouagadougou is altijd behoefte aan voedsel. Het is een opvallend groen gebied, waar de rest van het land al aardig verdord is, nu er vanaf oktober geen regen meer gevallen is. Dan volgt er een péage, tolheffing. Voor een paar honderd Cfa’s (100 Cfa is ongeveer 15 Eurocent) mogen we onze weg vervolgen over deze tweebaans asfaltweg. In de diverse dorpen die we passeren zien we kant en klare kleding hangen met Afrikaanse print. Waar je enkele jaren geleden alleen maar lappen zag, is nu ook het eindproduct veelvuldig te vinden in de kleine winkeltjes. Keurig verpakt in plastic zodat het niet vuil wordt van het langsrijdende verkeer. In het vliegtuig had ik al gelezen dat de Nederlandse Firma Vlisco uit Helmond zich nu naast het produceren van de lappen ook bezig houdt met de productie en levering van kant en klare kleding. Dit verhaal lijkt bevestigd te worden door wat ik op vele plaatsen zie hangen.

Na flink wat kilometers vraagt onze chauffeur nog maar eens de weg; zijn vertrouwen in de opmerking van Sjef dat we nog een stuk verder moeten, is kennelijk niet zo groot. Ja, we gaan nog steeds goed. Dan in een dorpje worden we opgewacht door twee mannen op een brommer. We zouden ze bijna niet gezien hebben, maar op het laatste moment trekken ze toch onze aandacht. Ze rijden voor ons uit over allerhande brede en later ook smallere zandpaden. Ze werpen een heleboel stof op, maar wat kan ons dat schelen. Echt schoon blijven kun je hier tenslotte niet lang. De weg is redelijk met af en toe wat kuilen en gaten en dus rijden we regelmatig stapvoets over de rode zandpaden. We rijden langs een steengroeve, waar vele stenen liggen te drogen. Ook zien we overal stapels gezeefd zand en kleinere keien liggen.

Wat kilometers verderop staat een hele groep brommers ons op te wachten en zodra we Douré naderen beginnen ze luid te toeteren, om zo onze komst aan te kondigen. We zijn wel wat later dan gepland. Wetende dat ze er waarschijnlijk al ruim voor de aangekondigde aankomsttijd hebben gestaan, voelen we ons toch wel een beetje schuldig. De ontvangst is er niet minder hartelijk om. Muzikanten wachten ons op bij het begin van het dorp en als we uitstappen mogen we achter een groep dansende vrouwen mee naar de ontvangstruimte, in het centrum van het dorp, vlak naast de kerk. Het leuke is dat als je naar de T-shirts kijkt die de vrouwen dragen, dat ze bijna zonder uitzondering met de shirts van de presidentsverkiezingen van oktober 2010 rondlopen. Het maakt blijkbaar niet uit dat ze shirts van verschillende kandidaten dragen, het danst gezusterlijk naast elkaar. Dat Compaoré de verkiezingen toen weer ruimschoots gewonnen heeft, maakt hen niet zoveel uit. Voor hen is het gewoon een kledingstuk.

Hoe langer hoe meer mensen sluiten zich aan bij de stoet en vanaf alle kanten stroomt men toe. We worden meegenomen naar een soort overdekte dorpshal. Daar mogen we plaats nemen op houten stoelen. De ruimte wordt niet alleen voor dorpsbijeenkomsten gebruikt, maar ook voor cursussen voor bijvoorbeeld de vrouwen. Een schoolbord is daartoe op de muur geverfd.

Diverse notabelen zijn al aanwezig, zoals de burgemeester van Toeghin, waaronder Douré valt, de prefect van het gebied, een vrouw, de commissaris van politie, de inspecteur van het primair onderwijs, de Naaba van Douré en diverse andere dorps- en familieoudsten. Wat meteen opvalt is dat ook hier met name bij de ouderen velen rondlopen met de voor de diverse bevolkingsgroepen in het verleden zo kenmerkende gezichtslittekens. Een dertig tal jaren geleden is dat door de regering verboden in het kader van het tegengaan van verminkingen. De jongere generaties zie je er dan ook niet meer mee lopen. Hetzelfde geldt overigens voor de vrouwenbesnijdenis, hoewel dat minder eenvoudig te controleren is, met name in afgelegen dorpen zonder gezondheidszorg. We wachten even op het welkomsdrank. Water met daarin wat suiker en wat gierstmeel. Na zo’n rit in de warme auto is dat erg welkom.

Namens de Naaba, die erg oud lijkt en wel erg dikke brilleglazen in zijn bril heeft zitten, spreekt zijn plaatsvervanger in het Mooré. De inspecteur van onderwijs vertaalt het voor ons in het Frans. Ook de burgemeester van Toeghin spreekt zijn dank uit voor allerhande zaken die Stichting Help Burkina de afgelopen jaren al gerealiseerd heeft en mogelijk op niet al te lange termijn nog zal gaan realiseren. Net als de lokale bevolking is hij er erg dankbaar voor. Aangezien hij zijn toespraak in het Frans doet moet het nu voor de bevolking weer vertaald worden in het Mooré. De prefect vraagt aan de bevolking of zij blij zijn met de diverse projecten. Het lijdt geen twijfel. Op elke vraag over een project klinkt een luid gejuich, een applaus en het bekende Afrikaanse luide gejuich van de vrouwen. Maar bij de laatste vraag: of ze blij zijn als de CEG, de middelbare school er gaat komen, is het wel een erg oorverdovend lawaai. Ze geeft ook aan dat het eigenlijk nooit voorkomt dat een dorp van slechts 9.000 inwoners zowel een eigen CSPS als een CEG krijgt toegewezen. Door hun eigen inzet en coöperatieve instelling hebben ze dit voor elkaar gekregen. Gefeliciteerd.

Tussen de diverse speeches door spelen muzikanten inheemse muziek en zingen en dansen de vrouwen. De vrouwen, zo wordt ons verteld, bedanken ons in hun eerste gezang voor al het goede dat wij het dorp gegeven hebben. In een tweede gezang zingen zij over de gelijkheid van man en vrouw. Ze begeleiden zichzelf daarbij door getrommel op twee grote halve omgekeerde kalebassen die ieder met twee handen of vuisten bespeeld worden. Tot grote hilariteit van een ieder bespeelt een van de dames hem op een bepaald moment ook met de voeten. Hoe krijgt ze het voor elkaar, geweldig.

Met een met twee handen gemaakte T wordt telkens aan de muzikanten en vrouwen aangegeven dat ze mogen stoppen. Hetzelfde teken wordt gebruikt als men vindt dat er teveel kabaal wordt gemaakt vanuit het talrijk aanwezige publiek met name tijdens de speeches. Kinderen die te ver naar voren komen worden met zachte drang weer terug naar de juiste posities gedirigeerd. De sfeer is erg gemoedelijk en de vertaler, de inspecteur van het primair onderwijs, weet bij het vertalen van de speeches regelmatig een vrolijk noot te raken. Hij heeft ook de nodige expressie in zijn gezicht en ook zijn armen bewegen in ruime mate mee terwijl hij het gesprokene vertaald. Er wordt veel gelachen, ook door ons.

Dan krijgt Sjef het woord. Hij begint met het maken van excuses voor onze erg late aankomst, bijna twee uur te laat…… Zijn excuses worden met een knikje en een glimlach aanvaard. Hij vertelt wie wij zijn. Hij vertelt ook dat we eerst plannen hadden om met een groep leerlingen uit Nederland hun dorp te komen bezoeken; dat Kees en ik leraren zijn van de school; dat onze directeur het toch niet helemaal veilig achtte in Burkina en dus de leerlingen geen toestemming meer gaf om mee te gaan. De bevolking lijkt er begrip voor te hebben, hoewel de onlusten in april Douré niet geraakt hebben, maar de berichten uit de grote steden hier wel doorgedrongen zijn. Er wordt begrijpend geknikt.

Hij legt uit dat het realiseren van de CEG dankzij Duitse steun mogelijk is geworden. De mogelijkheden in Nederland zijn niet meer zo ruim als het om subsidies gaat. Ook hij is blij voor Douré dat dit waarschijnlijk al in 2012 gerealiseerd kan gaan worden, zodat het schooljaar 2012-2013 in oktober 2012 met zijn eerste lichting kan gaan beginnen. De bevolking en de notabelen zijn hier zichtbaar blij mee.

Dan volgt het aanbieden van een klein geschenk aan de Naaba van Douré, een oud gebruik als je bij hem op bezoek gaat. Dit keer heeft Sjef gekozen voor oliepersjes. Globaal wordt uitgelegd wat de bedoeling er van is en waarom er twee persjes gegeven worden. Eén is namelijk voor consumptie olie en een voor brandbare, giftige olie zoals die bijvoorbeeld uit de Jatropha kan worden gewonnen.

Dat het ondanks de beschrijving in het Frans erbij niet helemaal duidelijk was bleek de volgende dag wel, toen een aantal mannen kwam vragen hoe het nu precies moest.

De matten die voor de toegang van de ontvangsthal staan worden gesloten en de bevolking verspreidt zich over een groter gebied. De muzikanten spelen verder en er wordt ook nog gedanst in de schaduw van de bomen en de kerk. Ook zie ik mensen dolo drinken, want er bestaat hier geen feest zonder dolo.

Wij krijgen ondertussen een heerlijke maaltijd voorgeschoteld bestaande uit mie, varkensvlees, geitenbotjes en een soort to (meelspijs) met olie en linzen. Daarnaast naar keuze Fanta, Cola of Brakina (bier). Zodra het eten op is excuseren de hoogwaardigheidsbekleders zich. Langzamerhand wordt het rustig en keert iedereen weer huiswaarts.

Het is nog licht en we horen dat het even verderop marktdag is. Elke drie dagen is er een markt. We besluiten er nog even naar toe te lopen. Aan de rand van de markt liggen banco stenen te wachten op een koper. Als ik één er van optil moeten de mannen heel erg lachen. Ze zijn best zwaar en voorzichtig leg ik hem terug wetende dat deze modderstenen ook erg kwetsbaar zijn. Men is bezig oliebolletjes te bakken, visjes worden boven een vuurtje klaar gemaakt. Soms hele visjes en soms ook halve vissen, kop en staartgedeelte gescheiden. Een man is bezig een geit in stukken te hakken. Geen wonder dat we meestal botsplinters tussen het vlees vinden. We zien een broodoven, maar deze op dit moment niet in gebruik. Er worden met een zonnepaneel en een accu telefoontjes opgeladen. Want ook hier zijn mobiele telefoontjes gemeengoed geworden. De meesten lijken er twee te hebben. Eén om mee te bellen, de ander om dingen op te zoeken of op te slaan. Dan zien we een kip liggen boven een houtskoolvuurtje, zij ruikt heerlijk. Een andere nog levende kip lijkt nog niet te weten dat het vuur ook haar lot zal zijn en scharrelt in de buurt nog vrolijk rond. Achter de markt spelen de oudere jongens van het dorp een voetbalwedstrijd op het plaatselijke voetbalveld. Een mooie kale vlakte, waarop twee doeltjes geplaatst zijn. Stenen markeren de zijlijnen en er is een echte scheidsrechter met en krachtig fluitsignaal bij aanwezig. Helaas voor de pubers en jongere kinderen, zij komen er niet aan te pas en moeten net als wij vanaf de zijlijn toekijken. Over enkele jaren dan maar…

Het is al snel overal bekend dat we op de markt zijn en dus worden vele handen geschud. Sommigen zijn hierbij wat terughoudend en giechelig, anderen begroeten ons enthousiast en blij. Een bankje is leeg en dus besluiten wij het gehele gebeuren op de markt eens vanaf het bankje te gaan bekijken. Of wij nu bekijken of meer bekeken worden is de vraag. Na enige tijd krijgen we van enkele dames dolo aangeboden. De liefhebbers onder ons spreken over een heerlijk zoet bier. Later vernemen we dat de zoete smaak ontstaat omdat men er tijdens het proces extra suiker aan toegevoegd heeft of omdat er nog geen gist aan is toegevoegd: dit stadium van de dolo is ook voor Moslims een lekkernij omdat er nog geen alcohol in zit. Dat doet niet iedereen en dus is de dolo op sommige plaatsen wat bitter van smaak. We genieten er van de ondergaande zon. Telkens verrast het ons weer hoe snel het hier donker wordt. Onze begeleider brengt ons via de donkere paden weer terug naar onze verblijfplaats, een aan de ontvangsthal grenzende ruimte.

Eve, een nichtje van Pascaline dat ons als kokkin vergezelt, heeft ondertussen thee en koffie gezet en samen met stokbrood genieten we hier van een rustige avond. De sterrenhemel is prachtig zo boven ons hoofd. Rustig, nou ja, de ezels balken volop, krekels tjirpen en mieren kruipen over de grond en langs mijn benen. We krijgen nog even een rondgang langs de sanitaire voorzieningen die we deze dagen hier kunnen gebruiken bij een naburige bewoner. Hoewel het om de hoek achter de bosjes ook uitstekend gaat en bovendien de planten aldaar verzorgt, aldus een lokale man.

De disco vanaf het marktterrein klinkt nog lang door in ons onderkomen. Terwijl wij ons bed omstreeks half tien opzoeken, na wederom een vermoeiende dag, gaat de muziek daar tot in de late(?) uurtjes door.

 

 

Maandag 19 december.

Het ochtendgloren wordt aangekondigd door de kraaiende hanen. Ze lijken wel tegen elkaar op te bieden voor wat betreft hun volume. Ook de ezels die ’s nachts ook al van zich hadden laten horen doen een duit in het zakje.

Een tweede wekker is Eve, onze kokkin, die omstreeks kwart voor zes begint met de voorbereidingen voor het ontbijt. Het klotsen van het water uit de jerrycan in de pannen; het rammelen met diezelfde pannen en het vuur dat aangestoken wordt om het water te verwarmen, dit alles gevolgd door het afwassen van de vuile borden, bestek, pannen en bekers van gisteravond. Nog voor het ontbijt komt de catechist met zijn vrouw en baby ons begroeten. Hij is gisteren niet in de gelegenheid geweest om aanwezig te zijn bij de algemene ontvangst en dus komt hij nu even langs. Ook Daniel, de chauffeur weet hoe je ‘s morgens mensen wakker kunt krijgen. Om de een of andere reden start hij ’s morgens in alle vroegte de auto en laat deze even flink doorrazen. Als iedereen dan goed wakker is zet hij de motor weer uit.

De nachten zijn toch wel fris te noemen. Eve loopt rond in haar winterjas en haar handen zijn desondanks koud. Een man uit het dorp, die als een soort bewaker de wacht heeft gehouden bij ons, heeft het ook duidelijk niet erg warm en is erg blij als hij een warme kop thee krijgt aangeboden. Wat kippen en parelhoenders scharrelen voor onze verblijfplaats terwijl ik mijn reisverslag bijwerk.

Dan komt Daniel met een kop thee op een plastic bord aangelopen. Heerlijk denk ik nog, maar dan gaat het bijna fout. Het bord is niet tegen het gewicht van de kop thee bestand en Daniel houdt slechts een klein stukje ervan in zijn hand, terwijl de rest net naast me op de grond klettert. Gelukkig net geen hete thee over mijn benen, dit is goed afgelopen. Ook lichtelijk geschrokken haalt hij snel een nieuwe kop thee, maar deze keer zonder bord.

Na het ontbijt is het tijd voor een rondgang langs de projecten in Douré. Te beginnen met de CSPS. Deze is geopend in december 2003. We stoppen eerst bij het bijbehorende huisje van één van de verplegers. Hij vertelt zonder omhalen dat er veel mankeert op dit moment. We besluiten het maar eens met eigen ogen te gaan bekijken. Hij heeft niet echt overdreven. De grote matrassen zijn eigenlijk allemaal versleten. De kunststof buitenlaag is overal zover doorgesleten dat gebruik eigenlijk niet meer verantwoord is. Alleen de babymatrasjes verkeren nog in voldoende staat, maar die worden natuurlijk ook alleen bij bevallingen gebruikt en niet voor algemene zieken. De plafonds vertonen overal tekenen van lekkages. Volgens zeggen zijn die inmiddels verholpen. Aan enkele deuren en kasten is goed te zien, dat de dispensaire (EHBO- post) niet termietbestendig is.

Het zonnepaneel werkt niet meer en bij nadere bestudering verbaast dat ons niet, de draden tussen het zonnepaneel en de accu hangen los. Als we proberen dit te repareren blijkt het vinden van een simpele schroevendraaier al een groot probleem. Tot onze verbijstering blijkt een gereedschapskist met alle noodzakelijke gereedschap nog ongebruikt in de woning van de hoofdverpleger te staan. Sjef heeft deze kist in 2003 bij de opening van de CSPS aan het personeel cadeau gedaan! Op deze kist gewezen herinnert de hoofdverpleger zich haar en gaat haar halen.

Als de draden weer vast zitten lijkt de accu in ieder geval weer op te laden. Of het verder goed werkt kunnen we op dat moment niet controleren. Het gevolg van deze kapotte verbinding was wel dat men al tijden zonder stroom zit en daardoor ook zonder licht. Wanneer men ’s avonds of ’s nachts een bevalling of kleine operatie moet doen klemt men, zo liet hij ons zien een mobiele telefoon onder zijn kin of in zijn mond, die dan tijdelijk licht geeft. Ook haalt men zodra wij zeggen dat dat toch eigenlijk niet kan nog een losse zaklamp die als extra lichtbron dienst kan doen. En passant laat men ons de klemmen zien waarmee bloedvaten kunnen worden dicht geklemd. Ook deze functioneren niet naar behoren, om nog maar te zwijgen van de zeer primitieve manier waarop men de instrumenten moet steriliseren, met een gewone pan op een fornuis. Dan laat hij de voorraad medicijnen en verbandspullen zien. De witte watten komen, hoe is het mogelijk uit Nederland. Hij verklaart het ons. Burkina is één van de grotere katoenproducenten. Zij voeren katoen uit naar onder andere Nederland. Wij maken er watten van en exporteren deze weer naar Burkina. Het zou zo anders moeten en ons inziens ook kunnen. Onbegrijpelijk. De ambulancebrommer staat er ogenschijnlijk goed bij, hoewel …. hij staat wel met een lekke band.

Ook hier ontbreken de goed en duidelijk bijgehouden statistieken niet. Per maand worden zo’n kleine 2000 handelingen verricht. Ongeveer 70 vrouwen bezoeken maandelijks de kraamkliniek voor de voor- en nazorg rondom de bevalling. Verder cijfers over onder andere de vaccinatieprogramma’s, gezinsplanning, e.d. Gele koorts is het afgelopen jaar éénmaal gezien. Er zijn op dit moment twee patiënten in de kliniek opgenomen. Er zitten buiten twee patiënten te wachten. Dat is in principe weinig, hoewel de patiënten als het koud is over het algemeen wat later komen. Buiten staan op enige afstand van de Maternité en de dispensaire de toiletten en heeft men een verbrandingsoven gebouwd om het afval van de kliniek te kunnen verbranden. We zijn een beetje triest gestemd als we de beide gebouwen verlaten.

Op het terrein rondom de kliniek zijn de laatste jaren veel mangobomen geplant en deze doen het goed. Ze worden goed beschermd tegen loslopend vee door middel van metalen hekken en aan de onderzijde met doorntakken van de acacia. Over niet al te lange tijd zullen hieraan ook vruchten hangen waarvan de bevolking naar gelieve kan plukken. In de verte staat ook een tweetal oudere mangobomen die reeds ruimschoots vruchten dragen na de regentijd. Ze zijn uit de verte goed te herkennen aan hun platte onderkant. Het vee houdt namelijk erg van het groene blad van de mangoboom. Zo hoog als zij er bij kunnen eten zij de bomen kaal met als gevolg een mooie kenmerkende platte onderkant.

Bij de forage, de waterpomp van de kliniek, is het vrij druk met mensen die water komen halen en gewoon daar rondhangen voor een praatje. De pomp doet het prima en de overloop ervan, loopt in een bak waaruit de loslopende beesten en rondvliegende insecten kunnen drinken.

Geen enkel druppeltje water gaat zodoende verloren.

We steken schuin het dorp door en lopen zo naar het “Norbertusbos”. Een stukje bos dat in 1991 is aangelegd dankzij een sponsoractie van het Norbertuscollege, onze zusterschool, en dat jaarlijks door Els en Sjef privé met een aantal bomen uit uitgebreid. Het blijken voor het merendeel grote Eucalyptus bomen te zijn. Het zijn zeer snelle groeiers, die jammer genoeg daardoor ook wel veel voedingsstoffen en water aan de bodem onttrekken. Aan de andere kant zijn ze zeer welkom in gebieden, zoals deze, waar veel huishoudens hun dagelijkse maaltijden nog op houtvuurtjes bereiden. Een omgezaagde boom schiet weer uit en na enkele jaren staat er weer een grote boom. Tussen de bomen staan veel lagere struiken en het geheel doet het ogenschijnlijk prima. Alleen het naambord heeft zijn beste tijd wel gehad en met veel moeite kunnen we de tekst lezen. “BOIS NORBERTUSCOLLEGE VILLAGE DE DOURE”. Om het bos heen zijn grote vrij kale vlaktes, zoals het bos voorheen ook was. De hoofdonderwijzer komt nu regelmatig met leerlingen hierheen om hun te wijzen op planten en dieren, die hier vroeger niet voorkwamen. Dat is, naar zijn mening, het resultaat van deze bosaanplant.

Het principe van de diguettes zien we hier ook overal toegepast. Op hellingen wordt om de ongeveer twintig meter een dammetje opgeworpen, om zo tijdens de regentijd het naar beneden stromende water tegen te houden. Daardoor heeft het langer de tijd om ter plaatse in de bodem te trekken in plaats van weg te stromen naar lager gelegen gebieden, waarbij zij veel kostbare en goede grond meesleuren in hun stroom.

Dat sommige diguettes er al langer liggen kun je zien aan het zand dat er inmiddels tegenaan is gespoeld en langzamerhand weer vraagt om een nieuwe verhoging, om zijn werk goed te kunnen blijven doen. Doordat er meer water in de omgeving blijft is de opbrengst in het algemeen veel beter dan vroeger. We lopen langs het Norbertusbos verder over een vrij kale en schuin aflopende vlakte naar een steenmakerij. In de buurt van de steenmakerij weer een slimmigheidje. Men heeft daar op de vlaktes dammen gebouwd, waardoor in de regentijd het water afloopt naar de steenmakerij. Hierdoor heeft men daar langer de beschikking over water en kan men in grote delen van het jaar stenen maken, omdat de plas niet erg snel opdroogt. Als de plas opdroogt is het maken van stenen eigenlijk niet meer mogelijk. Als we bij de plas aankomen zien we honderden zo niet duizenden stenen die liggen te drogen en te wachten om gebruikt te worden bij de bouw of vervanging van huizen, die in deze streek nog met name van banco zijn gemaakt. Hoewel ook de cementsteen aardig zijn entree begint te maken. Maar gezien de prijs die je daarvoor moet betalen is cement nog niet voor iedereen betaalbaar.

 

Hoewel we over de maaltijden helemaal niets te klagen hebben beginnen toch hier en daar wat hongergevoelens boven te komen. We besluiten terug te gaan om te eten en tevens gezien de temperatuur ook een middagrust te gaan houden. Vanmiddag zullen we op het terrein van de toekomstige CEG van Douré de eerste bomen gaan planten. Bijna een traditie hier bij de start van een nieuw project.

Eve heeft het weer prima voor elkaar. Rijst met een overheerlijk vis-tomatensaus gaat er bij iedereen heel erg goed in en dan natuurlijk ook de geroosterde kip. Mensen uit het dorp hebben die deze ochtend gebracht voor ons en het betekende dus weer heerlijk smullen. De kip is weliswaar iets taaier dan die in Nederland, maar de smaak wint het ruimschoots van die van thuis. Die kan hier echt niet aan tippen. Dit is wat je noemt ECHT scharrelvlees.

De laatste happen zijn nog maar net binnen of de dorpsoudsten worden aangekondigd. Met opnieuw de nodige dankbetuigingen krijgt Sjef een heuse ram overhandigd en een witte kip. Witte kippen worden eigenlijk alleen maar gegeven als een zeer bijzonder geschenk, want het heeft een magische betekenis voor veel Burkinezen. Het krijgen van een witte kip betekent dus een hele eer. Daarna krijgt een  ieder van ons een masker aangeboden. Een blank houten masker voor de heren een rood- zwart gekleurd masker voor mij als enige dame in het gezelschap.

 

Tijd voor een rustmomentje en voor mij even tijd om mijn reisverslag weer bij te werken. Er gebeurt zoveel dat het bijna onmogelijk is om alles op te schrijven en te beschrijven. Daarom gebruik ik dit soort momentjes daar dankbaar voor. De zon prikte vanochtend al behoorlijk aan het einde van onze toer door Douré en met het middageten achter de kiezen is het nu heerlijk rustig op het heetste van de dag. De anderen zijn even gaan liggen, dus heb ik het rijk voor mezelf alleen. Ook de lokale bevolking neemt het er even van  en ik zie er een liggen op een bankje in de schaduw van de bomen, die hier in de afgelopen jaren in ruime mate zijn geplant.

De kippen houden ook wel van deze rust en komen hoe langer hoe dichter bij me in de buurt. Ik zit vlak bij de kookspullen en er ligt daar natuurlijk nog wel wat keukenafval op de grond, zoals broodkruimels, rijst die naast de pan gevallen is en zo nog meer. De kippen genieten er van. Als ze zo dicht bij het fornuis rondscharrelt besef ik weer hoe betrekkelijk een kippenleven hier kan zijn. Voor je het weet lig je hier in de pan en genieten wij er heerlijk van, zoals we vanmiddag deden met een familielid van haar. Dus laat ze nu dan ook maar even genieten en gewoon onze restjes opeten. Ook een feestmaal voor haar, want wie weet wanneer het voor haar afgelopen is. Het is wel raar hoe je hier redeneert. Thuis zou ik de kip al lang buitengejaagd hebben, maar hier geniet ik van haar aanwezigheid. Dat ze het ook warm heeft kan ik zien aan haar uitgespreide vleugels die bijna horizontaal gehouden worden om wat warmte kwijt te kunnen raken.


Rond drie uur ‘s middags verzamelt een groep dorpsbewoners zich voor onze verblijfplaats op het plein onder de bomen. We hebben afgesproken de eerste bomen te gaan planten bij de nieuw te bouwen CEG. Het terrein is reeds bouwrijp gemaakt door de bewoners. De vrouwen hebben al gezorgd voor het zeven van het zand. Een flinke berg grof en een flinke berg fijn zand, dat straks nodig is bij de bouw van de school. De mannen van het dorp zijn ook al flink bezig geweest, want zij hebben gezorgd voor een flinke berg stenen, die straks gebruikt zullen gaan worden bij het maken van de fundering. Het dorp is er klaar voor, de bouwers kunnen wat hen betreft snel komen om met de bouw van de CEG te gaan beginnen. Dat de nieuw te bouwen school hier erg leeft daarvan hoeft men ons niet te overtuigen. Het hele dorp draagt er letterlijk zijn steentje aan bij.

De schoolgaande jeugd is nog niet terug in het dorp en dus zijn het met name de volwassen mannen en vrouwen en hun baby’s die aanwezig zijn. Sjef maakt het eerste begin van het plantgat met een tuinklauw. Als het eerste zand en stenen verwijderd worden, neemt een ander het met een pikhouweel over. Het valt niet mee een gat te maken in de droge harde bodem vol met vulkanisch gesteente. De mannen nemen om de beurt de pikhouweel ter hand en graven ook om de beurt het losgemaakte deel er uit. Ondanks de al wat terug lopende temperaturen wordt er heel wat afgezweet. De klonten zand vliegen in het rond en het losgehakte zand stoft ook behoorlijk. Wij worden wat opzij gedirigeerd, want we staan in de richting waarheen het stof waait. Ook de vrouwen helpen met het wegscheppen van het losse materiaal. Het is prachtig om te zien hoe de gehele gemeenschap om de beurt helpt bij het maken van het plantgat. De kleding is in veel gevallen oud en hier en daar versleten, maar ook mensen met goede kleding aan laten zich hierdoor niet weerhouden om ook mee te hakken of te graven. Binnen de kortste keren zit iedereen onder het rode stof. Met een takje wordt gemeten of het al diep genoeg is om de boom te kunnen planten. Men is nog niet geheel tevreden. Er wordt zittend op de grond verder gehakt en gegraven met een pikhouweel met een kleinere steel. Na een klein uurtje aanpoten is men tevreden. De bodem wordt nog verder losgehakt, zo’n 60 centimeter diep. De zijkanten worden met een lange ijzeren staaf van anderhalve meter recht naar beneden afgestoken. Dezelfde techniek wordt ook gebruikt bij het aanleggen van de putten voor nieuwe toiletten, waarbij de diepte van de putten al gauw twee tot drie meter is. Ook de doorsnee van het plantgat is zeker 70 cm. Wij begrijpen dat ons oorspronkelijke plan om zelf de tien bomen te planten gezien de bodemgesteldheid belachelijk was. Dan wordt een grote jerrycan met water gebracht, waarvan een deel in het plantgat wordt gegoten. Het losse zand wordt ermee vermengd tot modder. De mangoboom wordt naar het terrein gehaald. Hij wordt even hoog boven het hoofd getoond aan allen. Het is ook een flinke boom, van ongeveer anderhalve meter. Nog wat water en zand wordt toegevoegd en het teken volgt dat de boom mag komen. Even passen, nee, men is niet geheel tevreden er mag nog wat zand bij, anders komt de boom te diep te staan. Nu is men tevreden en mag Sjef samen met enkele mannen van het dorp de boom definitief in het plantgat laten zakken. De ruimte rond de boom wordt opgevuld tot ongeveer tien centimeter vanaf de bovenkant. Hierop wordt de rest van het water uit de jerrycan gegoten. Doordat de boom wat verdiept geplant is kan men hem nu dagelijks eenvoudig water geven zonder dat het water meteen in de breedte wegstroomt. Sjef vertelt dat het hier de gewoonte is om een boom te planten ten teken van nieuwbouw, maar dat wij in ons land meestal de eerste steen leggen. Oh, dat is ook wel even te regelen. Er wordt voor ieder van ons een grote lavasteen klaar gelegd en we mogen ze symbolisch plaatsen op het terrein, onder luid applaus van de dorpsbewoners. We maken ook nog een groepsfoto’s van alle aanwezigen boven op een grote berg zand met op de voorgrond de vier door ons geplaatste eerste stenen.

Gisteren bij onze ontvangst waren we al veelvuldig bedankt voor de komst van de CEG, en datzelfde tafereel herhaalt zich vandaag. De huidige dichtstbijzijnde CEG ligt op acht kilometer van Douré. Doordat vanaf volgend jaar de school ook in hun dorp aanwezig zal zijn is hij voor de jeugd beter bereikbaar en scheelt het heel veel reistijd.

Natuurlijk is er voor iedereen dolo, om het heugelijke feit, het begin van de nieuwe school te vieren.

Teruggekomen bij het dorpsplein blijken de vrouwen het feestje nog wat voort te zetten. Twee dames zitten op hun knieën voor twee halve omgekeerde kalebassen en trommelen er vrolijk op los. De dames dansen er om heen en zingen liederen. Eerder heb ik in de kerk diverse muziekinstrumenten zien liggen, die gebruikt worden tijdens de mis. Ik weet dat Kees zeer verdienstelijk kan spelen op de djembée en vertel dat aan een van de mannen die naast me staat. Hij komt meteen in actie en haalt de djembée. Kees begint er eerst wat zachtjes op te spelen en even later onder onze aanmoedigingen ook harder. De dames kijken verwonderd op en vallen even stil. Dan wordt er gelachen en gaan ze samen verder. Ook een man heeft de bara, een kalebas bespannen met een geitenvel, gehaald en ook hij speelt enthousiast mee. We hebben weer een gezellig feestje. Ook de omstanders kijken en luisteren met veel plezier naar het getrommel, gedans en gezang.

Een baby is wat geluiden aan het maken en de moeder houdt vervolgens haar omslagdoek tegen de mond van het kindje aan om zo het kind te laten stoppen. Zodra ze merkt dat wij het eigenlijk wel leuk vinden dat beginnend gebrabbel, haalt ze haar hand weg en lachen we samen om de tatata geluiden die het kind maakt.

De duisternis valt in en langzamerhand vertrekken de dorpsbewoners weer naar hun eigen huizen. De rust keert weder. Na het diner, klaargemaakt door Eve en nog wat napraten over de belevenissen van die dag, kruipen weer vrij vroeg onze slaapzakken in.

 

 


 

Dinsdag 20 december.

We nemen ’s morgens afscheid van Douré, waar we afgelopen twee dagen zo gastvrij ontvangen zijn. De burgemeester van Toeghin heeft laten weten dat hij ons graag even ontvangt op het gemeentehuis voor ons vertrek. Dus laden we de twee rammen en wat kippen, die we gekregen hebben en deels besteld zijn door Pascaline voor het openingsfeest op 22 december in Ouaga, boven op de wagen. De tassen vinden een plaatsje in of op de wagen en ook de keukeninventaris wordt ingeladen.

Handen geschud, au revoir en ‘Nindare’, hetgeen tot ziens betekent, en op naar de burgemeester. Vooral het Nindare valt goed in de smaak. Men stelt het overal toch erg op prijs als we wat woordjes Mooré spreken.

Bij het gemeentehuis wordt de burgemeester gebeld. We worden alvast binnengelaten en bekijken diverse platen die er aan de muur hangen. Dan zien we een Mercedes aan komen rijden, waarin de burgemeester zit met zijn chauffeur. Hij belt met de prefect, want ook die wil ons voor ons vertrek nog begroeten, zo vertelt hij. Het blijkt het begin te zijn van een rondleiding langs de werkruimtes van de prefect en de inspecteurs van het basisonderwijs, een middelbare school in Toeghin en het dorpje Gougcée. Ook de commissaris van politie komt nog even afscheid nemen. Een tweede inspecteur voor het basisonderwijs van dit gebied wordt aan ons voorgesteld. Wij stellen onszelf ook nog even voor. We rijden met een aantal auto’s naar het kantoor van de prefect. Wat tafels en stoelen, een bed in de hoek. Het oogt niet erg luxueus. De burgemeester is een gekozen persoon en de prefect regelt allerhande zaken in een gebied namens de overheid en wordt door de regering aangesteld. De één kan echter niet zonder de ander. Ze biedt ons een flesje water aan en we rijden verder. De volgende stopplaats is bij de werkruimtes van de inspecteurs. Hier figureren, net als we ook in de CSPS al hadden gezien, aan de muur de cijfers van het aantal leerlingen, verdeeld over jongens en meisjes dat in de verschillende dorpen de basisschool bezoekt. In het schooljaar 2010-2011 waren dat 3035 leerlingen, waarvan ruim 1700 jongens en 1300 meisjes. In 2011-2012 waren er dat in het gehele district meer, namelijk 3339 kinderen. Wederom beduidend meer jongens dan meisjes namelijk 1800 tegen 1500. De meisjes lijken aan een kleine inhaalslag bezig te zijn. Dat laatste geldt echter niet voor het door ons bezochte dorp Douré, zo lezen we uit de cijfers.  De basisschool van Douré blijkt met zijn 6 klassen volgens deze gegevens en met 328 leerlingen wel een van de grotere scholen in het district te zijn. Ook hier bezoeken meer jongens dan meisjes de school, 195 jongens tegen 161 meisjes in 2010-2011 en dit jaar zelfs een lichte daling van het aantal leerlingen naar 190 jongens tegen 138 meisjes. Hoewel het schoolbezoek in het district als geheel met 10% is toegenomen is het in Douré afgenomen, een daling die met name opvallend lijkt te zijn onder de meisjes. Landelijk gezien is de verhouding van meisjes ten opzichte van het aantal jongens 52: 48%, dus blijkt dat hier zeker niet alle meisjes de school bezoeken. Welke aantallen uiteindelijk niet de school bezoeken, ondanks de geldende leerplichtwet, staat nergens vermeld. Dat de vrouwen gisteren zongen over gelijkheid van man en vrouw is dus op school nog niet altijd het geval.

De inspecteurs hebben de beschikking over een computer, iets wat we bij de prefect niet gezien hebben, want daar stond de typemachine prominent op haar werktafel. Hoewel een betrouwbare typemachine in deze gebieden soms de voorkeur heeft boven de niet altijd even betrouwbare stroomleveranties. Er liggen in de kamertjes van de inspecteurs verder nog wat stapels met lege schriften, schoolbordkrijtjes en dergelijke. Voor de rest is ook hier weinig luxe te ontdekken en het stof dat overal in de omgeving overheerst, heeft ook hier zijn weg ruimschoots naar binnen gevonden. De beide inspecteurs zijn heel nieuwsgierig naar hoe ons onderwijs er uit ziet, hoe groot onze klassen zijn en nog veel meer. Een klas van 30 leerlingen klinkt hier wel als een luxe, zeker als je weet dat klassen van boven de 60, 70 en soms ook 80 leerlingen geen uitzondering zijn. Ze knikken dan ook goedkeurend. We hebben maar niet gesproken over computerlokalen waarover de meeste scholen beschikken. Het zou voor hen iets onvoorstelbaars zijn.

De ongeplande rondreis gaat verder naar de CEG van Toeghin. Omdat we in Douré natuurlijk nog niets daarvan hadden kunnen zien laat de burgemeester ons trots deze CEG zien. Het is voor de meeste klassen net pauze en ons gezelschap trekt ook hier weer alle aandacht. Wanneer zou men hier tegelijkertijd zoveel auto’s het schoolplein op zien rijden? De school heeft een versierde zijgevel en ook het fietsenhok midden op het schoolplein is versierd met een tekening van de wereldbol. Onder en achter de fietsenstalling zoeken de leerlingen de koelte van de schaduw op. Even om het hoekje een klaslokaal binnen gluren, meteen weer een les verstoord. De hele klas veert omhoog en begroet ons. We worden mee genomen naar het computerlokaal. Wel vier computers staan er opgesteld en op het bord staan internetadressen. Men is hier duidelijk erg mee in zijn sas. Ze werken op een zonnepaneel dat op het dak staat. We knikken goedkeurend en zijn blij dat we eerder niets gezegd hebben over de faciliteiten op Nederlandse scholen.

De inspecteur stuurt een leerling weg met een boodschap. We lopen door en komen bij een groot sportveld. Niet zo een als wij denken bij een sportveld maar een zandvlakte ter grote van een voetbalveld, dat omzoomd is door lavastenen. Het oppervlak is redelijk vlak. Hier en daar zwerven keien op het veld. De zijlijn ligt er kronkelig bij, maar is nog wel als zodanig te herkennen. Daarnaast liggen twee aanloopbanen voor de verspringbak. De banen zijn ook gemarkeerd door kleinere stenen. Vele stenen liggen ook op de aanloopbaan zelf. In de verte naast het schoolgebouw staan ook nog twee palen, waaraan men een volleybalnet kan vastmaken. Als we er zo naar staan te kijken komt er een man aangelopen en even later stelt de inspecteur me aan hem voor als de LO docent van de school. Het is een aardige man. Alleen als ik vraag naar wat hij zoal doet met de leerlingen is het antwoord zeer beperkt. Naast de velden heeft hij alleen de beschikking over één voetbal. Dus wat lopen, verspringen en verder lichaamsoefeningen zoals we die uit de naoorlogse periode ook in Nederland kennen. Veel variatie kan hij de leerlingen dus niet bieden. Pratend over de vele keien die op de aanloopbaan liggen en hier en daar ook op het sportveld geeft hij aan dat het een voortdurende zorg is. In de regentijd spoelen ze er vaak op en ook in de droge tijd net als nu, worden ze door rondlopende kinderen er soms opgeschopt of wordt de omlijning verplaatst. Hierdoor ontstaan nogal eens wat ongelukjes, zo geeft hij toe. Gevraagd naar onze situatie leg ik hem uit dat het bij ons heel veel regent, dus dat bij ons de velden allemaal voorzien zijn van gras. Oh, ja net als bij de grote Burkinese voetbalclubs, zegt hij, het lijkt hem geweldig. Verder leg ik hem uit dat het soms ook erg koud is en dat wij dus de beschikking hebben over gymzalen, zodat we ook binnen kunnen sporten. Hij zegt dat goed te vinden, maar ik geloof niet echt dat hij er een beeld bij heeft. We wisselen onze mailadressen uit. Wie weet mocht ik hier nog eens komen dat ik wat materialen voor hem kan mee nemen.

Ook de dorpsoudsten, ouders van leerlingen, alleen mannen en wat leerkrachten, waaronder één vrouw, willen ons nog even begroeten. Het gezelschap wil verder gaan en dus hup de auto’s weer in en voor de zoveelste maal achter de auto van de burgemeester aan naar de volgende stopplaats. Achteraf, denken we, is die wel de reden geweest voor zijn verzoek afscheid van hem te komen nemen. We stoppen vlakbij een grote boom. Onder de boom staan de stoelen en banken al klaar. Wij worden naar de grote stoelen gebracht. De mannen nemen plaats op de banken, de prefect, de burgemeester en de inspecteurs nemen naast ons plaats op de stoelen. Onder een volgende boom nemen vrouwen plaats. Velen hebben hun eigen krukje op hun hoofd mee gebracht. De burgemeester neemt de leiding. In het Mooré spreekt hij de bevolking toe en daarna vertaalt hij het voor ons in het Frans. De dorpsoudste richt daarna het woord tot ons en vraagt om te helpen bij de bouw van een basisschool in het dorp. Sjef geeft aan dat er geprobeerd wordt voor 2013/2014 een schoolgebouw in Gougcé te realiseren, maar dat het initiatief nu ligt bij de Duitse organisatie. Zij zullen als alle plannen door de betrokken partijen in Burkina zijn goedgekeurd, afspraken komen maken over hetgeen van de dorpsbewoners verwacht wordt. Meestal is dat hulp in de vorm van de aanvoer van stenen voor de fundering, metselzand en dergelijke. Natuurlijk moet de grond die voor het gebouw bestemd is bouwrijp gemaakt zijn. Als men deze afspraken niet goed nakomt stopt deze organisatie acuut met hun hulp en gaat het hele plan niet door. Deze organisatie bouwt elke jaar 30 tot 40 scholen verspreid over heel  Burkina Faso. Er kan nu dus niets met 100% zekerheid worden gezegd, ook mede gezien de financiële crisis die nu in Europa heerst. Men zal ook moeten zorgen voor een waterpomp in de nabijheid van de school, want dat is altijd een voorwaarde voor de bouw. Die blijkt er al te zijn op een afstand van 600 tot 1000 meter van de beoogde bouwgrond. De burgemeester wil ons graag laten zien waar de school gebouwd moet gaan worden. Er staat een tijdelijk afdak van palen en rietmatten waar men alvast begonnen is met het geven van onderwijs. Een loffelijk initiatief, maar met een grotendeels vergaan dak en zonder meubilair oogt het toch wel erg armoedig. Voor de zoveelste maal die morgen gaan we de auto’s in en worden we naar de pomp gebracht. Met de auto is het, denk ik, verder dan te voet, maar dat zullen de Duitsers ongetwijfeld wel gaan nameten als ze afspraken komen maken. De pomp werkt prima en ook hier profiteren dieren van het overtollige water uit de pomp dat wordt opgevangen in een losse bak. Ook rondvliegende bijen hebben hier in dit verder erg droge gebied hun waterbron gevonden.

Nu rijden we naar de Jatrophaplantage van de Larlé Naaba. Dat stond eigenlijk op ons programma voor deze ochtend. Het hele gevolg gaat met ons mee. De plantage ligt er nagenoeg verlaten bij. De struiken hebben door de droogte hun blad grotendeels verloren. Hier en daar hangen nog wat noten aan de struiken en aan een enkele struik zien we nog wat bloemknopjes. Er ligt een tuinslag tussen de planten en mogelijk dat een aantal planten toch de laatste tijd wat water heeft gekregen en daardoor nog blad en bloemen heeft. De struiken waren in 2008 maar amper één meter hoog. Nu, drie jaar later, hebben ze een hoogte van ruim anderhalve meter bereikt. Tussen de rijen Jatropha zijn de verdroogde restanten waar te nemen van onder andere maïs. De teelt van Jatropha wordt op deze plantage afgewisseld met voedselgewassen. De bevolking zit in de eerste plaats te springen om voedsel. Pas in de tweede plaats om geld. De Jatropha zaden kunnen worden verkocht om er biobrandstof van te maken. Deze plant is giftig, wordt ook door vee met rust gelaten en kan dus niet als voedsel gebruikt worden. Vorige keer lag de oogst tussen de gebouwtjes te drogen. Nu is alles opgeruimd. Alleen de kippen scharrelen nog wat rond in nieuw gebouwde kippenhokken. Ook een kalkoen en wat eenden worden er gehouden.

Hier nemen we afscheid van de hoogwaardigheidsbekleders van Toeghin. Onze twee gidsen uit Douré wijzen ons verder de weg terug naar Ouagadougou. Weer op de hoofdweg aangekomen lijkt er wel één grote stroom van ezelkarren op gang te zijn gekomen met heel erg hoog opgestapeld brandhout. Sommige karretjes zijn zo zwaar beladen dat de begeleider de ezel maar een handje helpt door de wagen te duwen. Ze rijden massaal naar Ouaga om daar het brandhout te gaan verkopen. Het is nog ongeveer 65 km naar de hoofdstad. Op deze manier die afstand afleggen lijkt me toch wel zowel voor de begeleider als voor de ezel een behoorlijk zware opgave. Richting Mali, dus ons tegemoet komend, zien we grote vrachtwagens rijden gevuld met allerhande goederen en daar boven op zitten grote groepen mensen, voornamelijk mannen. Dit soort vervoer is goedkoper dan busvervoer en dus trotseren de mannen de kou en het gevaar door op deze manier te reizen en op de plaats van bestemming te komen, tegen een relatief gering bedrag.

Dat de oogsttijd voorbij is blijkt in de diverse dorpjes die we passeren wel uit het feit dat er inmiddels nieuwe rieten daken op huizen en voorraadschuurtjes zijn verschenen. De oude zijn door regen en zoninvloeden al donker geworden. De nieuwe zien er licht, bijna geel uit. In de oogsttijd heeft men geen tijd om daken te vernieuwen. Maar als de oogst is binnengehaald kan men zich weer gaan bezighouden met het repareren van de schade uit de regentijd. Veel modderstenen huizen moeten weer opgeknapt worden en ook de daken zijn hier en daar duidelijk toe aan vervanging. Overal zie je onderweg ook dat men bezig is of is geweest met het maken van modderstenen. Deze liggen nu te drogen en te wachten totdat ze verwerkt worden in de huizen.

Het onverwachte programma heeft deze ochtend meer tijd gevergd dan oorspronkelijke gepland was en dus laten met een telefoontje Pascaline weten dat we wat later zijn voor de lunch.

De kok heeft weer goed zijn best gedaan en bij binnenkomst staan er heerlijke pizza’s met tomaat en champignons voor ons klaar. Ook krijgen we frietjes met een tomatensaus. Voor de liefhebbers nog een wijn van maar liefst twintig procent. Goed om daarna een dutje te doen. Juliette schuift ook nog even binnen. Bescheiden zoals we van haar gewend zijn, is ze bij binnenkomst niet eens door ons opgemerkt. Ze vertelt daarna dat het goed gaat met haar drie kinderen en dat het met haarzelf ook wel gaat. Nu is daar niet zo de gelegenheid voor om er nader naar te informeren, want onze chauffeur Daniel staat al te popelen om ons terug te brengen naar TVD om wat te gaan rusten. Om vier uur staat een bezoek gepland aan de Nederlandse ambassade. Dus als we nog willen rusten moeten we niet te lang blijven kletsen.

Als we later op weg zijn naar de ambassade horen we dat de Ambassadeur de heer Ernst Noorman niet in het land is en dat we ontvangen zullen worden door de tweede man van de ambassade de heer Jaap Jan Speelman. Omdat het absoluut windstil is hangt onze driekleur er slap bij, zodat we het gebouw in eerste instantie niet opmerken. We melden ons aan het hek bij de bewakers van het ambassadegebouw. In dit gebouw zitten meer ambassades. We vertellen dat we een afspraak hebben en nadat één van ons zijn paspoort ingeleverd heeft krijgen we alle vier een bezoekerspas omgehangen. Via een deur komen we in een trapportaal en lopen we naar boven. Daar melden we ons bij een balie. De heer Speelman wordt gehaald en laat ons even later via een beveiligde sluis binnen. Hij heeft, zo merken we al gauw, de website van stichting Help Burkina al bestudeerd en weet zodoende al aardig wat van onze achtergronden. We hebben het over de algemene veiligheid in Burkina. Hij verwacht met name in en om Ouaga, het gebied waar onze reisplannen ons heen zullen voeren geen enkel gevaar met betrekking tot al-Qaida gelieerde Toearegs. Er is namelijk een culturele en fysieke barrière tussen de Mossi en de Toearegs. Wij bezoeken eigenlijk alleen het gebied van de Mossi. Een Toeareg zal als hij het Mossi gebied binnen komt meteen opvallen. Problemen met kidnappen van westerlingen doen zich met name voor in de Sahara van Mauritanië en Noord Mali. Daar kunnen de Toearegs zich in dit soort gevallen snel terugtrekken in de woestijn. Het zijn ook gebieden waar veel Toearegs voorkomen. Dat is in de streken rondom Ouaga niet het geval, deze worden overwegend bewoond door Mossi. De Toeregs moeten daarnaast de rivier de Niger oversteken, iets wat zij eigenlijk nooit doen, dus ook wat dat betreft is men eigenlijk hier in Ouaga niet bang voor acties door leden van deze bevolkingsgroep.

Een ander gespreksonderwerp is de aanstaande sluiting van de Nederlandse ambassade in Burkina Faso. De sluitingsdatum is vastgesteld zomer 2013. In een Burkinese krant stond een aantal dagen geleden dat het zou zijn vanwege vermeende corruptie in Burkina. Dit is echter helemaal niet de reden. De Nederlandse ambassadeur zal, zodra hij terug is uit het buitenland, in een interview proberen dat artikel gerectificeerd te krijgen. Nederland gaat zich met name richten op landbouw en waterbeheer. In Burkina is Nederland de laatste jaren vooral bezig geweest op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Vanwege eerdere bezuinigingsrondes moest men in het verleden keuzes maken en heeft men toen gekozen voor onderwijs en gezondheidszorg. In de loop van de jaren heeft Nederland ruim 1000 scholen gebouwd in Burkina. Vanwege de toenmalige keuzes, die buiten de beleidsterreinen van de huidige regering vallen met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking en door de bezuinigingen die worden opgelegd is door de Nederlandse regering besloten onder andere de ambassade in Burkina te sluiten.

De heer Speelman zelf heeft al op diverse ambassades gewerkt in de regio. Oorspronkelijk begon hij in Senegal. Hij heeft daar om zijn proefschrift te kunnen schrijven een jaar bij de plaatselijke bevolking gewoond. Hij is nu als drie-en-een-half jaar belast in Burkina met ontwikkelingssamenwerking. Hij probeert de nu lopende projecten nog zo goed mogelijk af te ronden voor zomer 2013.

In de gangen van de ambassade hangen overal foto’s uit Nederland. Schapen, polderlandschappen enz. Ook hangt vanzelfsprekend een portret van de koningin pontificaal in de hal. In de kamer waar we met Dhr Speelman spreken hangt een prachtige plaat met typisch Burkinese zaken. Hutjes, markt, verkopers, een trein die er midden doorheen rijdt, hoewel Burkina maar één spoorlijn rijk is.

Na een aangenaam gesprek nemen we voorlopig afscheid van elkaar. Hij geeft aan graag in te gaan op de uitnodiging om de opening van de Sainte Elisabeth, die dankzij Stichting Help Burkina en dus door particulier initiatief tot stand is gekomen, bij te wonen.

We rijden door het drukke verkeer, de avondspits is weer begonnen, terug naar Pascaline. Onze chauffeur was op de buitenwegen de rust zelve en leek een eindeloos geduld te hebben. Hij nam ruimschoots de tijd om de ezelkarretjes voorbij te rijden. Hier jakkert en vliegt hij over de straten. Snijdt auto’s af en jaagt brommers en fietsers de stuipen op het lijf. Al met al komen we gelukkig wel veilig aan bij Pascaline. Zij heeft deze dag gewoon moeten werken en dus frist zij zich na thuiskomst even op en komt in haar derde outfit die dag weer tevoorschijn. Geen ongebruikelijk tafereel. Ze schijnt een eindeloos grote garderobe te hebben. Vanavond gaan we uit eten. Pascaline heeft voor ons een visrestaurant aan de rondweg uitgekozen. Ook Juliette gaat mee. De bevroren tilapias liggen te wachten om door ons uitgekozen te worden. Pascaline keurt ze één voor één, waarna de kok ze op een soort barbecue klaar gaat maken. Het is inmiddels donker en zittend op het terras zien we enorme dampen opstijgen vanaf de barbecue. Ondertussen genieten we in een relatieve rust van onze drankjes. Verkopers lopen langs en proberen ons, westerlingen, allerhande zaken te verkopen. Helaas voor enkelen van hen wij vinden het niet koud, dus wollen handschoenen en mutsen zijn niet aan ons besteed. Een T-shirt vinden wij voldoende. Als we zeggen dat we het warm vinden druipen ze al snel af. Onze Burkinese vrienden zitten echter met dikke jas aan en shawl om en vinden het eerder koud dan warm. Veel van de handen die je schudt voelen ook eerder koud dan warm aan.

Ook de verkopers van plastic kerstbomen kunnen niets aan ons kwijt. Wat een afschuwelijke dingen. Al kreeg ik er geld bij toe, dan nog zou ik ze niet willen hebben. Om nog maar te zwijgen van de opblaasbare Kerstmannen.

De ober komt met een keteltje warm water en zeep om de handen te wassen. De tissueverkoper ruikt zijn kans, maar wij besluiten gewoon even onze handen droog te wapperen. Dan komen de borden. Een enorme hoeveelheid bedekt het bord. Op de vis ligt een heerlijke massa met in het donker niet goed te onderscheiden mengsel van groentes in mayonaise. Er wordt ons voorgedaan hoe we de vis het beste kunnen eten. Gewoon een graai door de bovenste laag totdat je vis te pakken krijgt, voorzichtig langs de graat en dan lekker in je mond proppen. Bestek is in veel restaurants nog geen gemeengoed en vis eet je het gemakkelijkste gewoon met je handen. Natuurlijk gebruik je alleen je rechterhand, want ondanks het feit dat de handen gewassen zijn wordt de linkerhand als onrein beschouwd en dien je deze niet te gebruiken. Wat smaakt het heerlijk. Om je vingers bij af te likken. Dankzij de barrages ten noorden van de stad en de viskwekerijen is verse vis tegenwoordig goed te verkrijgen in Ouaga. We rekenen na afloop voor zeven maal vis en veertien drankjes het gigantische bedrag van bijna 7.000 Cfa’s af. Wel ruim 10 Euro.

Terug bij TVD wacht ons een zwembad in de slaapkamer, de badkamer tot zelfs op de overloop aan toe. Zowel de toilet als de wastafel blijken te lekken en een behoorlijke plas water te hebben gecreëerd in onze kamer. We pakken snel een doek en dweilen de boel zo goed als het kan op. Volgende keer toch maar alle kranen dichtdraaien na gebruik en doeken rond de kranen leggen. Klaar om te gaan slapen. Het is weer een indrukwekkende dag geweest en het diner was een geweldig slot van deze prachtige dag. Lekker gaan slapen dan maar. Liggend in bed hoor ik getik. Ik besluit op onderzoek uit te gaan. De boosdoener is snel gevonden. De airco, die we eerder aangezet hadden blijkt te lekken. We vinden nog ergens een emmer en zetten die er dus maar onder. Het tikt nu nog wel, maar aangezien we weten dat het nu  geen kwaad meer kan en de airco uit staat, zal het wel een keer ophouden en slapen we toch rustig in. 

 

 


 

Woensdag 21 december.

Joke is al op tijd aanwezig om voor ons ontbijt te zorgen. We hebben de voordeur al bijtijds open gemaakt en horen, terwijl we boven nog wat aan het rommelen zijn, de geluiden van een ontbijt dat klaargemaakt wordt. Heerlijk stokbrood, wat sneetjes bruin brood, een gekookt eitje, jam en smeerkaas. Het smaakt weer heerlijk, terwijl het zonnetje vrolijk binnenschijnt en de ochtendkou verjaagt.
We bezoeken deze ochtend Het Musée National. De eerste ruimte die we binnen gaan bevat allerhande zaken die te maken hebben met de katoenteelt en verwerking van katoen tot kleding. Van katoenplant en pluis, het kaarden , spinnen met handtollen tot en met het weven zelf is er uitgestald. Het spinnen, zo vertelt een dame ons, is vrouwenwerk, het weven was van ouds mannenwerk. Ze weven vrij smalle stroken al dan niet met een motief er in, die later tot een grotere lap aan elkaar gezet worden. Van die lappen wordt vervolgens de kleding gemaakt. Ruime jacks en zeer brede broeken met laag hangend kruis. Op traditionele kleding worden dan vervolgens allerhande stiksels aangebracht. Bij het weven wordt voornamelijk gebruik gemaakt van de natuurlijke crème-witte kleur al dan niet afgewisseld met indigoblauwe kleuren. Hierdoor ontstaat het motief in de stof. Ik maak wat foto’s, maar dan verzoekt ze me geen foto’s meer te maken. Het is niet toegestaan, zegt ze. Dus berg ik mijn toestel op.

We lopen naar buiten en gaan naar een soort open tentoonstellingsruimte toe. Het zijn alleen hoge schotten, met op de grond een kleine verhoging, maar zonder dak. Hierin blijken allerhande werken van basisschoolleerlingen te zijn tentoongesteld. Een man komt op ons toegelopen en heet ons welkom. Hij zelf komt niet uit Ouaga, maar uit Fada N’Gourma in het oosten. Hij wil ons graag meer over alles vertellen. We zijn erg enthousiast over de tentoongestelde kinderwerken. Vele beelden dagelijkse gebruiksvoorwerpen uit. Het leven van de kinderen is er goed in terug te zien. Ook is er werk te zien waarbij gewezen wordt op het feit dat men het toilet moet gebruiken en niet zo maar ergens zijn behoefte moet doen.

We lopen naar het gebouw waar we de toegangstickets kunnen kopen. Voor 1000 Cfa’s mogen toeristen binnen, voor de helft van de prijs inwoners van Burkina. Geen geld dus, anderhalve Euro de man. Ik wil de 4500 Cfa’s betalen met een briefje van 10.000 Cfa’s (vijftien Euro). Help, dat is moeilijk. Ze kan er moeilijk van teruggeven. Het loopt hier ook niet echt storm met belangstellenden. Dan zoek ik nog eens verder en met wat schraapwerk blijk ik toch gepast te kunnen betalen. Dit tot grote opluchting van de dame. De man loopt als gids verder met ons mee. Op het terrein wordt op diverse plaatsen nog gewerkt aan nieuwe gebouwen. Bij ons vorige bezoek in 2008 stonden er drie gebouwen, waarvan we er twee konden bezoeken. In het eerste stonden toen maskers opgesteld van de diverse bevolkingsgroepen die Burkina telt. De maskers worden bij belangrijke ceremonies in grote delen van het land nog steeds gebruikt. Elke bevolkingsgroep heeft daarbij zijn eigen rituelen en dansvormen. Ook de maskers zijn in de diverse gebieden verschillend van elkaar. Tot mijn spijt ontdek ik dat deze expositie is vervangen. Ik had het graag nog eens gezien, aangezien ik er na die tijd behoorlijk wat over gelezen heb. Ik zou er nu vast met andere ogen naar gekeken hebben. Het andere gebouw was gevuld met allerhande kledingstukken en leek nu te zijn verplaatst naar en uitgebreid met de katoenteelt in het eerste door ons bezochte gebouw.

Onze gids geeft aan geen bezwaar te hebben als we foto’s willen maken, mits de flits maar uitgeschakeld is. We maken hier dan ook dankbaar gebruik van. De drie gebouwen die nu zijn ingericht hebben een gezamenlijke leidraad, namelijk het alfabet. Bij elke letter van het alfabet wordt een onderwerp uitgebeeld. We beginnen met de A van Afrika. De geschiedenis van Burkina is nauw verweven met die van Afrika. Vele volken, talen en culturele tradities houden niet op bij de door de historie en de kolonialisten bepaalde landsgrenzen. Onze gids vertelt trots over de lange geschiedenis die Afrika kent. Over de oudste menselijke resten die in Afrika gevonden zijn. Over de gehele wereld worden 6700 talen gesproken, in Afrika spreekt men er maar liefst 2000 van. Een veelheid aan informatie wordt over ons uitgestort, sommige ons zeer bekend, andere weer nieuw voor ons. De geduldige gids legt alles zeer uitgebreid uit. 

Het museum wordt zeer weinig bezocht door toeristen zo vertelt hij. De belangrijkste bezoekers zijn leerlingen van een aantal basisscholen uit de buurt. Er zit in het alfabet zoals het ons gepresenteerd wordt heel veel van educatieve waarde.

Bij elke letter zien we ook voor de kinderen opdrachten staan.

B: Bronzen figuren, die veel gemaakt worden in het land. Een van de  beelden staat voor een welkom aan een ieder. Elke gast wordt, ongeacht nationaliteit, religie, enz met eerbied ontvangen, een belangrijke waarde in de Burkinese maatschappij. Natuurlijk ontbreekt het nationale symbool, de ‘etalon’ niet en ook de gierststengels, als nationaal voedsel is in brons gegoten aanwezig.

C: Cultuur, Burkina heeft een rijke traditie op dit gebied met zowel dans, kunst als muziek.

E: Educatie, het onderwijs dat hoe langer hoe meer Burkinezen kunnen gaan volgen.

F: Footbal, met het nationale elftal, de Etalons, als nationale trots.

G: Generaties, het belang van de ouderen voor de familieverbanden en de samenleving.

H: Historie, Burkina kent een lange geschiedenis die met name gedomineerd is door de Mossi, die vanuit Ghana het land binnen zijn gekomen op hun paarden.

I: Image, dankzij de kolonisten bezit het land nogal wat foto’s uit eerdere tijden, die een duidelijk beeld geven van de toenmalige verhoudingen tussen blank en bruin. De foto’s vertellen een stukje geschiedenis. De inboorlingen die met hun pikhouweel werken aan de enige spoorlijn die Burkina nu rijk is, met op de achtergrond de blanken met hun stokken om hen in het gareel te houden.

J: Justice. Het rechtspreken op basis van traditie door de Naaba van het dorp en die op basis van de Franse wetgeving.

De bekende Afrikaanse print, gemaakt onder andere door Vlisco in Nederland.

De gebruiksvoorwerpen, die vaak inspiratie zochten bij gevaarlijke dieren. Krukjes die een schorpioen voorstellen. Hiermee kon men iedereen waarschuwen voor het gevaarlijk dier. Of andere stoeltjes die het heilig dier van de  stam aanduiden, ten teken dat je dat niet mocht doden, zoals een pad of duizendpoot.

Migratie van en naar Burkina is er duidelijk weergegeven. Immigratie vooral door oorlog en ander geweld in met name de buurlanden, zoals Niger en Mali. Emigratie met name naar gebieden waar men aan werk  en dus inkomen denkt te kunnen komen. Zoals Ghana en voorheen ook Ivoorkust. Natuurlijk blijven ook Franstalige landen zoals Canada en Frankrijk vele Burkinezen trekken, in de hoop op een beter bestaan.

M: Muziek. Zeer streekgebonden kent Burkina een rijke traditie met vele instrumenten, waarbij de ritme-instrumenten overheersen. Maar ook op gitaar en harp lijkende instrumenten komen voor.

P: Pollution. Onder andere het recyclen van plastic tot tassen en zelfs kledingstukken; de problematiek van het dumpen van Westers (chemisch) afval in Afrika wordt middels een tekening duidelijk gemaakt.

R: Religies. Uitleg over de religies, hoewel over het algemeen de verschillende religies zeer vreedzaam naast en door elkaar bestaan in het land. Een 40-50% is moslim en 10% Christen, maar eigenlijk zo zegt men is 100% animist. Het animisme loopt als een rode draad door alle godsdiensten heen.

S: Sanitatie. Het belang van het gebruik van toiletten, handen wassen na het plassen, van malariaprofylaxe en malarianetten, het vaccineren, het stoppen scarificatie en de genitale (vrouwen)verminking. Er wordt gewezen op de gevaren van al deze zaken en hoe men er wel mee om moet gaan. Ook op de misstanden rond kinderarbeid en uithuwelijken wordt gewezen. Zeker in de meer afgelegen dorpen is dit nog steeds gemeengoed.

Bij het hoofdstuk verkiezingen, in 2010 waren de presidentsverkiezingen, staan de toen gebruikte stembussen.

De X staat voor Xenofobie, ofwel vreemdelingenhaat. Het past niet bij het gastvrijheids principe van Burkina, maar men gaat er niet voor uit de weg dat het ook in Burkina voorkomt.

De tentoonstelling wordt in het derde gebouw afgesloten met het grote voorbeeld voor veel Afrikanen Nelson Mandela.

 

 

We bedanken onze gids voor de wat uitgebreid uitgevallen tour. We zijn weer heel wat wijzer geworden. Vele onderwerpen zijn belicht, ook soms moeilijk liggende onderwerpen zoals vrouwenbesnijdenis, positie en rol van de vrouwen in het gezin en samenleving, HIV/AIDS, huwelijkse trouw, gezinsplanning en geboortebeperking, ongewenste intimiteiten, heksenjacht, en dergelijke. Ik denk persoonlijk dat dit een goede stap voorwaarts kan betekenen, mits veel kinderen hiermee al vroeg in aanraking worden gebracht. Dit in een land waar zeker op het platte land nog veel te verbeteren is aan de positie en rechten van met name vrouwen en kinderen. Hopelijk dringen dit soort zaken op den duur ook daar door. Als we naar de uitgang lopen passeren we nog een openlucht amphitheater, dat er de vorige keer ook nog niet was. Her en der zien we ook studenten van de universiteit zitten, die op het terrein van het museum een rustig plekje vinden om er te studeren.

 

Wat later dan gepland brengen we nog voor onze lunch een bezoek aan Oumar. Hij is op het moment dat we aankomen bij zijn stalletje niet aanwezig. Het stalletje is wel open en oogt erg rommelig. Vele dozen op de grond en weinig spullen staan er uitgestald, heel anders dan de vorige keer toen het uitpuilde. Een buurman komt ons vertellen dat Oumar elders een onderkomen heeft gevonden en een mobieltje brengt snel uitkomst. Een paar minuten later komt hij op zijn brommer aangereden. Hij vertelt dat zijn stalletje onlangs voor de tweede maal in korte tijd is leeggeroofd en dat hij nu naar een andere plaats is verhuisd. Hij rijdt voor ons uit en het blijkt niet veel verderop te zijn op een drukkere straat, met aan de overkant vele nette bakstenen winkeltjes. Ze zijn ongeveer drie bij drie meter met aan de straatkant een metalen raam dat ’s nachts gesloten kan worden en waardoor je overdag een beetje zicht hebt op de beelden die er achter tentoongesteld staan. Aan de achterkant zit een deur. Aan de achterkant zitten zijn buren te werken en hebben meteen belangstelling voor ons als wij er langs lopen. We mogen gerust ook bij hen komen kijken. Oumar heeft ook zo’n winkeltje en tevens een wat ouder onderkomen aan de overkant, dat ook als werkplaatsje dienst doet. Enkele jonge mannen zitten er te werken. Zij begroeten ons vriendelijk.

We geven hem eerst het uit Nederland meegebrachte koper. Hij is er erg blij mee, want koper is erg duur. Je betaalt er dezelfde prijs voor als in Nederland. Met dat verschil dat het leven hier veel minder kost en dus ook je inkomen minder hoog is. Drie of vier Euro de kilo is hier gelijk aan 2 of 3 daglonen!

We willen graag aan het einde van onze reis een souvenir meenemen uit zijn zaak en dus wordt er gesproken over wat we willen. Kees wil graag een tullepetaan of een parelhoen laten maken, het Roosendaalse carnavalssymbool. Een grote blijkt toch wel erg prijzig te worden en dus wordt besloten dat Oumar zal proberen een kleiner model te maken. Hij verwacht dat ze het over de prijs wel eens zullen gaan worden. We laten onszelf meevoeren door wat andere verkopers en kijken naar de zaken die zij te koop aanbieden. Enorme ruim een halve meter hoge beelden staan er naast de kleinere zoals ik er thuis ook al een aantal heb staan als kerststal. Het is mooi om te zien. Ook diverse soorten en maten  maskers hangen in de meeste winkeltjes. Ik weet eigenlijk al wat ik wil, maar het staat nergens precies zoals ik het hebben wil. Te klein, geen gedetailleerd gezichtje, andere kleur en ga zo  maar door. Ik wil een vrouw met kind op haar rug, met een groene jurk en die tevens een canari (waterkruik) op haar hoofd draagt, in de maat van de poppetjes van de eerder door Oumar gemaakte Kerststal. Ik bespreek met hem wat ik wil en hij zal later als we zijn werkplaats gaan bezoeken het voor me laten maken. Het is dan op tijd klaar voor ons vertrek terug naar Nederland.

Ik probeer de verkopers wat van me af te houden door te zeggen dat we vrienden zijn van Oumar. Het maakt geen enkele indruk op hen. Het enige dat ik als antwoord terug krijg is dat ze zeggen ook vrienden te zijn van Oumar en dus mij wel een gunstige prijs zullen bieden. Ze leggen geduldig alles uit en elk voorwerp waar even te lang de aandacht van onze ogen op rust wordt meteen opgepakt en ons in de handen gestopt. Bij de maskers weet men me meteen te vertellen van welke bevolkingsgroep ze afkomstig zijn. Ik herken zelf al diverse maskers als van de Dogon, Bwa en Gourounsi. Een trekt er al wel mijn aandacht, maar ik besluit hier nog niet in te gaan op hun verzoek een prijs te noemen. We komen tenslotte hier later die week nog terug. Ik wil er nog even over nadenken, aangezien ik bij Oumar ook een heel leuk masker van de Senufo heb zien staan. Het stond wat verstopt onder een flinke laag stof en werd toen ik het oppakte ook meteen voor me schoongeveegd. Want een klein beetje blazen door mij gaf meteen een grote stofwolk in het winkeltje. Ik heb gevraagd dat even voor me opzij te zetten, want dat ik daar later misschien wel op terug wilde komen.

 

We hebben het weer voor elkaar gekregen om te laat voor het eten te verschijnen. Ook hier brengt het mobieltje uitkomst. De kok wordt ingeseind en vlak voor ons vertrek bij Oumar wordt onze komst aangekondigd. Zodoende kunnen we meteen bij aankomst aan tafel. Biefstukjes in saus met pasta. Het smaakt weer voortreffelijk. De kok lacht weer van oor tot oor na het horen van onze complimenten.

Een flinke groep dames is buiten voor de keuken bij Pascaline bezig met de voorbereidingen voor de opening morgen van Sainte Elisabeth; zij begroeten ons met veel plezier. Bij een feest hoort natuurlijk een maaltijd voor alle gasten en flinke bakken vol met groenten, kip, rode uien, paprika’s en zo meer worden schoongemaakt, fijngesneden of gestampt en bereid.  De knoflook wordt met een flinke stamper in een vijzel geplet. Het belooft morgen een geweldige maaltijd te worden na de opening, als we de hoeveelheden hier zo zien.

Na even te hebben staan kijken naar deze drukte besluiten we niet te gaan rusten maar een klein uurtje de omgeving te gaan verkennen. We hebben al op diverse plaatsen kinderen bezig gezien de afgelopen dagen met het kleien van kerststalletjes tegen de buitenmuren van hun huizen. Sommige maken daarvoor eerste stenen, waarmee ze daarna de stal bouwen, anderen werken met losse klei.

Het is een gewoonte dat katholieke kinderen tegen Kerstmis deze stalletjes maken. Je ziet ze dan ook op veel plaatsen in alle soorten en maten. We willen er ook graag foto’s van maken. Vooral eentje iets verder op in de straat trekt regelmatig onze aandacht vanwege de aparte vormen. ’Nassara’ klinkt het als we onze neus buiten de poort durven te steken. De overbuurkinderen zijn al aan onze aanwezigheid gewend geraakt en komen enthousiast een hand geven. En zo klein als ze zijn spreken ze ook al een woordje Frans ‘ça va?’ Ook hebben ze al kennis gemaakt met onze fototoestellen en dus laten ze zich gewillig fotograferen met het zien van hun eigen foto als beloning. Ze blijven er vreselijk hard om lachen als ze het resultaat te zien krijgen.

We lopen verder en regelmatig klinkt ergens uit een poort ‘Nassara’.

Bij het volkstuincomplex aangekomen kijken we nieuwsgierig over de heg naar wat er zoal groeit. Vele netjes aangelegde velden, die dagelijks diverse malen van water worden voorzien, zo ook nu op het heetste van de dag. Er klinkt een gelach van achter de heg. Enkele dames zitten er met wat kinderen uit te rusten in de schaduw van een boom. Daarna wordt er naar ons geroepen ‘Photo’. Ik besluit wat dichterbij te gaan en na wat handen geschud te hebben en veel gegiechel aan hun kant vragen ze opnieuw om een foto te maken. Altijd fijn natuurlijk als je zo’n kans krijgt om leuke foto’s te maken van gewillige mensen. Ik schiet wat foto’s en laat ze zien. Ze hebben er veel lol om en wij hebben weer lol om hun reacties. Daarna wordt gevraagd of we sla willen, want dat is wat er in overgrote meerderheid van de velden verbouwd wordt. We geven aan dat we geen geld bij ons hebben en dat we ook niet zelf voor ons eten hoeven te zorgen. Na de sla zien we ook nog een anderhalf meter hoge papayaboom staan, waaraan een tiental vruchten hangt. Ook kool blijkt het hier goed te doen. De vrouwen, zo vertellen ze ons, komen dagelijks vele uren naar deze volkstuinen. Zodra de sla oogstklaar is wordt ze gesneden en naar de markt gebracht voor de verkoop. Daar waar de voorste velden pas zijn ingezaaid, staan achteraan volwassen slakroppen te wachten op de oogst. Eén van de vrouwen die goed Frans spreekt wil me wel meer laten zien van de tuin. Zo laat ze ook aubergines, citroengras en een grenadineboom zien waaraan de bloemen zitten. Ze legt uit dat hier een waterbak is die gevuld wordt door een waterpomp die verderop staat en die een hoger gelegen vat vult. Met een buizenstelsel wordt dat water naar de lager gelegen waterbak geleid en zo kan men relatief dichtbij water halen met gieters, die in ruime mate bij de bak aanwezig zijn. Eerder vroeg ze ons al water te gaan halen voor haar tuin en daarna vraagt ze om telefoonkaarten zodat ze ons kan bellen. Dat ik geen mobiele telefoon heb kan ze eigenlijk niet snappen, maar ze vraagt er verder niet meer naar.

Een schoonzusje van haar ligt voordurend in een slappe lach. Ze verstaat geen Frans en Isabelle, de vrouw met wie ik al die tijd gesproken heb vertaalt wat er gezegd is. Dan vraagt Isabelle of ze mijn vriendin mag worden, een wonderbaarlijk iets in dit land. Ik vind het prima en dus moeten we gegevens uitwisselen. Ik vraag of mijn e-mailadres goed is. Een telefoonnummer geef ik liever niet aangezien ik liever niet thuis door een Franstalig telefoontje wordt overvallen. Ja, dat is goed zegt ze. IK geef mijn e-mailadres. Daarna krijg ik van haar een telefoonnummer. Isabelle Ouedraogo 71.90.88.64 of 74.44.56.32 van haar man. Een postadres heeft ze, net als de meeste inwoners van Ouaga niet, dus zal het in de toekomst lastig communiceren worden. Een brief sturen naar Nederland kost 690 Cfa per brief, en het is de vraag of ze dat met de verkoop van haar sla per dag wel verdient. De sla ziet er overigens wel prima uit. Twee citroenen kosten 25 Cfa’s, zo vertelt ze me tussen neus en lippen door. Isabelle heeft twee kinderen met haar man, een jongetje en een meisje. Ik maak nog wat foto’s van haar en haar schoonzus en beloof deze op te zullen sturen. Mogelijk kan ik dat via Pascaline regelen. Zij woont niet zo erg ver van dit volkstuincomplex af en ook Isabelle woont in de buurt, zo vertelt ze me. Mogelijk dat dan het telefoonnummer uitkomst kan bieden om de foto’s bij haar te krijgen. De schoonzus van Isabelle weet wel wie we bedoelen als we het over Pascaline hebben. Het komt vast en zeker goed. Het doet me denken aan de Peuhl van wie ik in 2006 ook foto’s moest maken. Ook hij wilde ze graag hebben. Via een thuis uit mijn geheugen opgestelde routebeschrijving vanuit de school en het postadres van de plaatselijke onderwijzer, zijn ook deze foto’s op de juiste plaats terecht gekomen. Dit moet dan zeker gaan lukken. Het voordeel van foto’s is natuurlijk wel dat je weet wie je moet gaan zoeken. Als we aanstalten maken om verder te gaan stuurt Isabelle het jongste van de drie kinderen van haar schoonzusje weg, naar ik later begrijp om een plastic zak te gaan halen. Ze vraagt of ze me wat sla mee mag geven. Ik ga akkoord. Ze loopt naar een verder gelegen veld en komt even later teug met een flinke zak vol met sla. We nemen afscheid. Een ander roept of we nog tomaten willen, maar dat slaan we af. Zonder geld op zak is dit anders toch lastig en loopt het mogelijk weer uit op krijgen van zaken waarvoor deze dames vele uren onder de hete zon moeten werken om wat geld bij te verdienen. Vrolijk nemen we afscheid.

We lopen verder en zien weer een kerststal en met wat oog voor detail valt het op dat bij deze kerststal echte schapen lopen. We moeten snel zijn om het tafereeltje op de foto te krijgen, want veel is er voor de beesten niet te halen en ze lopen dan ook vrolijk verder.  De eerste kerststal met beelden, al zijn ze er dan maar kort.

 

Tijd om terug naar huis te keren voor een afspraak bij TVD. Er staat een rondleiding gepland door het bedrijf door Joke zelf. Maar voordat we kunnen instappen komt Pascaline met onze feestkleding die we morgen bij de opening moeten dragen. Voor mij een lange witte katoenen jurk met zwarte randen en geruite zwarte lapjes ter versiering er opgestikt. Voor de heren een witkatoenen blouse met een in motief geweven stuk aan de voorkant. Het leven hier zit zo voortdurend vol verrassingen.

Joke vertelt ons enthousiast over hun bedrijf. Zij maken en produceren films met een educatief karakter voorde Franstalige Afrikaanse markt. De door henzelf gemaakte documentaires en voorlichtingsfilms gaan over allerhande maatschappelijke thema’s zoals HIV/Aids, vrouwenverminking, relatie man/vrouw, gezinsplanning, enz. Deze verkopen ze aan televisiestudio’s in en buiten Burkina. Ook geven ze deze aan lokale instanties die er mee de dorpen in gaan. Na de vertoning van de documentaire volgt dan altijd met de aanwezigen een gesprek/ discussie over het getoonde thema. Ze hebben diverse  programma’s voor de verschillende doelgroepen. Naast de presentator zit ook vaak een ervaringsdeskundige aan tafel en een echte deskundige die vragen kan beantwoorden met betrekking tot het gekozen thema. Joke vertelt enthousiast over hun geesteskind. Ze zijn er nu ruim 10 jaar mee bezig en het loopt prima. Ook het opleiden van nieuwe cameramensen, geluidstechnici zien zij als hun taak. Regelmatig hebben ze studenten van binnen of buiten Burkina die hier het vak leren of komen verfijnen. Daarom is in 2008 ook begonnen met het bouwen van een gastenverblijf om deze mensen te kunnen huisvesten tijdens de cursus. Van dit gebouw kunnen wij nu ook dankbaar gebruik maken om te overnachten.

In het hoofdgebouw bevinden zich naast een opnamestudio ook diverse ruimtes voor de montage. Men bezit tevens een mobiele regiewagen om ook ‘op locatie’ goede opnamen te kunnen gaan maken. Gelukkig hebben ze in de loop der jaren vanuit diverse instanties subsidies gekregen om dit alles te kunnen realiseren. Een prachtig initiatief, in dit land dat op zoveel terreinen nog zo om ontwikkeling staat te springen.

 


 

Donderdag 22 december.

De dag van de opening en de belangrijkste aanleiding voor deze reis. Na het ontbijt worden we omstreeks half negen opgehaald. Na ongeveer vijftien minuten rijden komen we aan bij de school Sainte Elisabeth. De school ligt in wijknummer 27 en ligt iets ten noorden van ons verblijf in wijk 28. De straten zien er hetzelfde uit, breed, stoffig en overal rondslingerend vuil, kuilen en steenhopen. Behendig stuurt Daniel er doorheen. Aangekomen bij de school staat een groep dames in prachtige Afrikaanse kleding en wat heren ons buiten de poort op te wachten. Enkele auto’s staan al tegen de schoolmuur geparkeerd. Net binnen de poort staan aan de ene kant leerlingen met de oranje sportshirts opgesteld in een rij, waarvan de laatste twee leerlingen een Burkinese vlag vasthouden, aan de andere kant staan leerlingen in rood-wit geblokte blouses hetzelfde en de laatste twee daarvan houden de Nederlandse vlag vast. Zodra we het schoolplein opstappen tussen deze twee rijen door worden we massaal begroet met een ‘welkom op het Sainte Elisabeth’. Dit herhaalt zich bij alle volgende gasten die binnen komen.

 

Het handen schudden is buiten het hek al begonnen, maar gaat hier vrolijk door. We worden door meisjes in witte shirts met oranje kragen naar onze plaatsen gebracht. Sjef op de eerste rij en wij er vlak achter op de tweede rij. Kort na ons arriveert de plaatsvervanger van de Nederlandse Ambassadeur in Burkina Faso, de heer Speelman. Hij wordt ook netjes naar zijn plaats begeleid, natuurlijk is hij een van de belangrijkste gasten deze dag en zit hij bijna centraal op de voorste rij. De directeur van de school, zo werd mij later duidelijk, komt naast mij zitten. Daarnaast en achter ons nog enkele andere officiële vertegenwoordigers van allerlei instanties. De commissaris van politie schuift ook aan in de voorste rij en dan is het wachten op de hoogste gasten. De Larl  Naaba heeft die ochtend al diverse malen, zo horen we, laten weten er aan te komen en van de minister die zou komen kwam gisteren het bericht dat hij een vervanger zou sturen. Ook deze is nog niet gearriveerd. Dan kort na tienen arriveert de Larl  Naaba. De aanwezige Naaba’s uit onder ander Pouytenga en Balkiou en een aantal mij onbekende plaatsen staan op en nemen hun zo typerende hoofddeksel af en buigen licht hun hoofden als de Larl  Naaba het middenterrein betreedt. Alle gesprekken vallen ook ineens stil. Een persoonlijkheid gekleed in een prachtig traditioneel breed uitwaaierend kostuum treedt binnen. Er wordt nog even gewacht, om te zien of de vertegenwoordiger van de minister toch nog op tijd komt. In die tijd komen de Naaba’s de Larl  Naaba persoonlijk begroeten. Zij tonen duidelijk hun grote respect voor hem.

Dan besluit de organisatie om toch te gaan beginnen met het programma voor die ochtend. Een drietal mannen met bara’s (kalebastrommels) opent het geheel met getrommel en gezang. Het is een duidelijk eerbetoon aan de Larl  Naaba, zijn naam horen we regelmatig tussen ons onbekende woorden door. Het gezang is in het Moor maar of de overige aanwezigen het verstaan valt te betwijfelen aangezien de microfoon nog als eens hapert. Optredens en speeches wisselen elkaar af. Pluimen voor zowel de ASDP van Pascaline als voor Stichting Help Burkina voor het realiseren van deze school. Men is zeer erkentelijk voor een ieders inspanning, waardoor dit initiatief van Pascaline Sama gerealiseerd kon worden.

Een ‘artiste de Côte d'Ivoire’ wordt aangekondigd. Het blijkt een bekende te zijn, die we eerder deze week al eens bij Pascaline hebben gezien, die met een playback act de handen op elkaar krijgt en mensen uit de voorste rij tot meedansen uitnodigt. Naar Burkinees gebruik wordt artiesten als hun act in de smaak valt geld aangeboden en dat gebeurt dan ook in ruime mate.

Ook de leerlingen van de school, er zitten er inmiddels 36, laten zich een aantal malen in verschillende outfits zien. In zelf ontworpen en gemaakte creaties voeren zij enkele dansen uit. Geweldig dat zij al binnen enkele weken hiertoe in staat zijn.

Ook de Warbadansers uit Pouytenga treden enkele malen op. We hebben deze groep, die bestaat uit een zestal dansers en een groep met diverse ritme-instrumenten, in 2008 ook al eens gezien in Balkiou bij de opening van de CSPS aldaar. Ze treden regelmatig op en proberen op deze manier lokale tradities te behouden. Prachtige kostuums, versierd met kaurischelpen en een hoofdtooi voorzien van spiegeltjes. In de handen aan beide duimen een metalen ring waarmee ze tegen een metalen soort stang tikken en zo hun dans ook zelf ritmische begeleiden. Om hun benen hangen allerhande metalen voorwerpen die ook geluid maken wanneer zij met hun voeten op de grond stampen. Om hun middel zit een soort lange mop, die bij het bewegen van de heupen rondgezwierd wordt. Geweldig zoals zij daarmee dansen. Natuurlijk worden ook door hen hoogwaardigheidsbekleders zoals de Larl  Naaba uitgenodigd om mee te dansen. Zij geven daar gewillig en met veel plezier gehoor aan. Ook het publiek vindt het prachtig en geniet mee. Ook deze dansers krijgen geld aangeboden, wat een danser met zijn mond aanpakt. Het gevolg is wel dat hij de rest van de dans zijn mond goed dicht moet houden om het geld niet te verliezen.

De directeur en een leerlinge van de school, Pascaline, Sjef doen een woordje en ook de Larl  Naaba laat zich nog over halen wat te zeggen. Over een ding is men het allemaal eens. Het is een prachtige kans voor vele jonge meiden om hier een goede beroepsopleiding te gaan volgen, om zo later in hun eigen levensonderhoud te kunnen gaan voorzien.

Ook een groep jongelui treedt op. Het wordt aangekondigd als een toneelspel met een educatief,  maar ook wel een komische element. Het gaat over kinderen die niet naar school mogen. Pa vindt dat niet nodig, moeder vindt het wel belangrijk. Vader komt thuis en drinkt dolo met zijn vrienden. Dit drankgebruik eindigt in een scene waarin vader niet meer vast op zijn benen staat en wat anderen, die al niet veel vaster ter been hem proberen overeind te helpen. Ze vallen levensecht en werken erg op de lachspieren van de aanwezigen. Uiteindelijk mogen de kinderen naar school. Het is nog niet ten einde. Vader blijkt te zijn omgekomen bij een ongeluk, er wordt hartverscheurend gehuild en het publiek lacht er om. De gang naar school lijkt te zijn geblokkeerd. Dus gaan ze zielig lopen bedelen op straat. Gelukkig komt iemand hen vertellen, dat het geen goede manier is om aan geld te komen en dat er een stichting is die in dit soort gevallen kan helpen, zodat de kinderen toch naar school kunnen gaan. Op die school krijgen ze van beter bedeelde klasgenoten brood aangeboden. En zo eindigt dan deze geweldige act met een goed einde.

Tijd voor de twee officiële handelingen, te weten het planten van de laatste bomen op het schoolterrein en het knippen van het lint. Eerder waren er al bomen geplant omdat het toen eigenlijk een betere tijd was om ze te planten. In de regentijd hoef je de bomen niet dagelijks te voorzien van water. Nu het regenseizoen ten einde is gekomen zullen deze planten alleen kunnen overleven als ze dagelijks water krijgen tot de nieuwe regentijd weer begint zo in mei of juni. Gelukkig is er hier iemand die zich uitstekend bezig houdt met deze taak en dus zullen deze bomen het wel gaan overleven. De eerder geplante bomen staan er prima bij. Deze bomen konden er komen dankzij de Millenniumprijs die onze school kreeg van de gemeente Roosendaal in 2011. Sjef, de Larl  Naaba en de plaatsvervanger van de ambassadeur planten de bomen. Daarna wordt door Sjef en de heer Speelman het lint doorgeknipt en is de school officieel geopend.

We betreden het lokaal waarin de naaimachines staan opgesteld. Enkele leerlingen staan achter de machines. Symbolisch nemen de gasten plaats achter de machines en worden er foto’s gemaakt. Ook een aantal Naaba’s neemt plaats. Ik leg hen uit dat ze met hun voeten moeten bewegen op het trapgedeelte onder de tafel en tot hun grote plezier begint de machine te bewegen. Enkele kledingstukken liggen voor in het lokaal tentoon gespreid. Ook de overige lokalen worden bezocht. Het enige wat we niet bezoeken zijn de toiletten achter op het terrein, niet het meest interessante en het daarvoor liggende sportveld en de verspringbak.

Daarna worden we naar een lokaal geleid waar eten en een drankje voor ons klaar staan. We eten er heerlijk van. Heerlijke aardappeltjes, stukjes pizza, satéstokjes, kip en zo meer. Gisteren hebben we de voorbereidingen ervoor gezien en vandaag kunnen we genieten van het resultaat. Natuurlijk wil de kok weer van ons weten of alles naar wens is. Als we hem complimenteren glundert hij als vanouds.

We genieten die middag nog even van de rust in het huis van Pascaline en laten de ochtend aan ons voorbij trekken. Indrukwekkend zoals de school deze vorm gegeven heeft. Rond drie uur worden we op de plantage/ fabriek Belwet van de Larlé Naaba verwacht voor een rondleiding. Het wordt iets later want de Larlé Naaba heeft telefonisch laten weten dat hij het zo vroeg niet zal redden. Hij heeft een erg drukke dag vandaag, zoals we later tijdens het bezoek ook van hemzelf horen. Diverse bezoeken, waaronder de opening vanmorgen, daarna een vergadering van de Assemblé Nationale, besprekingen en audiënties. En ook na de afspraak met ons moet hij zich weer haasten naar de volgende afspraken. Wij zijn hem dan ook zeer erkentelijk dat hij toch wat tijd heeft vrij gemaakt in zijn overvolle agenda om ons ook persoonlijk alles te kunnen laten zien. Het terrein ligt in een industriegebied van Ouaga, vlakbij de grote Brakinafabriek, waar naast Burkinees bier ook frisdranken zoals Fanta en Cola worden geproduceerd. Het industrieterrein is, behalve via een zandpiste ook bereikbaar via een spoorlintje, dat parallel aan de piste loopt. Als je ziet hoeveel, zo op het eerste gezicht grote bedrijven langs deze piste gelegen zijn, dan is het onbegrijpelijk dat de toegangsweg , waarlangs grote tankwagens en vrachtwagens met opleggers die de bedrijven moeten bevoorraden, zó smal is. Onze auto is niet écht breed, maar als we een grote tankwagen tegenkomen moet deze laatste zó ver naar de kant uitwijken, dat hij een ogenblik dreigde om te vallen. Met wat vragen vinden we uiteindelijk het terrein van Belwet. Gelukkig kennen vele van deze fabrieksterreinen bewakers, die ons gewillig uitleggen waarheen we moeten rijden. Aangekomen bij Belwet worden we verwelkomd door een man, die ons alvast de Jatrophaplantage laat zien. Ook hier staan de planten keurig in rijen met onderlinge afstand in de rij van drie meter en zes meter afstand tussen de rijen onderling geplant. In tegenstelling tot de andere plantage staan de planten hier volop in blad. De man legt uit dat het komt omdat zij het gehele jaar door, via een druppelsysteem, water krijgen en dan ook heel het jaar groeien, bloeien en vruchten geven. Dus daardoor zijn ook twee oogsten per jaar mogelijk. Tussen de rijen staan maïsplanten en bonen gezaaid. Achteraan heeft men geëxperimenteerd met de maïs. Een deel heeft geen extra mest gekregen en een deel heeft de restanten uit de Jatrophapersen gekregen. Dit laatste deel doet het beduidend beter dan het eerste deel. Ook delen die kunstmest gekregen hebben kunnen in geen enkel opzicht concurreren met de van Jatropharestanten voorziene planten.

Als de Larlé Naaba arriveert gaan we naar de fabriek. Hierin worden de noten geperst om er de olie uit te halen, die tot brandstof kan worden verwerkt. Ook wordt hier door een mengen van de jatropha-olie met onder andere karitéboter, balanitesolie en groene klei een handzeep van gemaakt. Soms wordt er nog citroengras aan toegevoegd voor de geur. Ook dit citroengras groeit in ruime mate op de plantage. We zien vrouwen op de grond zitten terwijl ze de doosjes waarin de zeep verpakt wordt dichtlijmen. De doosjes worden daarna in een grotere doos gestopt. Het restafval van de fabriek wordt zoals we al eerder zagen nu experimenteel toegepast als meststof op de plantage. Gezien de resultaten mag verwacht worden dat dit in de toekomst zeker op grotere schaal zal worden gedaan.

Ook worden experimenten gedaan met een vrij nieuwe bomensoort in Burkina de Balanites en de Moringa. Ook met het houden van kippen in hokken, in een soort flatgebouwen boven elkaar wordt hier gekeken of met een klein oppervlakte deze dieren goed te kweken zijn. Over het algemeen lopen kippen in Burkina vrij rond en scharrelen zo hun kostje bij elkaar. Dit levert toch wel vaak wat magere beesten op. Door ze nu dagelijks voldoende voedsel te geven hoopt men dat ze het beter zullen doen.

Achter de fabriek zijn buiten vrouwen bezig het vruchtvlees van de balanites te verwijderen van de pitten. Het is een soort pruimpje met zeer weinig vruchtvlees en is enigszins bitter van smaak. De schil is erg hard, dus moet je die er eerst afpeuteren. Na een gistingsproces in grote blubberende en pruttelende potten en bakken worden de losse pitten uit de massa gezeefd. De pitten worden, nadat het vruchtvlees eraf is gehaald, gedroogd en daarna verwerkt in de fabriek tot onder andere olie.  Ook liggen er op een vlak terrein diverse soorten pitten en zaden te drogen in de zon.

Er wordt op dit moment zo’n 1400 liter biodiesel per dag gemaakt als tenminste de machines werken. Dit is nog niet het gehele jaar door het geval. De aanvoer is daarvoor op dit moment te klein. Naast deze fabriek zijn er in Burkina nog enkele andere kleinere, fabrieken die Jatropha verwerken.

Ook wordt gekeken in hoeverre de Moringa kans van slagen heeft in Burkina. Het is een boom die op vele terreinen een nuttige toepassing zou kunnen hebben. Het is een boom die met name in landen met armoede en voedselgebrek wordt gepromoot, vanwege de vele vitamines die ze bevat.

Ook wil men gaan experimenteren met het produceren van biogas.

Bij het afscheid van de Larlé Naaba krijgen we nog een hele doos met zeepjes mee. Het is toch altijd weer bijzonder om te zien hoe belangstellend en hartelijk deze man is.

Terug naar het centrum Ouaga, waar Tina een naaiatelier heeft. Tina is de jongere halfzus van Pascaline. In een kleine ruimte van ongeveer drie bij drie meter staan wat naaimachines opgesteld. Er liggen her en der lappen en kledingstukken. Het is bijna Kerstmis en dus is het erg vrij druk met bestellingen. Veel mensen willen voor Kerst een nieuwe jurk of blouse laten maken en vooral een met een Kerstprint er op. Er blijken voor meer Christelijke feestdagen speciale prints te worden ontworpen. Een oude bekende uit 2008, Arie woont vlak bij en ziet ons toevallig binnen gaan. Hij komt ook even aanwaaien om ons te begroeten. Hij heeft hier projecten opgezet voor straatkinderen. Veel kinderen uit arme gezinnen gaan niet naar school en hangen dan maar de gehele dag op straat rond. Met alle negatieve gevolgen van dien. Hij probeert ze toch een zinvolle dagbesteding te geven. Helaas moet hij hier binnenkort mee gaan stoppen omdat de financiële middelen verder ontbreken. De door hem hiervoor ingehuurde mensen lijken toch niet geheel te doen wat zij beloofd hebben.

 

Weer een dag vol met indrukken. Geweldig zoals de opening van de school is verlopen met belangrijke bijdragen van de meiden van de school zelf en ook van andere kinderen uit de buurt. Ook de rondgang op de Jatrophaplantage en fabriek was zeer interessant. Wat een geweldig iets als je in staat bent zoiets in twee jaar tijd uit de grond te stampen. Velen, met name vrouwen, hebben hierdoor een maandelijks inkomen. Als dit zich zo blijft uitbreiden, zullen vele gezinnen hier op niet al te lange tijd van kunnen gaan profiteren. Daarna kan het als olievlek gaan werken naar andere delen van het land. De Larlé Naaba is duidelijk bezig met het zoeken naar oplossingen voor het voedsel- en armoedeproblemen, door op diverse terreinen te experimenteren. Door het residu van de Jatropha te gebruiken als meststof kan misschien de tegenstanders van de Jatropha plantages de mond gesnoerd worden. Zij menen dat het zetten van Jatropha kostbare landbouwgronden in beslag neemt. Met dit experiment kan men zien dat Jatropha een gunstige invloed kan hebben op de teelt van bijvoorbeeld maïs. De resultaten zijn namelijk met het blote oog zichtbaar veel beter dan zonder de Jatrophamest. Door het verkopen van de Jatrophanoten kan een boer bovendien aan het in de moderne maatschappij broodnodige geld komen. Zonder inkomsten kunnen kinderen van de boer bijvoorbeeld niet naar school.

 

 

 

Vrijdag 23 december.

We gaan vandaag een dagje meelopen met Oumar, de bronsgieter. Bij elk bezoek zijn we al bij hem langs geweest voor souvenirs en dit jaar hebben we gevraagd of het mogelijk is om eens te zien hoe het maken van deze koperen beeldjes in zijn werk gaat. Thuis heb ik ook al een kerstbeeldengroep staan die hij ooit gemaakt heeft. Hij is prachtig van vorm en details en de figuren lijken zo weggeplukt te zijn van de straat. Oumar zelf is moslim, maar het was voor hem geen enkel bezwaar   om enkele jaren geleden, op verzoek van Sjef, een kerstgroep te ontwerpen. Ik ben dan ook zeer benieuwd om te zien hoe hij al die prachtige beeldjes kan maken en wat er allemaal bij komt kijken om dit te realiseren.

We beginnen vandaag in een werkplaats vlakbij zijn voormalig winkelstalletje, maar voor de duidelijkheid van het verhaal begin ik maar bij het begin van het gehele proces. Oumar heeft namelijk verspreid over de stad op diverse plaatsen mensen aan het werk, die één of meerdere fases van de productie voor hun rekening nemen.

Om koperen beeldjes te kunnen maken wordt eerst begonnen met het maken van een wassen beeldje. Net als een boetseerder doet met klei wordt deel voor deel met bijenwas opgebouwd. Als het poppetje in ruwe vorm gemaakt is komt de verfijning. Er worden ogen en wenkbrauwen opgeplakt, een neus wordt gevormd en de mond krijgt vorm. Het hoofddeksel of haar wordt gemaakt en eraan vast gemaakt. Ik wil een vrouw met op haar rug een babytje in een doek gewikkeld en dus wordt ook een babytje los geboetseerd. Dat wordt als het klaar is op de rug geplaatst. Ik wil bovendien een canari (een waterkruik) op het hoofd, dus ook die wordt eerst gemaakt en vervolgens vastgemaakt op het hoofd. Daarvoor houdt men een stukje was vlak bij het houtskoolvuurtje. De was smelt en een druppeltje laat men dan tussen het hoofd en de canari vallen. De ene hand wordt aan de canari bevestigd en in de andere hand komt nadat mij om goedkeuring is gevraagd een halve kalebas, waarmee men water kan scheppen. Dan volgt nog de kleding. Deze wordt wordt niet van was, maar van stukjes zwart plastic om het lichaam gedrapeerd. Het is geweldig te zien hoe in een relatief korte tijd een klomp was verandert in een prachtig figuurtje. Tot slot wordt nog een grondplaat, waarop het beeldje komt te staan, vastgesmolten met druppels was. Op verzoek van Kees maakt men ook een parelhoen, een tullepetaan, het carnavalssymbool van Roosendaal. Als voorbeeld gebruikt de boetseerder  een leeg kartonnen doosje waarop een afbeelding van dit dier staat. Ook hier zie je eerst de romp en kop en later ook de bek en poten ontstaan. De laatste details in de vorm van vleugels en veren worden aangebracht. Dit zijn echte kunstenaars met was. Zoals zij de details vorm kunnen geven met soms maar minuscuul kleine stukjes was, geweldig om te zien. Bij grote stukken wordt het beeld in twee gedeelten gemaakt, die later aan elkaar gelast worden. De grote stukken zijn ook meestal hol.

Als de kunstenaar tevreden is met het resultaat en in dit geval ook wij tevreden zijn, wordt het ingepakt in een kleimengsel. Dit mengsel is gemaakt van een bepaalde kleisoort met gedroogde ezel- of paardenmest. Deze wordt met een flinke ijzeren vijzel goed door elkaar gestampt tot een fijne massa. Deze wordt stukje bij beetje aangebracht op het wassen beeldje. Als het beeld helemaal is ingepakt in deze smurrie volgt nog een laag met alleen klei. Dit pakketje moet dan geruime tijd drogen in de zon. Als je te vroeg verder gaat met de volgende fase loop je kans dat de kleilaag breekt en is al het werk voor niets geweest. In de kleilagen wordt een opening gelaten zodat eerst de was er uit gegoten kan worden als de kleiklomp in vuur gebakken is. Bij grotere beelden zie je ook vaak meerdere openingen, om te voorkomen dat er bij het gieten luchtbellen in blijven hangen. Via de openingen wordt uiteindelijk het gesmolten brons of koper in de kleiklomp gegoten.

In plaats van het poppetje in te pakken in klei wordt soms eerst met gips een afdruk gemaakt. Zodoende kan men later ditzelfde beeldje nogmaals snel maken door de was in de gipsmal te gieten. Men hoeft dan niet opnieuw te gaan boetseren.

Normaal wacht men met het in het vuur leggen van de voorwerpen totdat men er veel bij elkaar heeft. Voor ons wordt een klein vuurtje gemaakt en er worden slechts twee voorwerpen in gelegd. Alleen de bovenkant wordt boven het vuur gelegd. De methode heet de verloren-was-methode, maar veel was gaat er bij Oumar niet verloren. De opening van het voorwerp ligt naar boven en regelmatig wordt de klomp leeggegoten in een oud conservenblik. Zodoende kan hij de opgevangen was later weer hergebruiken. Als de zo ontstane mal vrij is van was wordt deze gebakken in een houtvuur. Rondom de mal wordt hout gelegd en dat wordt opgestookt tot een flinke brand. Ondertussen wordt de smeltoven klaar gemaakt. In een vuurvaste smeltkroes gaan allerhande oude koperen en bronzen voorwerpen en restanten. De oven wordt gevuld met houtskool. De vuurvaste pot wordt er in geplaatst en de oven wordt verder gevuld met houtskool. Een blaasbalg wordt aangezet aan de zijkant van de oven en zorgt voor voldoende zuurstof, de oven wordt aangestoken. Terwijl het koper langzamerhand gaat smelten bij een temperatuur van meer dan 1000 graden, wordt de gebakken mal zo weggezet dat het schenkgat boven zit en hij bij het inschenken van het koper niet om kan vallen. Het niet gesmolten metaal en andere vervuilingen worden uit de smeltkroes geschept en de weg van de oven naar de mal wordt vrijgemaakt van mensen en obstakels. Met een grote tang wordt de vuurvaste bak opgetild en de vloeibare massa in de mal gegoten. Er blijkt toch nog een gat te zitten in de mal, waarschijnlijk ontstaan tijdens het bakken ervan. Deze wordt snel maar wel voorzichtig gedicht met wat natte klei. Het gloeiend hete koper stroomt vlot in de mal.

Daarna moet het geheel een half uur afkoelen. De klei wordt er af getikt met een hamer. Wat daarbij opvalt is dat de buitenste laag zwart en de binnenste laag rood is. Na het verwijderen van de grote stukken klei kan begonnen worden met het fijnere werk. Met veel geduld worden de kleinere restanten verwijderd met vijlen en andere gereedschappen. Daar waar luchtbelletjes hebben gezeten of andere fouten zijn ontstaan tijdens het gieten worden er druppels koper in aangebracht. Deze bewerking gebeurt elders in de stad, buiten in een kraampje. Daarna volgt het vijlen en polijsten van het oppervlak met veel geduld en precisie, een tijdrovend werkje.

Op diverse plaatsen die we deze dag bezoeken zien we jongeren aan het werk. Oumar heeft een stichting opgericht die zich tot doel heeft gesteld jongeren en ook invaliden een opleiding in dit vakgebied te geven, ten einde ze in staat te stellen een eigen inkomen te verwerven. De omstandigheden zijn nog verre van ideaal, werkhoudingen en omstandigheden zijn zeker niet overal volgens onze Arbo-wetten, maar een start heeft hij in ieder geval gemaakt. Ook de omgang met gevaarlijke, bijtende stoffen is iets wat zeker in de toekomst aandacht zal moeten gaan krijgen. Er wordt gewoon met de blote hand in gevaarlijke chemische stoffen gewerkt.

Als het grotere beelden zijn worden in deze fase ook de delen aan elkaar gelast. Hierna komen de vijlers om het beeld zijn mooie en gladde uiterlijk te geven. Tot in de kleinste details wordt er gevijld om alle oneffenheden weg te krijgen. Eerst met grote, grove vijlen en daarna ook met fijne zeer kleine vijltjes. Het is een secuur werkje. Uiteindelijk bepaalt dit werk de kwaliteit van het product.

De grotere beelden zijn eigenlijk ook altijd hol. Ten eerste omdat koper heel duur is en een massief beeld dus prijsopdrijvend zou werken en op de tweede plaats omdat massieve beelden eigenlijk niet meer te tillen zijn als ze wat groter worden.

Als het gehele beeld glad is en ontdaan van alle onzuiverheden kan het desgewenst gekleurd worden. Soms wordt het gehele beeld gekleurd en soms alleen delen, bijvoorbeeld de kleding. Het groen wordt bereikt met accuzuur, bruin met permanganaat, e.d. Voor lichtere kleuren herhaalt men de benadeling drie maal, als men een donkerdere kleur wil dompelt men het vaker in de chemische substantie of verft met de delen vaker met een kwast. Tussentijds houdt men het beeldje dan telkens even in een houtskoolvuurtje, zodat het snel droogt. Soms wordt ook gewoon schoensmeer gebruikt om een beeldje zwart te krijgen.

Zo krijgen we in de loop van de dag een goed beeld van wat er allemaal bij komt kijken voordat wij zo’n beeldje in de winkel van Oumar zien verschijnen. Ons valt op dat eigenlijk in elke fase van het proces er meer werk aan zit dat wij gedacht hadden. In het kort lijkt het misschien ook niet zoveel. Eerst een wassen beeldje maken, twee lagen klei, laten drogen, verwarmen van de klei om de was te laten smelten zodat je die eruit kunt gieten, het bakken van de mal, koper er in gieten, af laten koelen en klei er af slaan, afwerken door te vijlen en eventueel kleuren. Klaar is Kees. Vele uren is men er toch mee bezig. In de diverse fases zijn vaak verschillende mensen er mee aan het werk. Het blijkt toch wel een tijdrovend karwei te zijn, waarvoor goed vakmanschap een eerste vereiste is.

Hoe moeilijk het is om wassenbeeldjes te maken ervaren we zelf. We krijgen wat verwarmde was. Door je vingers in olie te dopen kun je voorkomen dat het aan je vingers vastplakt. Uiteindelijk creëert Kees een in onze ogen fraaie djembé. Met een ‘mes’ dat je verwarmt in een houtskoolvuurtje kun je de was glad strijken. Oumar geeft aan deze wel te willen maken, maar misschien moet hij dan wel een beetje hol zijn, omdat het anders mogelijk toch wel vrij zwaar wordt aan je nek. Opnieuw begonnen en nu blijkt hoe moeilijk het maken van een holfiguurtje is. Een holle vorm heeft de neiging alle vormen aan te nemen. Spontaan ontstaat het idee om er meerdere te laten maken. Hiervoor bestaat vast in Nederland wel belangstelling. Over de prijs worden we het vrij snel eens. Oumar stelt dan wel voor dat hij het wassen djembéetje opnieuw laat maken zodat het ook echt een mooi product wordt. Na ons eigen eindeloos geprul om een djembé voor elkaar te krijgen, zien we een collega van Oumar dat in korte tijd realiseren. Hij zal zorgen dat ze voor ons vertrek naar Nederland klaar zullen zijn.

We worden aan het eind van de dag nog even meegenomen naar hem thuis waar hij trots de zojuist gerealiseerde website toont van zijn stichting. Hij is nog in opbouw, maar de eerste zaken staan er al op. Ook krijgen we thee of koffie aangeboden. Ondertussen laat hij diverse mapjes met foto’s van zijn gezin rouleren. Hij heeft een vrouw en drie kinderen, waarvan alleen de jongste zoon nu thuis is. Zijn oudste twee dochters zijn er nu niet. Al gaande weg horen we dat hij eerst getrouwd is geweest met een andere vrouw en bij haar ook een zoon heeft. De scheiding en dus de scheiding van zijn eerste zoon heeft hem zichtbaar veel pijn gedaan.

Hij wil ons ook nog wat te eten aanbieden, maar dat slaan we vriendelijk af, omdat we weten dat ook bij Pascaline de kok weer op ons rekent. We bedanken hem voor deze interessante dag. We kijken nu heel anders aan tegen deze prachtige beeldjes met veel details, die voor ons erg de sfeer aangeven die we aantreffen in Burkina. Onvoorstelbaar dat die beeldjes zo goedkoop zijn!

 

 

 

 

Zaterdag 24 december.

Vanavond is het Kerstavond en zullen we in de Kathedraal van Ouaga de nachtmis gaan bijwonen.

‘s Morgens zit ik na het ontbijt buiten te wachten op onze chauffeur als ik twee dames met handschoenen aan en schorten voor het terrein van TVD op zie lopen. Ze begroeten de bewaker en halen het deksel van de vuilnisbak. De eerste pakt het karton dat er bovenop ligt af en de andere neemt de gehele container mee naar straat. Daar blijkt een ezel te staan met een kar erachter waarop een raster van gaas staat. Hierin wordt het vuilnis geladen. De vuilnisophaaldienst dus. Later die dag zie ik elders in de wijk op een braakliggend stuk grond een stuk ommuurde gebied waar deze wagentjes hun vuilnis naar toe brengen. Net voordat wij daar aankomen vertrekt er een grote vrachtwagen volgeladen met plastic. Ondanks het feit dat de stad vol lijkt te liggen met plastic, zijn er dus toch mensen die er inmiddels hun inkomsten mee kunnen verwerven. Er ligt nog veel geld op straat, maar een eerste stap lijkt gezet.

Bij TVD staan beneden in de lege kamers allerhande spullen opgeslagen die met een container vanuit Nederland naar Burkina zijn gebracht. Onder andere trap- en elektrische naaimachines, computers, kleding zien we zo gauw staan, maar ook een aantal microscopen die Stichting Help Burkina heeft meegestuurd voor een school hier in Ouaga. De ruimte zal binnenkort nodig zijn voor een Nederlandse familie die hier haar vakantie komt doorbrengen, dus wordt gevraagd de spullen van de Stichting mee te nemen. We laden de microscopen bij Daniel in de wagen als hij ons komt ophalen.
Dan blijkt ook dat we gevraagd zijn om een bezoekje te brengen aan de kleuters van de Sainte Mère Teresa. Het is hun laatste dag voor de Kerstvakantie. Voor de hoogste klassen is de vakantie al een dag eerder begonnen. We parkeren de auto buiten het hek, naast een paar scholieren die ondanks de vrije dag toch bij de school rondhangen. Op het schoolplein zelf is op dit tijdstip van de dag ook nauwelijks schaduw te vinden, dus is naast de buitenmuur een prima parkeerplaats. Bovendien weten we niet of er leerlingen rondlopen op het schoolplein. Er klinkt vrij harde Afrikaanse muziek uit de hoek waar de kleuters gehuisvest zijn. We worden door Pascaline daarheen gedirigeerd. De kinderen en de juffen zijn er heerlijk aan het dansen. De zo bekende Afrikaanse heupswing zit er duidelijk bij de meesten al vroeg in. Het plezier straalt van hun gezichtjes af. Zodra de eerste kleuters ons zien komen enkelen hard op ons afgerend om ons een hand te geven. Enkelen volgen daarna schoorvoetend en weer anderen kijken naar ons op veilige afstand. We worden hartelijk verwelkomd door de leerkrachten en samen met de ongeveer 50 kinderen gaan we naar het lokaal. In 2006 en 2008 was ik ook in dit lokaal, maar toen stonden de stoelen en losse tafeltjes netjes in rijen in het lokaal. Nu staan er grote tafels waarom heen de stoelen staan. Er is duidelijk een andere pedagogische wind komen waaien hier op school. De muziek gaat buiten gewoon door en komt door de ramen hard naar binnen. De kinderen zijn door het dolle heen. Als dan de jaarlijkse Kerstcadeautjes worden uitgedeeld is het kabaal nauwelijks meer te harden. De meisjes krijgen een blanke pop en de jongens een flinke auto. De cadeaus zitten nog in plastic verpakt en het verbaast met wel dat geen enkel kind de verpakking opent. Wat zal het straks moeite kosten om deze klas weer geheel stil te krijgen. Ondanks het kabaal weet een leerkracht toch een liedje in te zetten, waarbij zij een zin voorzingt en de kinderen het nazingen.

Een jongetje komt wat later binnen en ‘moet’ nog even op de foto voor de kerstboom en een nieuwjaarswens op het bord. Ook staat er een voor hier zo typerend kerststalletje zonder beeldjes op het bord getekend. Het jongetje wordt op een enigszins wiebelige stoel gezet naast de met crêpepapier versierde kerstboom. Hij voelt zich duidelijk niet op zijn gemak. Al die aandacht, de aanwezigheid van de Nassara, veel kabaal en last but not least misschien nog wel het feit dat de stoel waarop hij staat wiebelt. Pas als een grotere broer naast hem komt staan en hem vasthoudt kan er een klein lachje af. We gaan allemaal naar buiten voor een groepsfoto. De kinderen hebben hun cadeaus vast en ook de kerstboom moet er op. Helaas, hij blijft met de flinke wind die er waait niet goed staan. Een hand die hem dan maar vasthoudt brengt uitkomst. De fotograaf komt nadat hij zijn eigen foto’s geschoten heeft ook mijn toestel halen, zodat ook wij een fraaie foto mee kunnen nemen. Hij vertelt dat er deze dag een korte Kerstafsluiting is voor de kleuters. Straks krijgt iedereen nog wat bissap te drinken, een zoete drank gemaakt van hibiscusbloemen wat kruiden en suiker, en daarna gaat iedereen weer naar huis voor de Kerstvakantie. Dan vertrekken we en Kees vindt dat het vertrek wel lijkt op het vertrek van Sint en zijn Pieten, tja daar lijkt het inderdaad wel wat op, maar hier zijn de Pieten blank! Dag, dag, handjes geven en zwaaien maar.

Op naar een verzamelplaats in Ouaga 2000, waar de aannemer van de school, Saïdou Barry, ons zal ontmoeten. Hij heeft ons uitgenodigd voor een bezoekje aan zijn melkbedrijf. Als we aankomen zien we nog niemand, maar niet lang daarna komt hij aangereden. Hij heeft bij de opening van de school al verteld dat zijn wagen niet zo best meer is. Tja, dat is wel te zien en te horen. Hij blijkt een aanrijding te hebben gehad, waarbij een jonge vrouw, die door rood licht reed op zijn voorruit terecht is gekomen. Een flinke deuk zit in de ruit. De vrouw is uiteraard, zou ik bijna zeggen, niet verzekerd en dus kan Saïdou Barry naar de vergoeding van zijn schade fluiten. Ook blijkt als we achter hem rijden zijn auto een grote stinkende roetwalm te produceren. We houden dus maar ruime afstand. Hij rijdt voor ons uit via geasfalteerde wegen de stad uit naar zijn woning, die ligt aan de grote weg in zuidelijke richting, in de richting van Po en de Ghanese grens. Het is een prima tweebaans asfaltweg. We rijden door een groot gebied met rijstvelden, die voorzien worden van water vanuit een barrage. Op de weg is het een drukte van belang. Wat opvalt is dat naast het normale verkeer er veel brommertjes rondrijden volgehangen met kippen. Eigenlijk is dat niet zo gek als je bedenkt dat het morgen Kerstmis is. En bij een feest hoort vlees te worden geserveerd. Velen proberen zo nog wat geld te verdienen aan de verkoop van kippen of hebben er juist gekocht om morgen te kunnen opeten. Ook zien we net als op de weg van Douré naar Ouaga enorme veel te zwaar beladen vrachtwagens en hoog met hout beladen fietsen rijden richting Ouaga. Zij voorzien de bewoners van de stad van het hoognodige hout, brandstof voor de vele kacheltjes.

Dan slaan we links af en rijden de brousse in. Wat opvalt is dat het zand hier bijna wit is van kleur in tegenstelling tot de meeste gronden die we tot nu toe gezien hebben die rood van kleur waren. Er is redelijk veel struikgewas, hoewel er ook wel kale vlaktes zijn. Grote kuilen en sleuven zitten in de weg, waarschijnlijk ontstaan door wegstromende water in de regentijd, en dus is het voorzichtig manoeuvreren voor de chauffeur. Dan opeens in de ‘middle of nowhere’  staan grote vrachtwagens en shovels opgesteld tussen hoogoprijzende metalen frames. Deze zijn bedoeld om palen van de maken en er in de toekomst ook een dak boven te gaan bouwen. Het grote terrein is keurig afgezet met gaas. De veelheid van het aantal wagens verbaast ons. Het blijken, zo horen we later van Saïdou, Chinezen te zijn die hier bezig zijn met het bouwen van een soort opslag/ werkplaats. Sinds zij hier zijn onderhouden ze het eerste stuk weg tot aan de grote weg. De kuilen nemen daarna ook toe in aantal en omvang en vlak voor een redelijk nieuw moskeetje stoppen de auto’s. We staan voor een groot woonerf, dat met een lange muur in cementsteen is omgeven, waarin een grote poort de toegang vormt. De poort blijft gesloten. Saïdou heet ons welkom bij zijn woning en nodigt ons uit om plaats te nemen onder een afdak tegen de buitenmuur van zijn woning. De daar aanwezige vrouwen begroeten ons lachend en maken zich dan snel uit de voeten naar de binnenplaats. Saïdou is naast aannemer ook nog Peuhl, die behoorlijke kuddes heeft met geiten en runderen. De beesten zijn nu in de omtrek aan het grazen. Terwijl we daar zitten komen er nog wat mannen om ons te begroeten. Het welkomswater wordt gebracht. Het is toch een goede traditie in dit land om altijd eerst te beginnen met een frisse slok water. Wat jongetjes komen nieuwsgierig naar buiten met een voetbal en gaan er vlak voor ons mee spelen. De bal blijkt behoorlijk lek te zijn, maar dat is voor hen geen bezwaar. Jammer genoeg maken ze erg veel stof, die door de wind in onze richting wordt geblazen. En dus is het spel voor onze neuzen van korte duur en worden ze weggestuurd. Achter het huis staan grote hekken, waarin ‘s avonds het vee wordt opgesloten. Saïdou blijkt 40 runderen te hebben en 60 geiten, wat loslopende kippen en kuikentjes, een haan en natuurlijk de onvermijdelijke hond. In heel Burkina zijn de honden van hetzelfde ras. De hond ligt niet al te ver van ons te slapen. Als een kip en later ook een kuiken iets uit zijn vacht pikt reageert hij niet eens. Wel heel even als de kip op zijn achterpoot stapt, hij trekt dan even met zijn poot, maar laat zich er verder niet door storen. Ook geiten lopen rustig om ons heen en zoeken wat te eten. Een ervan denkt een trapper van de fiets, die voor de deur van het huis staat te kunnen gebruiken als opstapje, maar dan gaat de trapper spontaan omlaag. We moeten er erg om lachen. Even laat Saïdou het beest begaan, maar dan jaagt hij het weg.
De koeien geven gemiddeld zo’n een tot twee liter melk per dag in de goede tijd als ze voldoende voedsel en water kunnen vinden. Nu wordt het al minder aangezien het gras overal verdort. De melkproductie neemt dan af, net zoals het botergehalte ervan. Van de melk wordt ook boter gemaakt, maar geen kaas, zoals wij in Nederland doen. De melk wordt in plastic zakjes verpakt, van naar schatting een halve liter en naar de markt gebracht om verkocht te worden. Saïdou stuurt iemand weg. Even later komt hij terug met een grote afsluitbare plastic emmer en met in de andere hand een emmer met wat bekers. Hij vraagt of we melk willen. Natuurlijk willen we dat wel eens proberen. Zou er verschil zijn met onze Nederlandse melk? De grote mokken schenkt hij vanuit de plastic zakjes behendig vol, waarbij met elk zakje twee mokken goed gevuld kunnen worden. Wij proeven het en het smaakt heerlijk. Het doet ons het meeste denken aan onze eigen halfvolle melk. Als de bekers leeg zijn biedt hij er nog een aan. Wij lusten het wel, want het begint ook in de schaduw al behoorlijk warm te worden, hoewel de Burkinabè het wat dat betreft niet echt met ons eens zijn. De aannemer geeft aan dat hij met 20 graden echt niet naar buiten wil, maar het liefste binnen blijft. Het is hem dan veel te koud. We vertellen hem dat het bij ons op dit moment in Nederland zo’n acht graden is overdag. Hij moet er niet aan denken hoe koud dat wel niet moet zijn. Er waait op dit moment in Burkina wel een redelijk frisse wind, maar bij deze temperatuur vinden wij dat toch wel aangenaam. De mensen hier hebben over het algemeen hun jassen aan. Een wereld van verschil. Er wordt ook tô gebracht, maar die slaan we beleefd af, want Bij Pascaline wordt ook op ons gerekend voor het diner. Daarop besluit Saïdou om ons twee kippen en een haan mee te geven, die hij anders voor ons had laten slachten.

We maken een ommetje met hem door de omgeving. Wat ons bij aankomst al was opgevallen zijn de vele oude baobabbomen en eveneens aanwezige karitébomen. Beide een belangrijke bron van voedingsmiddelen voor de bevolking. In sommige van die baobabbomen wonen ook bijen, die tevens zorgen voor honing voor de bevolking. We herkennen een verdwaalde balanites, een soort pruimenboom, die we ook bij de Larlé Naaba hebben gezien en een struik met grote peulen, die gebruikt worden bij de bereiding van saus voor bij de tô.

Als we wat baobavruchten van de grond rapen worden we eerst gewaarschuwd deze niet tegen de huid de laten komen omdat deze behoorlijke irritaties kunnen veroorzaken. De vruchten die op de grond liggen zijn niet goed. Als we er mee willen nemen naar Nederland moeten we natuurlijk wel goede meenemen en dus worden wat jongens erop uitgestuurd om betere te halen. Zij lopen met een flinke stok naar een boom en gooien net zo lang de stok omhoog totdat er enkele vruchten naar beneden zijn gekomen. Een van de vruchten wordt opengebroken en die mogen we proeven. Het is melig, droog en wat zoet wit vruchtvlees zonder verder al teveel smaak, dat gemakkelijk in kleine stukjes uiteen valt en er zit een pit in.

Achter de moskee staat een drieklassig schoolgebouw. Het is nog niet in gebruik, maar er bestaan plannen om volgend schooljaar te gaan beginnen met één eerste klas, een CE1, vergelijkbaar bij ons met groep drie. De kinderen uit dit dorp moeten nu veel verder gaan om de school te kunnen bezoeken. De andere twee lokalen zullen gebruikt gaan worden om cursussen te gaan geven aan met name de vrouwen. Men spreekt in dit gebied drie talen. Frans, Mooré en ook nog Fulani door de Peuhl. Het onderwijsaanbod zal dus hieraan aangepast moeten worden.

Na de rondwandeling komt als op een teken een eindeloze hoeveelheid vrouwen en kinderen uit de woning te voorschijn. Niet heel gek als je bedenkt dat een moslimman in dit land vier vrouwen mag hebben. Dit hoewel de landelijke overheid eigenlijk maar één vrouw toestaat. Zij gaan net buiten de overkapping zitten met de oudste vrouwen vooraan. Omdat we vlak naast de moskee zitten en sommige vrouwen een zwarte hoofddoek dragen durf ik niet zomaar een foto van hen te maken. De kinderen hadden zich even tevoren wel gewillig laten fotograferen. De aannemer geeft aan dat we ook gerust van de vrouwen een foto mogen maken en groepeert de eerste twee rijen een beetje voor ons. Veel gelach klinkt er achter me op als ik er ook tussen ga staan. De jongere generatie vrouwen staat niet op maar blijft bescheiden met de kinderen op de grond zitten. Als wij het resultaat op de camera laten zien zijn ze er echter wel als de kippen bij om het te bekijken.

Daarna vraagt hij ons mee te gaan naar Bassem Yam. De daar aanwezig pomp werkt niet goed meer en zou vervangen moeten worden. Saïdou kan dat werk wel verrichten, maar dan moeten de benodigde financiën wel ergens beschikbaar zijn. Hij heeft Sjef gevraagd of Help Burkina kan bijspringen, maar Sjef wil dat eerst een financieel geschil tussen Pascaline en Saïdou wordt opgelost. Wel heeft hij contact gezocht met een gemeente in Frankrijk die een jumelage heeft met Bassem Yam, maar er is nog geen reactie op de mail ontvangen om een en ander bevestigd te krijgen. We besluiten in ieder geval om mee te gaan en het te bekijken. We rijden er naar toe en trekken daar zoals overal veel bekijks. Een blanke is tenslotte in veel dorpen geen dagelijks voorkomend verschijnsel. We lopen met Saïdou over de markt en vragen hier en daar naar ons onbekende producten. Een van de begeleiders zorgt dat we er wat van kunnen proeven. Eén van de zaken die we niet herkennen is een soort wilde aubergine, die meer weg heeft van een kleine maar groene turkse muts. We krijgen een stuk om te proeven. Ik vind het een beetje op groene paprika lijken, anderen noemen het een grassmaak. De meningen zijn duidelijk verdeeld. Dit wordt door onze gastheren natuurlijk opgemerkt en er wordt vreselijk om gelachen dat niet iedereen het lekker vindt. Dat het proeven van de aubergine later geen slimme zet blijkt te zijn wisten we toen nog niet. Maar de combinatie van rauwe melk en wilde aubergines schijnt te zorgen voor een gistingsproces waar je niet vrolijk van wordt.

Het is ook niet overdruk met verkopers en kopers, wat waarschijnlijk te verklaren valt door het feit dat het morgen Kerst is en iedereen thuis druk is met de voorbereidingen. Er wordt ook vers vlees verkocht, kip en geit. Met een machete wordt er flink op gehakt om er kleinere stukken van te maken. Het valt ons op dat er weinig vliegen zijn. Waarschijnlijk vinden Burkinese vliegen het nu ook te koud. Een andere verklaring kunnen we er niet voor vinden.

We mogen ook igname, een soort knolletje, proeven. De schil laat zich gemakkelijk verwijderen en de smaak, tja .... een ietwat melige smaak, dat me nog het meeste doet denken aan een gekookte droge aardappel.

‘Oh heerlijk……. Ik ruik de soumbala al….!’ Niet echt dus, want ik vind het vreselijk stinken. Het zijn balletjes met zaden, die in de keuken gebruikt worden om sauzen mee te maken, maar stinken dat het doet……. De saus voor de tô schijnt er heerlijk mee te worden. Gelukkig kent men tegenwoordig een moderne variant in de vorm van maggiblokjes, hoewel de echte Burkinese keuken natuurlijk de soumbala verkiest. Zowel het maggiblokje als de soumbala balletjes tref je hier op alle markten aan. Wat er ook naast ligt zijn de gedroogde bloemetjes van de hibiscus asper. Dit kan mijn goedkeuring wel wegdragen. Hiervan kun je heerlijke bissap maken een traktatie; mits het gekoeld wordt aangeboden kan het concurreren met Fanta en Cola.

Aan het einde van het grote marktterrein staat de bewuste pomp. Een aantal kinderen is druk bezig water te pompen, maar er komt niet echt veel water uit. Sjef zegt toe nogmaals een poging te gaan doen als we thuis zijn, om met de Franse organisatie in contact te komen. 

Bassem Yam ligt tegen de grote weg aan dus rijden we comfortabel weer in de richting van Ouaga. Bij de afslag naar het huis van Saïdou wordt nog even gestopt. Een van de mannen regelt er bij een kraampje langs de weg een brommer en stuift het zandpad in. Na enige tijd komt hij terug met een aantal zakken melk die we voor Pascaline mee krijgen. We nemen afscheid en rijden terug naar Ouaga. We rijden langs het monument voor de martelaren van Burkina, dat zoals ik het me van eerdere bezoeken aan Ouaga herinner op een vrij grote open vlakte staat als een opvallende verschijning. Het heeft iets weg van de Eiffeltoren, maar dan zonder de hoge piek er op. De vlaktes daar weer om heen worden in een hoog tempo volgebouwd met moderne woningen al dan niet in hoogbouw. Ook staat er vlakbij een groot gebouw dat veel weg heeft van het Evoluon in Eindhoven. Deze stadsontwikkeling ligt tegen het gebied aan dat de naam Ouaga 2000 draagt en een poging van de overheid was om Ouaga in 2000 meer aanzien te geven, met grote, soms zelfs protserig aandoende gebouwen, voorzien van groene gazons. Dat vele mensen die hier in banco hutjes woonden hiervoor moesten wijken toen de bulldozers kwamen, daarvan kon men op beleidsniveau niet wakker liggen. Het resultaat is wel dat in dit gedeelte van Ouaga overal geasfalteerde vierbaanswegen liggen. Het is de wijk waar nu de ministeries, de ambassades en het presidentieel paleis te vinden zijn. Er staan verkeersborden en borden die aangeven dat vuil niet mag worden weggegooid. Op de meeste kruisingen staan twee, soms meer agenten om bij drukte het verkeer te regelen. De stoplichten worden dan uitgeschakeld. Ook Ouaga wil graag overkomen als een moderne wereldstad.

 

De middag besluiten we te gebruiken om wat te rusten. Het drukke programma in combinatie met de warmte, althans voor ons, lijkt hier en daar zijn tol te eisen. Wat ‘tourista’, zoals Pascaline het noemt, ofwel maag- en darmprobleempjes en hier en daar wat algehele malaise. Vanavond willen we graag de nachtmis gaan bijwonen in de Kathedraal, dus wordt het zal wel een latertje worden. Afgelopen dagen lagen we vaak ook al vroeg op bed, dus wat rust vooraf nemen lijkt geen kwaad te kunnen. Ook een mooi moment om het reisverslag weer wat bij te werken.

Voor het diner denken we terecht te kunnen bij AMPO. Dit wordt gerund door de Duitse Katrien Rohde. Zij werd vele jaren geleden bij een bezoek aan het land gegrepen door het lot van de straatkinderen. Vaak zijn het wezen die de gehele dag doelloos op straat zwerven en thuis nauwelijks verzorgd worden. Een weeskind ben je in Burkina al als je nog maar één  ouder hebt. Hij of zij staat dan voor de zware taak te zorgen voor inkomsten, maar tevens voor de aanwezige kinderen. Dat dit meestal niet goed samen gaat bewijzen deze straatkinderen, die overdag zonder toezicht op straat rondlopen. Katrien is daarom een soort opvanghuis begonnen voor deze kinderen. De kinderen kunnen zijn van gescheiden of verstoten vrouwen, van jonge ongehuwde moeders of van ouders die gestorven zijn ten gevolge van ziektes. Om deze groep kinderen te helpen is Katrien begonnen met een weeshuis, waar deze kinderen tegelijk ook een schoolopleiding krijgen. Zij wordt daarbij vooral vanuit Denemarken en Duitsland gesteund, maar ze kan ook rekenen op steun van beter gesitueerden in Burkina. Helaas blijkt op deze Kerstavond het restaurant, dat evenals het erbij horende winkeltje door de grotere weeskinderen gedreven wordt, overvol te zijn. Op de grote binnenplaats van AMPO heeft Katrien 500 gasten voor de viering van het Kerstfeest. Begrijpelijk dat er voor ons niets te eten valt! Sjef kent Katrien en hij probeert of we dan misschien op 31 december bij AMPO terecht kunnen, maar ook die avond zal het restaurant gesloten zijn. We besluiten een andere gelegenheid te gaan zoeken. Dat lukt binnen korte tijd en deze blijkt ruimte te over te hebben. Veel trek hebben de meesten niet en dus wordt er beperkt besteld en eigenlijk nog minder gegeten. Wellicht ten overvloede, het lag niet aan de kok. We drinken wel allemaal onze cola, want dat schijnt wel goed te zijn bij maag- en darmproblemen.

 

Pascaline heeft aangegeven dat we ruim een uur voor de aanvang van de kerkdienst bij de Kathedraal moeten zijn om verzekerd te zijn van een goede plaats. En dus stappen we ruim vóór acht uur in de auto, want de nachtmis zal om 9 uur beginnen. Kees is niet lekker en er wordt voor hem een kennis geregeld, die hem achterop de brommer terug naar TVD kan brengen. Wij komen tegen acht uur aan bij de Kathedraal. Een groot, strak en imposant gebouw. Het lijkt er nog niet erg druk en dus moeten we een goede plaats kunnen vinden. Tot onze verbazing heeft Pascaline stoelen meegenomen en die worden buiten voor een podium in een groot vak geplaatst, redelijk dicht bij het podium. De mis vindt klaarblijkelijk niet in maar buiten de Kathedraal plaats. Dan horen we dat de dienst niet om negen, maar om tien uur zal beginnen. Geen wonder dat het nog helemaal niet druk is. Een aantal meisjes speldt ons een Kerstwens op. Nu we toch nog veel tijd hebben en onze stoelen onze plaatsen markeren besluiten we van de nood een deugd te maken en de Kathedraal dan maar eens te gaan bekijken. Hij is in de dertiger jaren van de vorige eeuw door een Nederlandse Witte pater gebouwd en kent een eenvoudige inrichting. Er hangt een handgesneden houten kruisweg, die onze aandacht trekt. Een batik hangt boven de zijingang en voor de rest is de kerk redelijk sober en strak. Voorin de kerk trekt natuurlijk dezer dagen een grote kerststal met beelden onze aandacht.

Tegen negen uur zitten we weer op onze stoelen. Er wordt een groot houten schaap op het podium gezet. Dit blijkt te worden gebruikt in een door enkele mannen en vrouwen opgevoerd Kerstspel, waarin het probleem van St. Jozef, wanneer hij merkt dat Maria zwanger is, nadrukkelijk aan de orde wordt gesteld. Het spel wordt uiteraard in het Mooré opgevoerd, waarbij erg duidelijk wordt dat de Mossi gevoel voor humor hebben, want er wordt veel gelachen. Veel zaken uit het dagelijkse leven zijn goed herkenbaar. Het tot de orde roepen van een kind door een klein tikje op het hoofd. De ontvangst door de dorpsoudste, inclusief het welkomstwater en de nodige begroetingen met laafi beme, laafi, enz. Een beetje Mooré kennen we inmiddels wel. Ook een kreupele komt tot groot vermaak van het publiek het podium op. De wijze waarop hij beweegt werkt op een ieders lachspieren. Dit alles duurt ruim een half uur.

Ondertussen zie je de mensen langs alle kanten toestromen met stoelen en krukjes boven op hun hoofd. Het terrein naast de kathedraal begint langzaam maar zeker vol te stromen, de op de grond aangegeven vakken raken goed gevuld, zowel voor als naast het podium op het parkeerterrein. Het hele terrein rond de Kathedraal is verdeeld in grote vakken. Tussen de vakken zijn flinke lege paden, waarlangs de mensen kunnen komen en gaan. Een soort suisses, mensen die herkenbaar zijn aan gele sjerpen, zorgen er voor dat iedereen binnen de lijnen plaats neemt en tijdens de dienst dat niemand de dienst verstoort door te gaan staan of zonder reden rond te gaan lopen. Aan de rechterkant naast het podium neemt een vrij grote groep in het wit geklede nonnen plaats. In tegenstelling tot bijvoorbeeld West-Europa heeft het klooster hier nog een  grote aantrekkingskracht op jongelui.

Het is tien uur, de dienst gaat beginnen. Een indrukwekkende stoet voornamelijk bestaande uit mannen komt binnen. Een kruis op een lange paal wordt door een man naar het podium gedragen geflankeerd door twee misdienaars met wat lager gehouden kaarsen. Alles is voor iedereen goed te volgen omdat het geheel goed boven de mensenmassa uitkomt. Achter aan loopt de aartsbisschop, die duidelijk al van verre te herkennen is aan zijn mijter. De dienst wordt grotendeels in het Frans en het Mooré gedaan. De lezingen zijn dat ook en het evangelie wordt zelfs in drie talen voorgelezen, te weten Frans, Mooré en Engels. De gezangen zijn ook drietalig, maar hier wordt ook veel gebruik gemaakt van de Latijnse versies, voor ons wel net zo gemakkelijk.

Aan het eind van de dienst beginnen alle aanwezigen te swingen. Waar eerder tijdens de liederen de meeste mensen zich vrij rustig hielden, gaan bij de laatste liederen velen staan en dansen en zingen mee op de maat van de muziek. De liederen worden begeleid door een groep muzikanten op allerhande slag- en snaarinstrumenten, typischvoor Burkina. De twee aanwezige, bijna professionele koren wisselen elkaar af en klinken geweldig, zelfs zo in de open lucht.

 

Na een dienst van ruim twee uur wordt een babytje naar de kerststal onder het podium gebracht en ook twee kinderen, verkleed als Jozef en Maria nemen er plaats. Dan komen de Kerstman en enkele van de toneelspelers die we voor de dienst al hebben gezien als de drie wijzen goud, wierook en mirrhe aanbieden en plaatsen dat in de stal. Iedereen die wil wordt daarna uitgenodigd om ook zijn of haar gave te komen brengen en Jezus eer te bewijzen. Een lange stoet mensen komt naar voren. Zodra de rij ‘opdroogt’ worden de diensten van eerste Kerstdag afgekondigd, ook weer tweetalig. De laatste zegen volgt en de Aartsbisschop en zijn gevolg vertrekken, de dienst is afgelopen.

Tijdens de dienst zijn veel kinderen rond om ons heen in slaap gevallen, en ook veel jonge moeders lijken zichzelf niet wakker te kunnen houden. De kinderen liggen op doeken op de grond of op hun moeders schoot te slapen. Het is fris zo laat op de avond, zelfs voor ons en dus overal warme jassen en doeken die worden omgeslagen, truien, sjaals en mutsen, het leek bijna een Nederlandse Kerstavond.

Als ik terug denk aan de vorige nachtmis die ik in 2008 heb bijgewoond, dan is deze toch wel veel europeescher van toon. In die andere nachtmis in Pouytenga werd veel gelachen tijdens de dienst en leefden de mensen vanaf het begin intens mee. Hier heeft de bisschop het in zijn preek over het eerlijker verdelen van de rijkdom over alle inwoners en dat iedereen daarin een rol te vervullen heeft, maar ook over het kerkelijk voorschrift dat mensen die abortus laten plegen geëxcommuniceerd zullen worden. Toch geen onderwerpen om bij of over te lachen.

We zoeken in de drukte onze auto weer op en kruipen zo rond half twee die nacht in onze heerlijke warme bedden. Straks maar een beetje uitslapen.

 

 

 

 


 

Zondag 25 december.

Er staat leuk in ons programma om zeven uur ontbijten bij Pascaline. Vannacht hebben we al besloten dat we dat niet zullen doen. Een beetje uitslapen mag toch ook wel na de nachtmis, tien uur klonk toen vroeg genoeg. Vanuit ons bed horen we dat er ergens aan de overkant van de grote rondweg een kerkdienst gaande is. Jammer genoeg horen we alleen de gebeden, die worden versterkt met microfoons en niet de gezangen. 

Kees blijkt gelukkig wat opgeknapt en rond half tien wandelen we op ons gemak richting Pascaline. Onderweg is de kerk net uit. Grote rode stofwolken stijgen op in de er zo juist nog rustig bij liggende straat. De meeste stalletjes zijn en blijven de gehele dag gesloten. Het is tenslotte Kerstfeest, Katholiek of niet de meeste mensen vieren dat gewoon mee. Het is ook hier een echt familiefeest, waarbij naast het familiebezoek, het eten en drinken, vooral ook de kinderen centraal staan. Bij de kerk lopen mensen naar hun tot ver in de omtrek geparkeerde auto’s of naar hun naast de muur van de kerk keurig in een viertal rijen geparkeerde brommers. Natuurlijk gaan ook veel mensen te voet of per fiets weer terug naar huis. Bij de ingangspoort van de kerk aangekomen hoor ik ineens mijn naam roepen. Tevoren hoorde ik vooral de kinderen ’nassara’ roepen. Dat ik hier mijn naam hoor verbaast met toch wel, aangezien die hier eigenlijk onbekend is. In de mensenmassa ontdek ik Cynthia, de tweede dochter van Pascaline. Zij vraagt ons even te wachten en even later komt ze terug met een stoel. Ook in deze kerk zijn blijkbaar te weinig zitplaatsen voor alle kerkgangers. We zien ook hier veel mensen met stoelen of krukjes lopen, op het hoofd of achter op de fiets of brommer gebonden. Aangekomen bij Pascaline blijkt ook Sjef niet geheel lekker. We ontbijten, ieder naar gelang de gezondheidstoestand het toelaat. Na het ontbijt besluiten Heico en ik even bij Juliette langs te gaan. Ze fijne Kerstdagen, nee-tabo of  bon fête, of gewoon joyeux Noël te wensen. 

We hebben vanuit Nederland een behoorlijk hoeveelheid knuffels meegebracht en besluiten deze vandaag aan de kinderen in de straat uit te delen. Het is tenslotte een feest waar de kinderen centraal staan. Als we de poort uit gaan zien we echter maar één overbuurjongetje. We lopen op hem af en wensen hem fijne Kerst en ik wil hem daarna een knuffel overhandigen. Hij trekt geschrokken zijn handen in en loopt weg van ons. Dan verschijnt zijn broertje. Het knuffeltje dat ik aan zijn oudere broer wilde geven nog in mijn handen. Ik wens hem ook een fijne dag, maar ben wat voorzichtiger met het aanbieden van de knuffel. Hij wil hem graag hebben, dat is duidelijk. Dan komt ook de oudere broer weer terug en steekt zijn hand uit. Blij vertrekken beiden met hun presentje. Bij een ander huis verschijnen inmiddels ook twee kinderen buiten de poort. Voor hen geen probleem. Met een grote lach rennen ze met hun knuffeltje naar binnen en binnen de kortste keren staat ook hun moeder bij ons en maakt duidelijk dat ook zij er graag een wil. Ik heb er zat, dus geen probleem, als je zo gemakkelijk mensen blij kunt maken. Ook zij is weer erg gelukkig. Dan komt er een ouder meisje op ons af, waarbij ik twijfel of ik haar er ook nog een aan zal bieden. Ik zie haar wel met grote ogen kijken naar de knuffels bij de anderen, dus ik besluit het er maar op te wagen. Ik pak een rood hartje met een gezicht erop. Het blijkt een schot in de roos te zijn. Ze is er heel blij mee, en later op de dag zie ik haar er in de buurt nog steeds mee rondlopen. Bijna aan het einde van de straat zwaait een poort open en twee jongetjes komen wat schoorvoetend op ons afgelopen. Ze geven ons een hand en wensen ons een fijne feestdag. Als ik de eerste, toch niet zo heel erg kleine jongen een knuffel wil geven geeft hij een gil en rent enkele meters van ons weg. De andere jongen pakt hem ondertussen wel graag aan en dan komt ook de eerste jongen er alsnog een halen. Ondertussen komen enkele vrouwen af op de gil om te zien wat er aan de hand is. Wat wij doen is natuurlijk in de straat al lang bekend en als ze ons zien, worden we enthousiast begroet en wordt er voor gezorgd dat ook alle andere kinderen ons netjes een hand geven. Ze nemen allemaal graag het hun aangeboden knuffeltje aan. Ook voor de baby wordt er een gevraagd. Ik weet niet waar ze in dat huis allemaal ineens vandaan komen, maar zo raken we wel snel van onze voorraad knuffeltjes af. We hebben veel kinderen uit de straat er wel heel erg blij mee kunnen maken. Heico gaat terug om ook de tweede zak te gaan halen. Ik word ondertussen wat aan de praat gehouden door de vrouwen. Als Heico dan niet snel terugkeert op straat besluit ik te gaan kijken waar hij blijft. Het blijkt dat de grotere meiden gezien hebben waarmee hij de straat op wilde gaan en vinden dat zonde. Zij willen er ook allemaal wel graag een hebben. Als we de kinderen iets willen geven moeten we ze maar snoepjes geven. Tja, die liggen bij TVD, daar heb ik nu niets aan. Tina brengt de oplossing. Op de hoek van de straat zit een snoepwinkel en ze wil er wel even met me naar toe lopen. Terwijl we er naartoe lopen zien we ergens in een tuin Père Noël zitten. Tina loopt het erf op en duidt me haar te volgen. We worden meteen opgemerkt en Père Noël zit duidelijk in zijn rol. Hij wil graag met ons op de foto. Prachtig zo’n bruin gezicht en witte watten als baard, snor en wenkbrauwen erop geplakt. Dan vraagt hij me om snoepjes. Ik kijk verbaasd en zeg hem dat dat wel de omgekeerde wereld is, want dat volgens mij hij degene is die snoepjes moet uitdelen. Hij vertelt me wat verdrietig dat hij er geen meer heeft en laat me zijn lege zak zien. Dan vertel ik hem  dat hij geluk heeft omdat ik toch op weg ben naar de snoepwinkel en hem daar wel aan wat snoepgoed wil helpen. De snoepjes blijken per stuk te gaan 15 Cfa voor gewone snoepjes in een papiertje gewikkeld en 25 Cfa voor lollies. Ik laat een zakje vullen en geef hem daar een flinke hand vol uit. Hij is zichtbaar content, bedankt me uitvoerig met een ferme handdruk  en vervolgt zijn weg. Hoe je hier met heel kleine dingen mensen toch intens gelukkig kunt maken.

Met de wetenschap hoe snel ik van mijn knuffels af kwam besluit ik de snoepjes maar even weg te stoppen totdat we bij Juliette zijn. Ik weet ongeveer hoe ik moet lopen. Eerst naar de basisschool Sainte Mère Teresa en dan achter de poort de hoek om. Niet geheel zeker van mezelf vraag ik het aan een jonge man die onder een afdakje wat zit te prutsen. Ja hoor, we zitten goed. Of het goed is dat hij met ons mee loopt. Ja, prima, en onderweg vertel ik dat we op weg zijn naar een vriendin die achter de school woont, om haar fijne Kerstdagen te wensen. In de juiste straat aangekomen herken ik de poort van Juliette van drie jaar geleden. Het is de laatste van de straat, ook dat kon ik me nog wel herinneren. Ik klop op de poort en roep wat. Geen reactie. Dat is niet echt verwonderlijk want op de binnenplaats schalt de radio. Ik besluit de poort maar te openen en gewoon binnen te gaan. Ik zie eerst een voor mij onbekende jonge vrouw met twee kleine kinderen en dan zie ik Reine, de jongste dochter van Juliette. Zodra ze me ziet herkent ze me meteen en word ik hartelijk begroet. Als ik Heico voorstel als mijn man knikt ze bevestigend en zegt dat ze hem herkent van de foto die ik Juliette bij een eerder bezoek had gegeven. Na ook de vrouw en haar oudste kind te hebben begroet, waarbij Reine uitlegt wie we zijn, nodigt ze ons uit binnen te gaan zitten. Ze gaat haar moeder wel even halen. Als ze terugkomt vertelt ze dat Juliette er zo aankomt en geeft ons wat te drinken. Ze laat ons het fotoalbum zien met onder andere trouwfoto’s van 25 jaar geleden. De man van Juliette was bij de politie en is enkele jaren geleden, al voor mijn eerste bezoek aan Burkina overleden. Ook foto’s van de doop van Gérard, oudste zoon, zitten er in. Hij blijkt op de dag van haar huwelijk te zijn gedoopt. Aan de hand van de foto’s kom je zo nog eens wat te weten. Juliette was toen 18 jaar oud. Een snel rekensommetje leert dat ze nu dus 43 jaar is. Ook de doop en vormselfoto’s van Reine passeren de revue. Die mogen we wel snel omslaan van haar!

Dan stapt Juliette binnen. Het huis, zo hoorde ik vorige keer van haar, is gemaakt van banco, moddersteen, dat de man van Juliette toentertijd heeft ingesmeerd met cement. Daardoor houdt het beter, hoewel op sommige hoeken de cement is afgebroken en dus het huis wel wat slijt in de regentijd. Voor het huis heeft ze een behoorlijk grote binnenplaats. Hierop staat een karretje waarmee ze spullen kan vervoeren. Er liggen enkele grote balen met rode gierst. Naast het huis staat een flink afdak met daaronder grote canari’s waarin ze het plaatselijke bier, dolo maakt. Hiermee heeft ze een bron van inkomsten. Twee jaar geleden is dat dak bij een flinke storm ingestort en moest haar gehele voorraad gierst als verloren worden beschouwd. Een zeer moeilijke tijd volgde aangezien ze geen inkomsten meer had. Door lokale hulp en hulp vanuit Nederland heeft ze het uiteindelijk nog kunnen redden. Toen ze kort daarna haar knie brak en daardoor eigenlijk helemaal niets meer kon doen was de nood zo hoog dat ze me gevraagd heeft om hulp bij de aanschaf van een zeepmachine. Ik had geen idee wat ze bedoelde en heb ik toen maar geld laten sturen, zodat ze er zelf een kon gaan kopen in Ouaga. Het gestuurde geld bleek ruim voldoende, zo vertelt ze me nu, en ze kon er ook de grondstoffen voor aanschaffen om zeep te kunnen gaan maken. Ze maakt zeep van Kariténoten en kokosolie.

We praten wat en dan komt de middelste zoon, ook gewaarschuwd door Reine, binnen. Hij zit in zijn laatste jaar van een ICT opleiding. Hij zit in zijn laatste stageperiode. Het bevalt hem prima en hij hoopt deze in drie maanden af te kunnen gaan ronden. Hij heeft goede hoop daarna snel een baan te kunnen vinden, als hij zijn diploma heeft.

Ik vraag hoe het zeep maken in zijn werk gaat. Ik hoop het op deze manier voor haar gemakkelijker te maken om op het onderwerp ‘hulp vragen’ te komen. Ze heeft aan Sjef aangegeven mij weer om hulp te willen vragen om de studie van Reine en Aubin te kunnen betalen, maar durft het niet zo goed op het woord te gooien. Ze vertelt dat ze eerst de fijngemaakte Karité en kokosolie in een grote bak mengt. Daarna wordt het mengsel in vloeibare vorm in de mallen geschonken. Dit is een bak met daarin een los frame, waardoor de zeep haar vorm krijgt. De massa wordt dan ongeveer 30 minuten met rust gelaten om uit te harden. Daarna halen ze het frame er uit en gaan ze aan alle zijden de stukken zeep stempelen, zodat het herkenbaar wordt als zeep. Fysiek is dat werk toch best zwaar, vooral ook omdat ze daarvoor geen geschikte tafel heeft en alles op de grond plaatsvindt. Op dit moment richt ze zich wat meer op het maken van dolo, maar in de nabije toekomst zal ze zeker ook weer zeep gaan maken.

Juliette, Reine en Aubin kijken elkaar regelmatig aan zodra er een stilte valt in ons gesprek. Ik vraag me af of ik ze nog een duwtje moet geven. Maar dan na wat aarzeling en wat gepraat met Reine in het Mooré trekt ze dan toch de stoute schoenen aan. Ze legt uit dat ze het geld dat ik vorig jaar stuurde besteed heeft aan het schoolgeld voor Reine, de zeepmachine en spullen om zeep te kunnen maken. De rest heeft ze bewaard als appeltje voor de dorst. Ze heeft nu ook een behoorlijke voorraad gierst ingeslagen, nu de prijs redelijk is om ook in de toekomst dolo te kunnen blijven maken, als een soort investering. Toch, zo vertelt ze verder, is ze niet in staat om het schoolgeld van Reine en een deel van Aubin dit jaar te betalen. Ze heeft van de beide scholen voorlopig uitstel van betaling gekregen, maar uitstel is geen afstel. Ze hoopt dat ik haar nog één keer wil helpen. Voor Reine moet ze nog 90.000 Cfa’s betalen en voor Aubin heeft ze inmiddels 100.000 Cfa’s betaald, maar daar staan 230.000 Cfa’s nog open. Ik zeg haar toe te zullen helpen. Want een goede opleiding vind ik toch erg belangrijk. En voor Aubin zou dit het laatste jaar moeten zijn. Het opbrengen van 230.000 Cfa’s is toch eigenlijk een onvoorstelbaar hoog bedrag in dit land, waar men gemiddeld nauwelijks 1000 Cfa per dag verdient.

Ze reageren alle drie duidelijk blij en opgelucht, want door de aangeboden hulp is voor hen een groot probleem weer van hun schouders gehaald.

Er wordt eten op tafel gezet en beleefd nemen we er wat van. Het is tenslotte Kerst en daarbij hoort, ook in Nederland natuurlijk lekker eten. Nu het moeilijke onderwerp aangesneden is zie je Juliette duidelijk opgelucht verder praten. Van Gérard, die later binnen komt en inmiddels als automonteur aan de slag is hoor ik later dat zijn moeder als gevolg van alcohol op dit moment problemen heeft met slokdarm/ maag/ darmgebied. Het helemaal niet meer drinken is slechts één van de oplossingen. Ik snap nu waarom Juliette me enkele dagen gelden vertelde dat het niet echt goed met haar ging. Juliette heeft me ook nog wat slokdarmfoto’s laten zien die ze die week had laten maken. Ik kon er niets op zien, maar ik ben tenslotte ook geen dokter. Maar als maker van dolo, is het natuurlijk niet raar dat je er zelf ook eens en soms meer dan eens van drinkt. Gérard vertelt bovendien dat hij hoopt dat het binnenkort door de medicijnen die ze gekregen heeft weer beter met haar zal gaan. We maken buiten nog wat foto’s. Altijd weer leuk als we straks thuis zijn om even aan alles terug te denken.

Voor ’s middags staat een bezoek aan het Bois de Bangré wéogo gepland. Sjef besluit rust te houden en met Daniel en Cynthia gaan we ’s middags naar dit beschermde bos, midden in Ouaga. Er blijkt een dierentuintje te zijn en een bosgedeelte. De toegangen kosten per stuk 200 Cfa per persoon. Als we foto’s willen maken kost dat 1000 Cfa’s per toestel. Daniel vindt dat belachelijk veel, 1,5 Euro, dus besluiten we dat we er maar één nemen. We willen wel foto’s maken, al was het alleen maar om ze later aan Sjef te kunnen laten zien. Naar het dierengedeelte krijgen we een gids mee. Waarschijnlijk alleen maar vanwege de kraanvogels die de neiging hebben bezoekers behoorlijk venijnig te pikken en die onze gids behendig op afstand houdt met een lange stok. Ze zijn prachtig en op korte afstand goed te zien. Datzelfde geldt voor de andere vogels en beesten. Er lopen ook prachtige kippen met grote sokken en eenden in de ruimte rond. Daarbinnen zitten achter een hek met een vijver enkele lepelaars, witte reigers en ibissen. De lepelaar is druk aan het vissen. Het geheel is niet al te groot, maar daardoor kun je ze wel van vrij dichtbij fotograferen. Er achter staat een hok met daarin diverse roofvogels, kwartels en andere vogels. Desgevraagd legt de gids ons zaken uit. Ze neemt ons mee naar een aantal krokodillen tussen de één en twee meter lang. Eén ligt er lui in de schaduw en één andere drijft rustig in het water. Begin september 2009 zijn ze ontsnapt tijdens een grote hoosbui, die toen grote delen van Ouaga teisterde. Daarom zitten er nu diverse lagen gaas om hun verblijf heen. Naast ons overbekende dieren als eenden, duiven en albinokonijnen zijn er ook prachtige pelikanen. Er zitten diverse bavianen, waarvan er één behoorlijk stevig vastgebonden zit aangezien zelfs het vrouwtje in zijn hok anders niet veilig kan rondlopen. Nu kan ze zich als ze zich niet veilig voelt terug trekken in veilige delen van het hok. Er naast zit een vosje dat het duidelijk niet naar zijn zin heeft en eindeloos rondjes loopt in zijn hok. Voor zo ver ik gezien heb was hij de enige die alleen in een hok zit. Van alle andere soorten zijn altijd zowel een mannetje als een vrouwtje aanwezig. Ze hopen er zo ook mee te kunnen gaan fokken. Bij de geiten zitten er vele in het hok, waardoor je ook goed de grote diversiteit in kleuren kunt zien. In het hok bij hen zitten gemetselde obstakels zodat ze er op en af kunnen springen.

Dan op een behoorlijk groot terrein zien we een grote groep schildpadden. Deze komen in principe voor in heel Burkina, maar met name wel in het warme droge noorden. Ze eten groenvoer en vrouwen gebruiken ze in de dorpen wel als stoeltje bij de bereiding van het dagelijks voedsel, de tô. Er zitten behoorlijk grote kuilen in het terrein en hoe dat komt zien we al snel. Een grote schilpad graaft behendig en snel een flink gat in de grond, waarin zij binnen de kortste keren bijna geheel verdwenen is. Mogelijk, zo vertelt onze gids, gaat zij daar haar eieren leggen. Als we wat groene plantjes die we op het terrein geplukt hebben binnen het hek gooien komt uit de verte een grote schildpad aangebeend. Geweldig om te zien hoe dit logge dier toch met een soepele tred aan komt gelopen. Ook wijst de gids ons op een schildpad die net gaat drinken bij de vijver.

We verlaten het dierengedeelte en ze wijst ons de richting van het bos. Daar staan diverse karité- en baobabbomen. Diverse baobabbomen zijn de laatste jaren geplant door hoogwaardigheidsbekleders en regeringsfunctionarissen, zo kunnen we lezen op de erbij geplaatste borden. Een flamboyant, een kale boom die op dit moment overal goed herkenbaar is vanwege de rode bloemknoppen die ze draagt, kunnen we herkennen. Vele andere soorten bomen en struiken staan er in het gedeelte waar we doorlopen. We kennen niet alle namen en onze grote bomen en struikenkenner hebben we niet bij ons, dus genieten we er net zoals we dat in Nederlandse bossen doen van de rust en de vogelgeluiden. De enige andere mensen die er lopen zijn voornamelijk andere blanken, al dan niet in gezelschap van een donkere persoon.

Borden staan er met: ’verboden zaken achter te laten’, lijken hier redelijk hun uitwerking te hebben. Er ligt nauwelijks vuil. Hetgeen in groot contrast is met het leven net buiten het park. Aan het einde van de middag, terwijl de zon weer snel aan het zakken is rijden we terug naar Pascaline.

 

 

 


 

Maandag 26 december.

De koffers moeten weer gepakt worden. Ook deze keer kunnen we spullen die we niet in Kokossin en Balkiou denken nodig te hebben hier weer achterlaten. Rond negen uur laden we de wagen in en rijden we naar Sainte Elisabeth. Daar laden we negen mangobomen en één andere pommecanel op de wagen. Deze zijn ook aangekocht dankzij de millenniumprijs van Roosendaal en zullen we in Kokossin bij de school gaan planten. Rond tien uur vertrekken we richting Koupéla. Onderweg stoppen we voor de boodschappen. Eerst worden vier grote watermeloenen ingeladen, voor 2000 Cfa, een koopje toch? Ook tomaten, brood en andere zaken die we in Kokossin nodig zullen hebben worden gekocht. We hebben er geen omkijken naar, Eve regelt het allemaal samen met Daniel. Net buiten Ouaga begint de tolweg, Péage en dus moeten er enkele honderden Cfa’s betaald worden. We zien onderweg vele moskeetjes en kerken, hier en daar liggen grafzerken bijna tegen de weg aan, veel oude baobabs, rotspartijen, verspreid liggende bomen op de savanne, flamboyantbomen met hun prachtig rode bloemknoppenen en kinderen die druk doende zijn ze er met stokken af proberen te krijgen. Grote groepen runderen lopen onder toezicht van een herder rond om zo wat voedsel van de inmiddels verdorde landerijen te grazen. We zien op de weg veel te hoog opgestapelde busjes en vrachtwagens, boven op die wagens zitten dan vaak enkele mannen en soms zijn ze ook overladen met personen. Ook hangen jonge mannen vaak achter aan een busje en zie je ze al rijdend van de achterkant naar een plaats boven op de brommers die vastgebonden staan op het dak van zo’n busje klimmen. Verkeersborden boven de weg, iets wat ik in 2008 buiten Ouaga niet gezien had blijken als luciferhoutjes te zijn afgebroken. Een vrachtwagen die te hoog geladen was misschien?

Ook passeren we een gebied bij Mogtedo waar voorheen weinig bevolking woonde omdat het er erg nat blijft en dus de bilharzia en de malaria hier een rijke voedingsbodem vonden. Gelukkig heeft men dat probleem weten aan te pakken en nu floreren de bewoners er, dankzij het water en zien we een grote hoeveelheid rijstvelden liggen. We passeren Koupéla. Dan blijkt dat we Roger gemist hebben, die met ons mee zal rijden naar Séguem en Kokossin.

We rijden dan al voorbij Koupéla naar Séguem dat oostelijk ligt in de richting van Niger, zo vertelt ons het richtingsbord. We stoppen en even later komt Roger op een brommertje aanrijden. Ook dit is weer een fijn weerzien van beide kanten. Roger was in 2006 onze steun en toeverlaat in Kokossin, tijdens ons verblijf aldaar. Als plaatselijke onderwijzer met hart voor het dorp wees hij ons er de weg en trad op als vertaler tussen ons en de plaatselijke bevolking. Ook in 2008 hebben we een aantal malen contact gehad, hoewel we toen Balkiou eigenlijk meer als verblijfplaats hadden met de groep. Roger onderhoudt namens Kokossin ook de contacten met Stichting Help Burkina. Hij is bovendien erg begaan met het lot van kinderen, die vanwege de financiële situatie de school eigenlijk niet zouden kunnen bezoeken.

Stichting Help Burkina heeft in Séguem de bevolking financieel geholpen met het bouwen van een embouche, ofwel runderstal.  Bij aankomst blijkt dat men op de hoogte is gesteld van onze komst, iets wat Sjef liever niet had gehad, omdat hij de stal onaangekondigd had willen bezoeken. Maar ja, zo gaat het hier meestal als je iemand vertelt dat je naar Burkina komt. De dorps-tamtams lijken hier bijna net zo snel te werken als onze mobiele telefoontjes en dus blijft niets geheim. Een flinke groep vrouwen en kinderen staat langs de weg ons op te wachten. Ze zwaaien en roepen naar ons en lopen vervolgens achter onze wagen aan. Van alle kanten komen mensen ineens te voorschijn. Ze blijven wel wat op een afstand. Ze rennen niet meteen op ons af om handen te schudden. We stappen uit op een soort parkeerplaatsje, want verder rijden is niet meer mogelijk over het smalle voetpaadje dat naar de dorpskern leidt. We worden welkom geheten door de inspecteur van het onderwijs in deze regio, zo vertelt hij ons. Ook een dame, wier functie me even ontgaan is komt ons begroeten. We worden uitgenodigd met hen mee te gaan naar de runderstal. Daar staan onder een boom al stoelen voor ons klaar en aan de andere kanten staan banken opgesteld. We wachten even zoals gebruikelijk is op het water. Tot onze verrassing verschijnen er zes literflessen Laafi, bronwater. Dit hebben we nog nooit zo mee gemaakt. Meestal wordt snel even water bij de pomp voor ons geregeld in een emmer en wordt het met een halve kalebas aan een ieder aangeboden. De gebruikelijke welkomswoorden en dankwoorden worden uitgesproken. De inspecteur vertaalt de gesproken teksten over en weer. Zijn eigen verhaal doet hij om de beurt in het Mooré en het Frans. Hij vertelt over de plannen die de Association daar ter plaatse heeft voor het dorp en zijn bewoners. De runderen zullen gebruikt kunnen worden, twee per acht gezinnen, om de akkers te ploegen. Dit ploegen gebeurde tot nu toe  met de hand en was niet effectief, zeer zwaar en kostte veel tijd. Verder zijn er plannen voor de uitbreiding van onderwijsmogelijkheden en voor een CSPS. Dat laatste zal de gezondheidstoestand van de bewoners sterk kunnen verbeteren. Hij heeft de plannen al keurig uitgewerkt bij zich om mee te geven aan Sjef. De zoveelste die we mogen ontvangen, nu maar kijken of al die mooie plannen van al die dorpen ooit nog te realiseren zijn door de Stichting.

Dan worden we uitgenodigd de stal te gaan bekijken. De inspecteur maakt het hek open. Maar voordat hij ons binnen laat vertelt hij dat de beesten gewend zijn aan de geur van hun vaste verzorger, maar niet aan onze geur. Zij zouden agressief kunnen reageren, zo vertelt hij ons. Sjef pakt het hek vast en doet het demonstratief dicht, tot groot plezier van de bevolking. De runderen zien er, dat moet gezegd zijn, ondanks de droge tijd erg goed uit. De inspecteur nodigt ons dan uit om de stal en de dieren maar vanaf de buitenkant te bekijken. Het is een min of meer vierkant gebouw, gemaakt van banco muren die ongeveer anderhalve meter hoog zijn. De muren zijn daarna afgesmeerd met cement, waardoor ze in de regentijd minder kwetsbaar zijn. Op een houten frame ligt het dak. Het is een plat dak, waarop men in de oogsttijd het voer voor de dieren opslaat. Dan is het tijd om de bomen te gaan planten, rondom de runderstal. Eigenlijk bij alle projecten wordt deze inspanning van de plaatselijke bevolking gevraagd. De herbeplanting van het land, breng je daardoor ook voortdurend bij de mensen onder de aandacht. De voorkeur van Stichting Help Burkina gaat uit naar fruitbomen. Daar hebben ze hier goed naar geluisterd. Er zijn tien plantgaten klaar gemaakt en even zoveel verschillende fruitbomen worden gebracht, variërend van mango tot citroen. Als gasten mogen wij natuurlijk de eerste bomen kiezen om te planten en zo planten we geholpen door de mensen van het dorp de eerste bomen; elke boom krijgt ook de naam van degene die hem geplant heeft. Per boom wordt ons verteld is een kind uit het dorp aangewezen die de dagelijkse zorg krijgt over de bewuste boom. Elke dag zal zij of hij er met een jerrycan water heen zolang het geen regentijd is. We denken dat op deze manier deze bomen, ondanks het feit dat het nu niet de meest gunstige tijd is om ze te planten, toch een goede overlevingskans hebben. Als een boom droog staat is daar direct iemand op aan te spreken. Nadat wij vier bomen geplant hebben, vertelt men dat men zelf zorg zal dragen voor de andere bomen. Ze nodigen ons weer uit om in de schaduw te komen zitten.

Er volgt nogmaals een dankwoord en we krijgen alle vier een mooie leren tas aangeboden. Sjef krijgt bovendien voor zijn vrouw een handtas en nog een portemonaie aangeboden voor zijn pasgeboren  kleindochter. Als hij met een grote lach zegt vier vrouwen te hebben, klinkt een luid gelach. Men kan dit soort humor hier wel waarderen. De inspecteur zegt dat we niet ‘de weg hoeven te vragen – demander la route’, wat eigenlijk gebruikelijk is als je denkt aan op stappen. Zij snappen dat we het druk hebben. In het Engels voegt hij er zachtjes aan toe dat we mogen opstaan. We worden door de bevolking naar onze auto begeleid en uitgezwaaid.

Het is inmiddels al drie uur ’s middags. Het geplande bezoek aan de ouders van Josephine moet komen te vervallen; Roger belt even naar papa Joseph en maakt een nieuwe afspraak. We weten dat de mensen in Kokossin ook al enige tijd op ons zullen staan te wachten. We rijden terug naar Koupéla om van daaruit de piste te nemen in de richting van Kokossin. 

Het eerste deel is uitstekend, dan zien we op eens een Nederlandse en Burkinese vlag zwaaien in een dorpje. Een tweetal brommers staat er op ons te wachten. Ze rijden voor ons uit en de weg wordt hobbeliger en smaller. Hier komt zelden een auto, dat wordt al snel duidelijk. Alleen een fietsspoor is te zien en ook de takken schuren aan twee kanten langs de auto. De acaciatakken zwiepen zo nu en dan ook gevaarlijk door de openstaande ramen naar binnen. Dan duikt een tweede ontvangstcomité op, een hele groep fietsers. Het blijft toch altijd weer geweldig om te zien dat ze je op deze manier binnen halen. We volgen nu een hele groep naar het dorp. Daar aangekomen blijkt het hele dorp aanwezig te zijn. Volgens de burgemeester zo’n 1600 man. Tot onze aankomst heeft men zich beziggehouden met muziek en dans en nu valt dat even stil en worden we massaal begroet. Als ik een oude bekende, Blaise, zie merk ik dat hij erg emotioneel wordt. In 2008 had hij er op gestaan mij als eerste te schrijven. Ik heb hem daarna terug geschreven en wat foto’s mee gestuurd. Daarna bleef het stil. Nu is dat gezien de hoge portokosten niet echt verwonderlijk. Hoewel ik eigenlijk nog wel een klein berichtje had verwacht over de geboorte van zijn kind, die toen aanstaande was. Omdat hij niets meer van me vernomen had was hij bang geweest dat het ondanks enkele brieven die hij nog naar me gestuurd had, het niet goed met me ging. Nu hij me uit zag stappen was hij verschrikkelijk blij te zien dat het wel goed ging. Ik kon hem uitleggen dat ik niets meer van hem vernomen had. Ik stel hem mijn man voor en hij zegt hem te herkennen van de eerder gestuurde foto. Ook hij wordt als een oude bekende omhelsd. Hij vertelt dat zijn jongste kind een dochter is en hij tevens een zoon heeft die nu veertien jaar oud is. Ook met hem gaat het goed. Vele handen worden geschud, voordat Blaise er een eind aan maakt en iedereen tot meer afstand maant. Later die middag komt hij nog langs met zijn dochtertje, maar zij zet een luide keel op als ze me ziet en weigert me een hand te geven tot ongenoegen van Blaise. Ik geef aan dat niet erg te vinden en goed te snappen dat ze ons blanken eng vindt. We zien bij ons tenslotte toch het omgekeerde als onze kleintjes voor het eerst een donker persoon zien.

We begroeten de burgemeester, bij wiens inauguratie we te gast zijn geweest in 2006 in Tensobentenga, dat een goede band heeft met Kokossin, in elk geval met Roger. De burgemeester van Yargo, waartoe Kokossin behoort, heeft zijn plaatsvervanger gestuurd. En ook andere belangrijke mensen uit het dorp en omgeving schudden ons de hand in het klaslokaal dat voor deze gelegenheid wat anders is ingericht.

We krijgen water uit plastic zakjes aangeboden. Heerlijk als je zo net uit een warme auto komt op het warmste van de dag. Ook hier heeft de emmer met kalebas plaats gemaakt voor de modernisering. Het eten wordt binnengebracht en we moeten de dames die opscheppen proberen in toom te houden anders scheppen ze heel  hoge bergen op onze borden. Het eten is prima, maar we snappen eigenlijk niet goed hoe al die notabelen hun bord leeg krijgen. De burgemeester wil graag onze mailadressen hebben. En hij zegt ook in het Duits te willen mailen als dat voor ons eenvoudiger is.

Een vrouw komt op ons af en vraagt Sjef in het Mooré om geld, waarbij ze met haar hand een internationaal gebaar maakt. De burgemeester haalt 1000 Cfa’s uit zijn borstzak en geeft dat aan zijn assistent, die het vervolgens weer doorgeeft aan de vertegenwoordiger van de burgemeester van Yargo, een meer traditioneel geklede man. Deze geeft het aan de vrouw, die vervolgens Sjef bedankt.

Blaise vraagt me om met hem mee te gaan. Hij neemt ons mee naar het feestgedruis, waar vrouwen aan het dansen zijn en een aantal jongens op lege jerrycans het ritme slaan. Na enige tijd genoten te hebben van het schouwspel legt hij de boel stil en vraagt ons om foto’s te maken. Hij gaat er zelf ook voor zitten. Als een oudere vrouw, volgens mij diezelfde die binnen kwam om geld er ook bij wil komen staan duwt hij haar weg. Later stelt hij me voor aan een van de muzikanten. Het blijkt een jongen te zijn die in een rolfiets zit. Dat heb ik in Kokossin nog nooit gezien. Aan de fiets mankeert van alles, van een rammelende ketting, tot een afgebroken handrem tot kapotte handvatten. Hij vertelt via Blaise, want hij spreekt geen Frans, dat zijn ketting regelmatig breekt. Vervolgens vraagt hij of ik hem aan iets beters kan helpen. Hij zou heel erg graag een elektrische, gemotoriseerde rolstoel hebben. Daar vraag je me zo wat. Onze elektrische rolstoelen zijn absoluut niet tegen deze wegomstandigheden bestand. Met hun kleine wieltjes mogelijk zelfs erg gevaarlijk, om nog maar te zwijgen van elektrische/ technische problemen die zich daarbij voor kunnen doen. En waar kun je hier zo’n ding opladen. Het zonnepaneel van de school is volgens mij de enige gelegenheid in de verre omtrek. Ook een gemotoriseerde rolstoel, die je in de stad wel meer ziet rijden, vraagt toch om onderhoud en regelmatige tankbeurten. Ik verwacht dat dat erg kostbaar is voor hem. Ik beloof zijn probleem in gedachten te houden, maar geef ook aan dat ik geen harde toezeggingen kan doen.

Ik zie namelijk voorlopig meer problemen, dan oplossingen.

Als de boel wat rustiger wordt rondom de school, waar we de komende twee dagen zullen overnachten zitten er nog wat jongelui. Wanneer ik langs loop begroeten ze me met een  voorzichtige ‘good morning’. Ze blijken ook op de basisschool al Engelse les te hebben. Ik lach er wat om en vertel ze dat ze nu eigenlijk ‘good evening’ moeten zeggen. We praten nog wat en het blijkt dat al deze kinderen naar school gaan, hoewel de jongsten me nog niet in het Frans te woord kunnen of durven te staan. Ze kunnen zich wel allemaal netjes voorstellen. Hun namen zijn mij redelijk onbekend.

 

’s Avonds komt Roger me vragen of Heico een traditioneel kostuum leuk zal vinden. Ik bevestig dat en even later komt hij aanzetten met cadeaus voor ons. Voor mij een hesje uit Ghana, zo vertelt hij, en voor Heico een prachtig blauw met gouddraad afgezet pak met traditionele borduursels. Natuurlijk ontbreekt de bijpassende ‘bonnet’, het mutsje niet. In de broek blijkt geen touwtje te zitten om de broek, die hier altijd erg ruim uitvalt op de heupen te houden. Gelukkig brengt een lint dat ter versiering aan de klamboe zit uitkomst. Met een veiligheidsspeld denken we er hem doorheen te rijgen, maar komen tot de conclusie dat hij wel erg wijd is. Net als we er mee klaar denken te zijn, blijken we niet de broek, maar de onderkant van het jack in handen te hebben gehad. Dus opnieuw begonnen, maar nu op de juiste plaats. Ook krijgen we nog een DVD met Afrikaanse zang en dans. Deze zullen we thuis moeten bekijken, want hier hebben we geen geschikte apparatuur om het af te draaien.

Na wederom een indrukwekkende dag kruipen we bijtijds het bed in, althans we denken bijtijds te gaan slapen. Maar mee dat ik mijn benen in mijn slaapzak steek hoor ik een brommer met veel kabaal aan komen rijden. Hij stopt voor het lokaal en even later gaat de deur open. Een dame komt binnen, zover kan ik het nog wel zien. Ik zeg iets tegen haar en schaterlachend maakt Tina zich bekend en vliegt me om de hals. Ze had wel mee willen gaan en zeker toen zowel Sjef als ik dat hadden gevraagd bij ons vertrek vanochtend vanuit Ouaga, maar Pascaline had haar verzekerd dat het niet kon omdat de auto vol zat. Uiteindelijk trof ze iemand die toch hier in de buurt moest zijn en al giechelend vertelt ze het verhaal. Hij was bereid haar hier af te zetten. En zodoende had ze eerst 140 km achterop de brommer van die vriend naar Koupéla gereden om vervolgens nog zo’n 30 kilometer over pistes en zandpaadjes bij ons te komen. We hebben zo wat een uur liggen lachen, enkelen van de anderen worden wakker en ontdekken wat er aan de hand is. Daarna blijkt dat Tina noch een matras noch een slaapzak om zich warm te houden bij zich heeft. Nee hoor, ze gaat op een doek wel op de grond slapen. Ze houdt haar jas wel aan. En dat voor een Burkinese die het in deze tijd van het jaar altijd koud hebben? We besluiten toch maar te proberen wat te gaan slapen.

 

 

 

 


 

Dinsdag 27 december.

Degenen die ’s nachts niets hebben gemerkt van de aankomst van Tina merken haar ’s morgens op. Ook dat geeft weer een grote hilariteit. Ze helpt Eve met het klaar maken van het ontbijt en ik vraag hoe haar nachtrust geweest is. Niet erg geweldig, maar ze kan er nog mee lachen. De grond is toch wel erg koud geweest en de volgende nacht zegt ze te gaan slapen op de tafels van twee aaneengesloten schoolbakjes. Wat een luxe zal dat zijn.

Na het ontbijt maken we een rondgang door het dorp. Eerst even langs de schooltuin, waar we in 2006 51 fruitbomen hebben geplant. In 2008 stonden er nog 36, waarvan sommige zelfs al vrucht droegen. Nu moeten we tot onze teleurstelling vaststellen dat de tuin fors kleiner is geworden en dat er nog maar ongeveer 10 bomen staan, voornamelijk goiavebomen. Het lijkt erop dat de rest is meegenomen om op het eigen erf uit te planten. Dat is natuurlijk niet de bedoeling geweest. Dan gaan we naar de WC’s van de school Aanvankelijk wilden de leerlingen van de school ze niet gebruiken, zo bleek tijdens een inspectie door een Duitse organisatie een paar jaar geleden, omdat ze bang waren voor beesten die daar een warm plekje vonden, met name slangen. Op school is daarna in de klassen aandacht geweest voor dit probleem en ook voor de noodzaak deze wel te gaan gebruiken. Nu worden ze door de leerlingen gebruikt zoals het hoort. Ook de waterbakken worden als het les is ’s morgens gevuld met schoon water uit de pomp, zodat de kinderen na de toiletgang hun handen kunnen wassen. We lopen verder in de richting van de Naaba van Kokossin. Om daar te komen moeten we eerst door een rivierbedding. Sinds ons laatste bezoek is deze veel breder geworden. Hierdoor staat nu ook een grote mangoboom op omvallen. De erosie door de regenval in de regentijd is overal goed waar te nemen. Gelukkig zien we overal goede hoge diguettes in de omgeving. Het belang hiervan is blijkbaar goed doorgedrongen. Diguettes zijn muurtjes opgebouwd uit stenen en zand, die in de regentijd er voor zorgen dat het water langer in het gebied blijft en dus de bodem inzakt, terwijl het anders als een kolkende watermassa binnen de kortste keren het gebied uitstroomt, de kostbare landbouwgronden met zich meevoerend. Nu liggen eigenlijk om alle akkertjes flinke hoge dijkjes. Ook spoelde in het verleden zo’n regenbui alle net ingezaaide zaad weg en had men geen oogst. Dat zal nu ook veel minder gebeuren, omdat het water niet meer zo stroomt en bovendien het veld niet verlaat.

Onderweg zien we een vrouw bezig het kaf van het koren te scheiden door gebruik te maken van de heersende wind. De gierst valt keurig in de onderliggende bak en het kaf valt er naast. Met de gierst die er toch naast valt zijn straks de kippen weer blij, die hier buiten de hutjes hun kostje bij elkaar scharrelen.  Dan zien we de nieuwe moskee. Ervoor staan de twee nieuwe toiletten, die de Stichting mede dankzij sponsorgelden kon laten bouwen. Helaas heeft men tijdens een flinke storm de deuren niet vastgezet en is één van de scharnieren behoorlijk beschadigd. Een flinke storm in juli heeft in dit gebied veel meer schade aangericht. Ook een deel van het dak van de basisschool was eraf gewaaid, maar dat is in tegenstelling tot dit scharnier wel gerepareerd. Ook vele bomen zijn toen omgevallen en worden nu als brandhout gebruikt. Op diverse plaatsen zien we nog overblijfselen van die bomen liggen tijdens onze rondgang. Achter de toiletten staan nog de laatste restanten van wat in 2006 nog een aardige moskee was, maar nu geheel ten prooi gevallen is aan de elementen en met name de regen. Daarachter is met steun van Help Burkina en voor een groot deel vanuit Saoudie Arabië een nieuwe stenen Moskee gebouwd. Natuurlijk willen we hem graag van binnen zien. We doen onze schoenen uit en betreden het mannengedeelte. De vrouwen betreden het gebouw normaal gesproken langs de achterkant en nemen dan plaats achter een gordijn, wat men nu voor ons even opzij schuift. Het is een mooi gebouw. Helaas heeft het dak al wat plekken door waterschade opgelopen aangezien het niet geheel lekvrij opgeleverd was. Dat hebben we op meer plaatsen gezien. Even een emmer water over het dak voor de oplevering moet dat duidelijk kunnen maken lijkt me, maar hier kijkt men daar blijkbaar toch iets anders tegen aan. Het dak is inmiddels gerepareerd.

Ze zijn er  erg blij mee en ook de imam komt nog even langs. In het Mooré bedankt hij ons nogmaals mede namens de geloofsgemeenschap. Ook hij spreekt duidelijk geen Frans. Midden voor staat het spreekgestoelte en er hangt tot mijn verbazing ook een klok aan de muur.

We gaan weer verder en we horen dat het niet echt goed gaat met de Naaba, maar dat hij ons toch wel even kort wil begroeten. Voor zijn woning zit in zijn stoel de Naaba al op ons te wachten en er worden snel wat bankjes geplaatst voor ons. Na wat korte beleefdheden via een tolk bieden we hem de gebruikelijke geschenken aan. Ook hier is gekozen voor twee oliepersjes. Aan de aanwezig mannen wordt de werking uitgelegd. De mannen luisteren aandachtig en knikken goedkeurend. Aangezien we er zelf geen ervaring mee hebben kunnen we niet op al hun vragen een antwoord geven. Gelukkig zit er een uitgebreide duidelijk in het Frans opgestelde uitleg bij en kunnen we daarnaar verwijzen. Er zijn voldoende mannen aanwezig die dat kunnen lezen en aan de anderen uitleggen. Na een toch wel uitgebreide uitleg ‘vragen we om de weg’. Hiermee geven we aan dat we willen vertrekken, ook om de zwakke Naaba niet langer te belasten. Zijn vertegenwoordiger geeft ons toestemming en geeft aan blij te zijn met ons bezoek. De Naaba oogt verre van fit en moet, zoals velen in deze voor hen koude periode van het jaar veelvuldig hoesten.
We lopen terug langs de moskee. Aldaar worden we gevraagd even te wachten. Dan komt er een man met een ram aangelopen. Namens alle muzelmannen krijgt Sjef deze aangeboden voor zijn inspanningen, waardoor deze Moskee tot stand is kunnen komen. Er wordt tevens verteld dat men in een naburig gebouw is begonnen met een Koranschool. Daar leren op dit moment 50 kinderen Arabisch. Als wij er binnen gaan mag één er van demonstreren dat hij het Arabische alfabet al kan lezen. En met een aanwijsstok wijst hij de tekens aan en zegt hij welke letter het is.

Voor dit gebouw ligt een behoorlijke hoeveelheid stenen klaar gemaakt van metselspecie. Ze moeten tijdens het uitharden regelmatig worden nat gehouden. De stenen zijn bedoeld voor de in aanbouw zijnde nieuwe opslag voor veevoer. Hiervan staan de fundamenten reeds tussen de graanmolen en het vrouwenhuis. De graanmolen horen we van uit de verte al draaien. Ook de berichten die we ervan in Nederland horen zijn uitstekend. Het is in staat in zijn eigen onderhoud te voorzien en nog geld over te houden ook. Als we er binnen gaan vertrekt net een vrouw met haar gemalen gierst. Wat opvalt is dat veel van de gemetselde openingen, die bedoeld zijn voor de ventilatie met doeken zijn dichtgestopt. Ik vraag de man die de molen bedient hiernaar. Hij kan me niet verstaan en dus haalt hij er iemand anders bij. Deze legt uit dat het behoorlijk kan waaien hier in de molen en dat dan het meel begint te dwarrelen. Daarom heeft men de gaten dichtgestopt. Ik vermoedde eigenlijk al wel zo iets.

Achter de molen staat het huis van Ali. Het vliegtuig gemaakt van ijzerdraad staat nog steeds op zijn dak. Ook daar stoppen we even en raken aan de praat. Een vrouw vraagt me of ik een foto van haar wil nemen. Natuurlijk wil ik dat wel. Als ik hem gemaakt heb wil iedereen hem natuurlijk zien. Als ik me weer omdraai vraagt een man me wie mij toestemming heeft gegeven om een foto te maken van zijn vrouw. Slik ……. Gelukkig zie ik een kleine twinkeling in zijn ogen en wat grimassen rond zijn mondhoeken. Ik buig diep, zoals ik dat anderen vaak voor mij zie doen en bied heel schuldig mijn excuses aan. Iedereen begint te lachen en vervolgens komt Ali me vragen ook een foto van zijn vrouw te maken, of liever gezegd: van één van zijn vier vrouwen. Ook daar voldoe ik graag aan. Ali is de voorzitter van het oudercomité van de basisschool en waarschijnlijk een groot leverancier van leerlingen. Elke keer dat ik er kom wemelt het van de kleine kinderen.

Het volgend adres dat we aandoen is de runderstal, die we in 2006 hier geopend hebben. We hebben toen met onze leerlingen nog wat zand mee los gehakt en die als fundering mee helpen storten voor de stallen. De runderen zijn net verkocht en de nieuwe kalveren zijn nog niet gearriveerd. Het stenen huisjes van de bewaker dat de bevolking uit eigen middelen heeft laten bouwen staat er ogenschijnlijk wat verlaten bij. In de stal zorgt men dat de kalveren, die bij de Peuhl gekocht worden, opgefokt en daarna weer doorverkocht worden aan handelaren op de veemarkt. De door hen toentertijd beloofde watervoorziening blijkt niet te zijn gerealiseerd en daarom worden de runderen dagelijks naar de barrage gebracht om daar te drinken. Het voldoende op voorraad krijgen van voedsel, waardoor de dieren gewoon het hele jaar op stal kunnen blijven, is vermoedelijk ook nog wel een probleem wat niet geheel opgelost is. De stal op zich ziet er nog goed uit, hoewel hier en daar het hang- en sluitwerk wel wat te wensen over laat. Ook hier krijgen we als verklaring dat de grote storm voor de schade gezorgd heeft.

We vervolgen onze weg naar Bolin een kleine woongemeenschap waar de Stichting Help Burkina in het verleden ook eens een pomp geslagen heeft. Vanuit de verte zien we al dat deze gebruikt wordt en nog voldoende water geeft. Het water dat niet in de jerrycan terecht komt wordt opgevangen in een grote stenenbak, die weer overloopt in een gootje naar de dierendrinkbak. Daar maken de langslopende geiten dan weer dankbaar gebruik van. Als de herdertjes ons zien naderen sturen ze de geiten er bij weg. Het is fijn te zien dat het nog steeds goed werkt.

De Naaba van Bolin wil ons graag ontvangen in zijn woning. Ze bieden ons een plekje aan in de zon, maar wij geven aan de schaduw te prefereren. Wij vinden het op dit moment lekkerder in de schaduw. Dus worden onze stoelen in de schaduw en de andere stoelen in de zon geplaatst.

Hij vertelt dat hij inmiddels 90 jaar oud is, een zeer respectabele leeftijd in dit land, waar de gemiddelde mens nog geen 47 jaar oud wordt. Dit cijfer wordt natuurlijk wel sterk beïnvloed door een hoge kindersterfte, maar toch. Zulke oude mensen zijn natuurlijk wel een uitzondering. De Naaba is herstellende van een malaria aanval drie maanden geleden. Hij loopt met een stevige tak. Hij lacht veel en begint pas echt tegen ons te praten als Roger zijn woorden voor ons begint te vertalen. Voorheen heeft hij wel in de gaten dat wij hem en hij ons niet kan verstaan. Hij onderstreept zijn woorden regelmatig met een lach en een ferme handdruk. Ook vertelt hij ons dat hij nu best mag sterven. Hij heeft zijn leven geleefd. Dan vraagt hij hulp bij de realisering van een omrastering voor het vee. Iedereen heeft natuurlijk de hekken gezien die Sjef bij de school in Kokossin heeft laten plaatsen en men wil dit zelf ook wel hebben. Geen of nauwelijks onderhoud in plaats van de op dit moment gebruikte acaciatakken, die toch regelmatig vervangen moeten worden en die bij gebruik toch venijnige stekels blijken te hebben. Als Sjef aangeeft dat hij op dit moment niets kan toezeggen, geeft de Naaba aan dat hulp ook gerust pas mag komen na zijn dood. Hij lacht zelf weer vrolijk om zijn eigen uitspraken. Wat een humor heeft deze oude man, zo nog vol met energie. Dan wordt een ram naar ons toegebracht. De Naaba geeft aan eigenlijk een stier te hebben willen geven. Sjef lost dit diplomatiek op door te zeggen dat hij eigenlijk blijer is met een ram, want een stier zou hem misschien wel aan gaan vallen, omdat hij onze geur niet kent. Een ram kunnen we nog wel hanteren. We vragen om de weg, want we willen graag rond etenstijd weer terug bij de school proberen te zijn. Maar de Naaba wil er niets van weten en lacht ons verzoek weg.

Later krijgen we wel toestemming en gaan we onderweg naar het volgende gehucht, Tandagha. Onderweg worden we opgewacht door enkele mannen en de Naaba van het gehucht. Ze laten zien dat de vrouwen al behoorlijke bergen zand hebben gezeefd, die de mannen vervolgens naar hier vervoerd hebben. Dit is het beoogde terrein voor de te gaan bouwen middelbare school Tandagha/ Kokossin. Dat wil zeggen als de Duitse subsidieverstrekker hiermee akkoord gaat. We zien hier wel erg veel grote bomen die tijdens de laatste regenperiode omver zijn gewaaid; vreemd genoeg zijn het allemaal oppervlakkig wortelende bomen, terwijl je in dit droge gebied zou verwachten dat de wortels de diepte in zouden gaan.

In de verte zien we een vervallen moskee staan met daarnaast een stenen moskee in aanbouw. De matten uit de moskee worden buiten in de schaduw uitgerold en voor ons worden ergens vandaan, bankjes weggezet. We worden vriendelijk verzocht plaats te nemen. Na de gebruikelijke beleefdheden wordt ook hier om steun gevraagd. Omdat dit dorp samen met Kokossin de komende tijd vermoedelijk al steun kan verwachten middels de bouw van een CEG, wordt deze vraag wat ontweken, ook met een verwijzing naar de financiële crisis in Europa en het verminderde subsidiebeleid van onze overheid.

Tijdens ons bezoek in 2006 hadden we een hele oude dame ontmoet van bijna 100 jaar, precies wisten we het niet meer. Als we er naar vragen blijkt ze vlakbij de moskee te wonen en nog te leven. We kunnen er wel even langs gaan. Ze zit te midden van een groep dames en meisjes de groente en kruiden schoon te maken. Ze is nu 100, bijna 101 jaar oud. Ze heeft moeite met opstaan, maar wordt door de alom tegenwoordige Blaise onder haar oksel opgetild om ons te kunnen begroeten. Ze lijkt ook problemen te hebben met haar evenwicht. Na een korte hartelijke begroeting vragen we waarom een oude dame zoals zij nog moet werken. Iedereen lacht. Nee, zo vertelt ze, ze helpt nog wat om de tijd te doden, werken doet ze al lang niet meer. Tamarindeboontjes doppen kan ze nog wel, dus doet ze gezellig mee. Mijn vriend Blaise blijkt haar buurman te zijn en dus nemen we ook bij hem een kijkje. Hij wil graag met me trouwen en vindt het geen probleem dat ik een man heb in Nederland. Alleen de volgende keer moet ik mijn Nederlandse man maar thuis laten en ben ik zijn vrouw in Kokossin. Wat zijn eigen vrouw en kinderen ervan vinden weet ik niet, maar we hebben er deze dagen erg veel plezier om.

’s Middags besluiten we om nog even te gaan kijken of de kaaimannen zich nog laten zien bij de barrage. Zodra ze ons zien schieten er minstens drie het water in en laten zich daarna maar mondjesmaat zien. Alleen hun neusgaten en ogen komen nog af en toe aan de oppervlakte. Voor Tina en Daniel is hun aanwezigheid in het water geen enkel beletsel om er even geheel in te gaan. Wij besluiten met de adviezen van de GGD indachtig met betrekking tot stilstaand water er niet aan mee te doen, maar ons te beperken tot het roepen van opmerkingen zoals dat de kaaimannen zo dadelijk in hun benen zullen gaan bijten. De waterpret is er niet minder om. Langslopende mensen denken er waarschijnlijk zo het hunne van.

Later op de dag als de zon al flink aan het zakken is en de temperatuur al daalt planten we samen met de mannen en jongens de bomen binnen de door Help Burkina bekostigde afrastering van 50 x 50 meter. Vrouwen en meisjes zijn er nauwelijks te bekennen, want die zullen wel met het huishouden bezig zijn. Het zijn negen mangobomen en één pomme canelle. Er staat, zoals al meerdere dagen het geval is, een frisse wind, waardoor menig Burkinabè de gehele dag rondloopt in een warme trui of winterjas. Zelfs als eerder op de dag de temperaturen toch wel de 30 graden halen. Lange mouwen en oorwarmers zijn echt geen uitzondering. Wij vinden het over het algemeen prima en tussen elf en twee zelfs warm en verkiezen graag de schaduw van de bomen boven de felle zon. Regelmatig komen zandstormpjes voorbij de school gewaaid. Aangezien het al sinds eind oktober hier niet meer geregend heeft, heeft de wind vrij spel op het losse zand. Ook zie ik op een bepaald moment een kleine tornado over de kale vlakte voor de school gaan. Als hij de school passeert horen we langs alle kanten stenen tegen de metalen raamluiken en boven op het dak kletteren.

De plantgaten blijken allemaal al te zijn gegraven. Een berg rundermest ligt klaar voor de bemesting. Negen plantgaten voor bomen aan de achterkant van het ommuurde veld en één aan de voorkant, het dichtste bij de school. De gaten zijn niet overbemeten. Er worden twee jongens met hun fietsen met een jerrycan naar de pomp gestuurd om water te halen. De jerrycans lenen ze bij onze keuken. De pomp waar het water gehaald moet worden ligt een 100 meter verder op. Er wordt gemeten of de plant in het gat past. Het zijn flinke planten van zo’n één meter zeventig hoog en met een behoorlijke kluit. Er wordt water in het gat gegoten en de boom wordt geplant. Daarna wordt het gat tot ongeveer tien centimeter onder de rand gevuld. Vervolgens wordt de rest van de kan erop leeggegoten. Deze procedure herhaalt zich nog negen keer. De jongens krijgen het water nauwelijks op tijd aangesleept.

Als ik bij de eerste boom vraag of er geen mest bij moet wordt me verteld dat het gebruik van rundermest termieten zal aantrekken, dus dat men dat niet zal gebruiken. Er wordt niet gewacht op andere mest aangezien de duisternis snel invalt. Ik plant een boom met twee stammen en ook een andere boom blijkt, maar dan wat hoger opgesplitst, twee toppen te hebben. De bevolking krijgt op zijn hart gedrukt door onze chauffeur dat ze er goed voor moeten zorgen. Ze moeten dankbaar zijn voor wat de Nederlanders voor hen doen en het goed verzorgen van deze bomen kan dan gezien worden als het tonen van hun dankbaarheid als dorpsgemeenschap. Hij geeft aan dat hij in andere dorpen veel betere resultaten heeft gezien van vroegere boomaanplant dan dat hij hier ziet. Hij wijst ze op hun verantwoordelijkheid. Deze bomen moeten, willen ze een kans maken te overleven, dagelijks voorzien worden van water, zeker tot de regentijd aanbreekt. Zo niet dan zullen ze het niet overleven. Dat is althans de strekking zoals hij het later tegen ons vertelt. Wij kunnen alleen maar aan zijn intonatie horen en aan zijn lichaamstaal en gebaren zien dat hij hen gedurende lange tijd streng toespreekt. Er wordt door de bevolking geluisterd en met het hoofd geknikt en instemmend gebromd. Sjef voegt aan de woorden van Daniel nog toe, dat we vanmorgen gezien hebben dat er van de 51 bomen die in 2006 geplant zijn, er nog maar ongeveer 10 over zijn; hij vermoedt dat er een aantal verhuisd is naar particuliere erven. Ook wijst hij erop dat van de bomen die Help Burkina in 2004 heeft laten planten rond de school er nog maar twee over zijn en dat er dus niet goed voor de bomen gezorgd wordt. Hij wil opnieuw een poging wagen om in Kokossin bomen te planten, maar dan moet hij op de steun van de bevolking kunnen rekenen. Hij constateert dat het poortje in de omheining op dit moment nog open staat, terwijl er niemand binnen de omheining is. Iedereen kan dat met eigen ogen constateren; op die manier kunnen de geiten de omheining binnen en zijn de pas geplante bomen morgen opgevreten. De poort dient steeds gesloten te worden en er moet iemand aangewezen worden die daarvoor verantwoordelijk is. Hij vraagt Roger om in Koupéla een bordje te laten maken met in het Frans en het Mooré de tekst: “Poort sluiten s.v.p.” De kosten zullen per omgaande betaald worden en dat is een belofte. In alle andere gevallen heeft hij gewezen op de financiële problemen in Europa en op het feit dat Help Burkina maar een heel kleine stichting is zonder veel middelen, maar dat hij zal proberen om hulp te vinden. Deze keer kan hij er niet onderuit!

De kinderen die voor de school aanwezig waren houden allemaal van fruit vertellen ze ons. Dat er dan wel iets voor gedaan moet worden snappen ze ook, maar of het ook gaat gebeuren, we zullen het in de toekomst zien.

’s Avonds als we de boel nog even controleren voor we gaan slapen, blijkt het hek dus gewoon open te staan, alle goede bedoelingen ten spijt. We sluiten het hek wat provisorisch en lopen terug, althans dat denken we. Maar dan opeen zie ik het schijnsel van de zaklantaarn een klein slangetje van ongeveer 30 centimeter lang bewegen. Ik schrik er van en spring opzij. Gelukkig heb ik een vrij lange stok bij me en daarmee probeer ik hem wat onder controle te houden. Ik roep Kees om met een fototoestel te komen. Op mijn  geroep komt echter ook dorpsbewoners af. Ali duwt me wat naar achter en neemt de stok van me over. Het is anders een mooi gezicht hoe de slang telkens wat dreigend naar de stok reageert en er vervolgens probeert van door te gaan. Maar ja, dat sta ik niet toe, want ik wil eerst dat Kees wat leuke foto’s kan maken. Zodra dat gebeurd is, slaat Ali wild met de stok op de kop van de slang, totdat hij niet meer beweegt. Wij kijken elkaar verschrikt aan, zo’n lief mooi slangetje, hoe kan hij. Dan legt men uit dat het toch wel een heel erg giftige slang is en dat men hier ver weg van het ziekenhuis, niet graag heeft dat hij iemand bijt. Zo hadden wij er nog niet naar gekeken, maar hier in de brousse doe je dat natuurlijk wel. Achteraf misschien maar goed dat zij in de buurt waren om ons te beschermen tegen dit gevaarlijke beestje.

 


 

Woensdag 28 december.

We gaan afscheid nemen van Kokossin en de mensen die er ons dierbaar zijn. Blaise is al vroeg aanwezig en ook Ali laat zijn neus zien. Wat dorpsoudsten zijn ook al vroeg aanwezig en wat kinderen, met name jongens. Blaise heeft voor ‘zijn vrouw’ een ring mee gebracht en een zwart- groene armband. Kan ik ook in Nederland aan hem denken. Ik heb voor zijn dochtertje nog een pluchen konijntje, aangezien ik ze na onze aankomst niet meer gezien heb, geef ik dat aan hem voor haar mee.

De mannen van Kokossin krijgen nogmaals op het hart gedrukt de bomen goed te verzorgen en te voorzien van voldoende water in deze droge tijd en vooral ook niet te vergeten het hek te sluiten. Een aantal mannen heeft nog afscheidscadeaus bij zich in de vorm van peulh-hoeden, versierd met de Burkinese vlag. We zetten ze op, maken tot slot nog een foto van de groep en schudden de laatste handen.  Au revoir, Nindare. Onze spullen liggen samen met de keukeninventaris al op en in de wagen. De twee rammen die we van de muzelmannen en van de Naaba van Bolin hebben gekregen liggen vastgebonden op het dak. De motor van de auto draait al geruime tijd, we zijn klaar voor vertrek.

We zwaaien en draaien het pad op langs de barrage op weg naar de ouders van Josephine. Zij studeert in 2012 af in Luik, België als Doctor in de sociologie. Een hele prestatie voor een Burkinees meisje. We rijden binnendoor over allerhande wegen en paadjes. Veel mensen die langs de weg wonen zwaaien ons uit. We lijken hier wel beroemdheden. Onderweg zien we op veel plaatsen de schade die de regentijd heeft veroorzaakt. Diepe geulen in het landschap. De grote mangobomen, die vele jaren geleden door de witte paters in dit gebied zijn aangeplant zijn overal duidelijk aanwezig. Hun grote ronde kruin en platte onderkant zijn erg typerend voor deze boom en dus gemakkelijk te herkennen. Ze doen het erg goed en staan overal rijk in bloei. Ook zien we voor het eerst hele groepen palmbomen staan. We rijden langs de grote barragevan Gounghin en even verder op in een dorpje is dan ook een viswinkel te vinden, die adverteert met verse vis.

Dan op eens worden we staande gehouden door iemand aan de kant van de weg; hij vraagt aan Sjef of hij Joseph is, de zwager van pater Willy. Deze man blijkt dus Sjef wél te kennen, maar omgekeerd is dat niet het geval. Tijdens het volgende gesprek blijkt dat deze man catechist in de parochie van Gounghin is en dat hij Sjef vele jaren geleden in Gounghin ontmoet heeft. Père Willy is men in Gounghin nog lang niet vergeten!

Dan draaien we de grote weg van Ouaga naar Niger weer op. Een tweebaans asfalt weg. Na enkele kilometers bereiken we het huis van de ouders van Josephine. Moeder is op de binnenplaats van het huis en ziet ons als eerste. Stoelen worden aangesleept en even later komt de vader van Josephine binnen en spreekt in het Mooré tegen ons. Gelukkig hebben we genoeg mensen die het kunnen vertalen voor ons. Ook de vader van Roger komt even langs om ons te begroeten en ook de vader van een meisje dat ik een aantal jaren heb ondersteund komt langs om me te begroeten. Andrea had ik in Koupéla al ontmoet een paar dagen geleden. De taalbarrière laat zich voelen, hoewel Roger zijn best doet om een en ander voor elkaar te vertalen.

Papa Joseph realiseert zich wel dat uiteindelijk Josephine zelf al het werk en alle problemen heeft moeten overwinnen, maar dat dat zonder steun van Sjef toch nooit mogelijk geweest was. De ouders zijn er erg dankbaar voor. Er komt water en voor de liefhebbers dolo. Moeder blijft lange tijd buiten zicht en na enige tijd snappen we waarom. Ze brengt schalen binnen met tô en een sausje van gombo en heerlijk geroosterde kip. We genieten eigenlijk dagelijks van alles wat we voorgeschoteld krijgen. Koken kunnen ze hier wel, ondanks beperkte ingrediënten. De kip is hier altijd heerlijk, wat een verschil met dat wat we in Nederland hebben.

Tijd om op te stappen, een volgende afspraak wacht op ons in Balkiou. We laten de eerder gekregen rammen hier achter. Ze zullen vast een goede bestemming krijgen en wij kunnen ze in het vliegtuig toch ook niet eenvoudig mee nemen.

We rijden door Koupéla en slaan daarna rechtsaf richting Pouytenga. Balkiou is een gehucht dat nagenoeg tegen Pouytenga aangebouwd ligt. Het valt in ieder geval onder de gemeente Pouytenbga. Vlak voor de afslag zetten we Tina uit de wagen, aangezien ze hier een lift zal zoeken naar Ouaga.

Vlak na de afslag worden we door een aantal personen op brommers opgewacht. Zij rijden voor ons uit. Na de afslag naar Balkiou in Pouytenga beginnen ze luid te toeteren om onze aankomst aan te kondigen. De plaatselijke bevolking komt naar buiten, ziet ons en slaat ter begroeting de handen in een of zwaait enthousiast naar ons, de kinderen roepen nassara en rennen een stuk achter ons aan in de stofwolk die achter de auto hangt. Het voelt ook hier weer als thuiskomen. Bij ‘Gérard’ aankomen buigen we rechtsaf richting CSPS. Gérard was in 2008 een jongetje dat daar woonde en nagenoeg dagelijks als wij er langs kwamen bezig was met het bouwen van een Kerststal. Hij maakte eerst uit modder met behulp van een houten malletje steentjes, die nadat ze gedroogd waren werden gebruikt om er een kerststalletje mee te bouwen. De weg naar de CSPS werd in 2008 gemarkeerd door witte boomstammen. Dat witsel is er inmiddels wel af, maar de weg weten we nog feilloos te vinden. Het is nu niet ver meer. We zien in de verte de beide gebouwen al staan en ook aan de linkerkant de huizen van de verplegers, maar ook een nieuw gebouwde pharmacie! Ook voor Sjef is dat nieuw, want daarvoor is geen bijdrage aan Help Burkina gevraagd. In het midden staat een groep mensen ons op te wachten onder een afdak. De eerste die ik herken is Moise. De belangrijkste man rondom de CSPS en onze gids in 2008. Hij neemt ook het voortouw bij onze ontvangst nu. De burgemeester wordt geëxcuseerd, maar zijn rechterhand is wel aanwezig. Het water wordt gebracht. Dit komt uit de nieuwe pomp die tussen de beide gebouwen is geslagen nadat wij vorige keer hier vertrokken waren. De oude geeft in de droge tijd op een bepaald moment geen water meer en blijkt dat ook nu niet meer te doen. Moise heet daarna een ieder welkom en stelt de belangrijkste mensen voor. Men is erg blij en dankbaar voor deze CSPS voorziening in het dorp. Hij wordt druk bezocht en staat goed aangeschreven. Van de oorspronkelijke vier personeelsleden is men uitgegroeid naar negen man. Er is ook een ‘vroedman’, net als in Nederland is dat ook hier een zeldzaamheid. De rechterhand van de burgemeester geeft aan dat men ook in Pouytenga zeer blij is met deze CSPS en dat het voldoet aan een grote behoefte.

Onvermijdelijk komt daar natuurlijk de nieuwe vraag om hulp. Het ziekenhuis van Pouytenga en haar bestuur heeft gemeend uit eigen middelen een pharmacie te moeten plaatsen hier in Balkiou, waardoor de andere ruimte beschikbaar komt voor medische doeleinden. Maar met de uitbreiding van de medische staf is er ook een grote behoefte ontstaan aan nieuwe huisvesting voor het personeel. Of wij daarmee kunnen helpen.  We zijn dit soort vragen al wel gewend en dus wordt er ook hier geprobeerd diplomatiek te antwoorden, lastig, zullen er naar kijken, kunnen niets beloven, Help Burkina is maar een erg kleine stichting. Men snapt het, maar blijft wel hopen. Moise vertaalt een en ander en iedereen is erg begripvol.

Dan volgen de cadeautjes. Eerst krijgt Sjef twee handen vol met kippen en één tullepetaan (parelhoen). Dan komen er plastic tasjes. De zorg voor vrouwen neemt in deze CSPS een belangrijke plaats in naast de algemene gezondheidszorg en dus begint Moise met het uitreiken van het geschenk aan de in het gezelschap aanwezige dame. Hij laat het geschenk aan mij overhandigen door de Naaba van Balkiou. Ik krijg een prachtige blauwe katoenen handgeweven lap stof met een lichtblauwe print. De heren krijgen daarna een katoenen blouse/ jack met print.

We gaan samen met Moise de gebouwen bekijken. Ook hier zien we flinke kaartenbakken vol met gegevens van de zwangerschapscontroles die gedaan zijn. Voor zwangere vrouwen uit de buurt is prenatale zorg inmiddels ingeburgerd. Veel zwangerschappen en bevallingen worden hier begeleid door opgeleide verloskundigen. In de ziekenzaal bevindt zich een jonge moeder met haar pasgeboren kind. De etenspannetjes staan bij de muur, een wat oudere dame (oma?) heeft die voor haar meegebracht.

Het gebouw en de inventaris zien er nu drie jaar na de opening nog prima uit. Men is er zeer blij mee. Daarna gaan we naar het gebouw van de EHBO-post. Hier heeft men een extra kamer in gebruik genomen als spreekkamer om meer patiënten te kunnen behandelen. Vanwege de steeds groter wordende toeloop gebeurt het vaccineren in de hal aan een grote tafel. We voelen hoe men hier woekert met de ruimte. Toch wel een teken dat het goed loopt. Ook in dit gebouw veel volle kaartenbakken. Ook op de muur de ons al bekende statistische gegevens over de aantallen en soorten patiënten die men hier ziet. Eén van de personeelsleden vertelt over een onmogelijke situatie in oktober. Toen kreeg men hier in een week tijd 1000 gevallen van malaria te verwerken. De patiënten die niet naar huis konden omdat ze te ziek waren lagen overal, niet alleen in de ziekenzaal, maar ook in de gangen of waar men nog maar een stukje grond kon vinden. Het was toen echt verschrikkelijk. Gelukkig is het meestal niet zo erg. Op de ziekenzaal ligt op dit moment niemand en dus heeft het personeel ook even de gelegenheid gehad om bij onze ontvangst te zijn en ons nu rond te leiden. Twee van de verpleegkundigen waren er in 2008 ook al, hun bevalt het hier prima. In één van de kamers zien we twee brommers staan, die men van het ziekenhuis van Pouytenga heeft gekregen. Deze zijn om de verder gelegen dorpen ook te kunnen bezoeken voor medische ondersteuning en voor de uitvoering van het vaccinatieprogramma voor jonge kinderen. Tevens bevat dit gebouw net zoals die moederkliniek een slaapplek voor de verpleegkundige die ’s nachts dienst heeft.

Dan lopen we naar het ons onbekende gebouw dat midden op het terrein verschenen is. Gezien de grote toeloop heeft men vanuit Pouytenga besloten pharmacie te bouwen. Tussen alle pillendoosjes en verbandmiddelen is ook nog een slaapplek ingericht. Er wordt gevraagd wat we er van vinden als we terug keren in de schaduw. Het is natuurlijk geweldig om te zien dat zo’n groot project geweldig draait en voorziet in een enorme behoefte. Ook is het fijn te zien dat men ook zelf in staat is geweest een en ander uit te breiden met een extra gebouw en brommers, zonder ons weer om hulp te vragen. We hebben tenslotte in Douré gezien hoe men lijdzaam omgaat met de situatie, maar ogenschijnlijk niet echt actief is bij het oplossen van problemen. Om als voorbeeld maar even te noemen een niet werkend zonnepaneel als gevolg van losse draden en de band van de ambulance die gewoon lek staat, terwijl dat in geval van nood toch iets essentieels is.

De bijeenkomst wordt beëindigd en we gaan naar onze verblijfplaats in Balkiou deze dagen, zodat we de slaapplaatsen kunnen inrichten voordat de duisternis invalt. Men blijkt voor ons een pas gebouwd huis gereserveerd te hebben, een halletje en aan weerszijden één kamer. Dat het nog niet gebruikt is kunnen we goed zien aan de toilet. Ook een doucheruimte ontbreekt niet. De kippen die we gehad hebben worden in een ruimte gestopt, die waarschijnlijk bedoeld is als keuken. Plastic stoelen worden aangevoerd, het zal ons aan niets ontbreken. Eve heeft haar keuken al ingericht en is weer druk doende onze maaltijd te bereiden. We zitten vakbij de CEG waar we in 2008 veertien dagen gelogeerd hebben. Door de struiken heen kunnen we hem zien liggen. In het gedeelte waar wij nu verblijven is veel nieuwbouw gepleegd van met name betonstenen huizen en niet, zoals drie jaar terug hier nog heel veel voorkwam, in banco. We hebben er een rustige avond met wat aanloop van bekende en onbekende mensen en veel nieuwsgierige kinderen uit de omgeving.

 

 

 

 

 


 

Donderdag 29 december

We realiseren ons dat het einde van de reis langzamerhand in zicht komt. Vandaag zullen we door Moise mee genomen worden naar de oude heilige familiegronden. Aan het ontbijt horen we van het overlijden van een nichtje van hem tijdens de bevalling afgelopen nacht. Het bericht komt bij ons behoorlijk aan. Zij was aan het bevallen in de CSPS toen men besloot haar met spoed over te brengen naar het ziekenhuis van Pouytenga en later naar Koupéla, maar het mocht niet baten. Zowel moeder als kind zijn overleden. Zodra Moise verschijnt condoleren we hem met dit verschrikkelijke verlies. Hij is zichtbaar aangedaan. Ondanks dat wil Moise ons vandaag rondleiden door de omgeving. We gaan eerst via een slechte weg naar de gronden waar zijn familie oorspronkelijk vandaan komt. Dit ligt enkele kilometers van Balkiou in de richting van Zorgho. Hun woongebied lag oorspronkelijk aan de voet van een grote rots. Er bestaat een verhaal dat de familie daar door een andere groep min of meer weggejaagd werd aan de rand van een meer. Als wraak heeft een spiritueel leider van de stam toen dit meer laten veranderen in een rots, zodat het gebied voor de indringers minder aantrekkelijk zou worden.  De heilige grond heeft men toen in bakken geschept en deze meegenomen naar hun nieuwe leefgebied, het huidige Balkiou. Moise geeft aan dat het een verhaal is wat wel rond gaat, maar waar hij persoonlijk niet zoveel waarde aan hecht. Ook vertelt hij dat wie de rots wil betreden eigenlijk eerst door middel van een offer om toestemming moet vragen aan de geesten, want anders kan hem onheil overkomen. We hopen maar dat dat niet voor ons geldt. We beklimmen de grote rots en genieten boven van een prachtig uitzicht over de omgeving. Het is er heerlijk rustig. Gelukkig is de zon weer wat meer gaan schijnen, zodat het er nu ondanks de frisse wind erg aangenaam is. Na een kleine omgang lopen we door de lege akkers terug naar de auto. De oogst is overal binnen gehaald en de restanten ervan steken nog boven de grond uit. Ook liggen overal stenen die afgebroken zijn van de rots, verspreid over de akkers. Ik zie ook de gedroogde restanten van de oseille, een plant die gebruikt wordt om sauzen mee op smaak te maken, die gegeten wordt bij de dagelijkse tô. De zon heeft de restanten inmiddels behoorlijk gebleekt. Vorige keer waren ze nog rood-roze van kleur. We rijden binnendoor verder. Onderweg moet een aantal keren de weg gevraagd worden. Ik zit helemaal achterin te hotsen en te botsen, zodat Moise ook in de auto mee kan rijden. Ik heb aangeboden om achterin te kruipen. We rijden over smalle voetpaden, waarlangs de mensen ook naar de markt lopen vanuit de binnenlanden en die eigenlijk niet zo erg geschikt zijn voor een auto. Af en toe komt er een brommertje ons tegemoet. We passeren de dames, die we van bovenop de rots ook al hadden zien lopen met emmers op hun hoofden. Daniel stopt bij één van hen en vraagt wat ze in de emmer heeft. Ze laat zien dat ze jujube geplukt heeft. Het is een vitaminerijke vrucht met een behoorlijk pit erin. Ze geeft ons ongevraagd twee handen vol. We eten ze smakelijk op en gooien de pitten weer naar buiten. Hopelijk slaan ze hier in de toekomst aan, dan staat het hier straks vol met jujube- struiken. We komen terug op bekende weg. Een mooie vlakke piste bestaande uit rood zand. En tot onze verbazing zien we hier een heus verkeersbord dat aangeeft dat de maximale snelheid hier 40 km per uur zou zijn.  We rijden richting Pouytenga een grote rode stofwolk achter ons latend. We snappen de mensen, die als we ze passeren snel een doek voor hun gezicht trekken.

In Pouytenga stappen we even uit om te kijken of in het kader van een toilettenproject ook bij deze moskee de toiletten naar behoren gebouwd zijn en gebruikt worden. Ze worden gebruikt, dat is ons vanaf enige afstand al wel duidelijk en worden ook onderhouden, getuige de vegertjes die er in liggen. Het blijkt een moslimgroep te zijn die oorspronkelijk uit Niger komt, die hier in deze handelsstad is neergestreken. Ook vele andere nationaliteiten weten om die reden Pouytenga te vinden. Meestal zijn het mensen die komen om te handelen, maar er zijn er ook die alleen het geluk hopen te vinden in deze grote stad en anderen omdat de politieke situatie het te onveilig maakt in hun eigen land. Jammer genoeg is deze groep uit Niger behoorlijk extreem in Burkinese ogen. Zij dragen zwarte burka’s en als de mannen naar Mekka zijn geweest verplichten ze vaak hun vrouwen om geheel gesluierd te gaan. Een aantal zwaar gesluierde vrouwen was ons al opgevallen in de stad. Gelukkig zien we ook rond deze moskee nog zeer vele vrouwen zoals we dat overal in Burkina zien, zonder of met een kleine kleurige hoofddoek.

Achter deze moskee woont wat verder van de weg de grote Naaba van Pouytenga en hij heeft telefonisch laten weten het ook erg op prijs te stellen als we even bij hem aankomen. Dit soort afwijkingen van het programma ontstaan er telkens en hebben ook wel hun charme. Bij de grote Naaba aangekomen zien we wat jongens buiten spelen, vlak bij de Koninklijke graftombe. De Naaba is tenslotte een afstammeling van Koninklijke bloede. Deze ligt prominent op het erf van de Naaba. Men gelooft dat overledenen een soort verbinding gaan vormen tussen God en de mensen op aarde. Dus hoe meer verbindingen hoe beter het is. Door op het plateau te gaan zitten heeft men contact met de overledene en dus met God. Ook als gast mag je er dus gerust op gaan zitten. Eén van de vrouwen van de Naaba is buiten met haar kindje. De jongens komen ons begroeten en ook de vrouw staat op, maar de kleine op haar arm moet niets van ons hebben. Ze gaat verderop zitten op de graftombe in de schaduw van de boom. De jongens halen ondertussen stoelen voor ons om op te zitten. De Naaba komt op ons toe. Hij heeft duidelijk moeite met lopen en ook het betreden van de kleine verhoging waarop zijn stoel staat kost hem ondersteund door een stok behoorlijk wat moeite.  Hij is blij dat we toch nog even tijd gevonden hebben om bij hem langs te komen. Hij ziet er afgezien van zijn slechte lopen goed uit. In 2008 had hij nauwelijks gezichtsexpressie en sprak hij minimaal. Mogelijk was hij toen niet lekker, denk ik nu achteraf. Nu lacht hij volop. Hij snapt dat we weinig tijd hebben en heeft er begrip voor dat het bezoek slechts kort zal duren. Hij snapt ook dat we geen gebruik maken van de traditioneel zo belangrijk geachte gastvrijheid en dus niets blijven eten. Hij haalt 10.000 Cfa’s uit zijn borstzak en biedt dat ons aan. We kunnen dan uit zijn naam ergens iets gaan gebruiken waar het ons beter uit komt. We vertellen Moise, die de hele tijd alles vertaalt, dat we dat helemaal niet nodig vinden. Maar dat vertaalt Moise niet voor ons, maar geeft aan dat we niet anders kunnen dan het aannemen, omdat gastvrijheid in hun cultuur een heel belangrijk gegeven is.

Het programma brengt ons verder bij de “steengroeven”. Er is veel bedrijvigheid. Men begint als het water hoog staat met het maken van stenen boven in de  groeve. Naar mate het water zakt komt men vanzelf in lager gelegen gedeeltes terecht. Zolang er nog water in de groeve staat kan men stenen maken. Het water staat al behoorlijk laag en dus is men in diepe kuilen bezig de klei te halen om die met mallen, ik zie hier ook metalen mallen, de stenen te vormen. De restanten klei die boven zijn achter gebleven vormen een prachtig landschap.

Overal zie je met name jongens en mannen hiermee bezig, maar ook een enkele vrouw. Afhankelijk van de laag waaruit men de klein haalt is deze wit, geel of zelfs rood. Nadat de klei goed is omgeschept en zo nodig van extra water is voorzien wordt hij in de mal geschept en aangedrukt. Daarna wordt de mal verwijderd en kan de steen drogen in de zon. Na een bepaalde tijd wordt hij dan omgedraaid om ook de andere kant te laten drogen. Tenslotte wordt hij op een zijkant gezet, zodat beide grote kanten goed droog kunnen worden. Ook zie ik hier en daar merktekens staan op de bovenkant van de stenen. Zodoende is het duidelijk van wie de gemaakte stenen zijn. Mensen die stenen willen kopen betalen hier vijf Cfa per steen. Het zijn natuurlijk geen stenen die eindeloos mee gaan, maar als ze wat beschermd worden door een rieten dak of door een laag specie, zoals ze tegenwoordig hoe langer hoe meer doen, kunnen ze toch geruime tijd meegaan. Onbeschermde stenen nemen in de regentijd weer water op, worden zacht en slijten daardoor hard.

Voor de runderen is dit gebied zolang het water niet te diep staat een prima gebied om water te drinken. Als het water echter te diep gaat komen zullen de herders verder weg naar geschikt drinkwater moeten zoeken.

We lopen door en komen langs de smeden. Een zevental jongens en mannen zit in de schaduw van de boom op de grond met een klein houtskoolvuurtje voor zich. Daarin liggen kleine stukjes metaal, die zij op kleine aambeeldjes tot een soort draad slaan. Na elke slag wordt het stukje metaal met het tangetje een beetje rond gedraaid. Een ander maakt van deze draadjes daarna om een metalen buis ringetjes, door er met een flinke tak op te slaan. Een man die Frans spreekt en mijn fototoestel om mijn nek ziet hangen geeft aan dat we gerust foto’s mogen maken en laat ons duidelijk zien wat hij doet. Zo zittend op de grond toch niet echt een fijn werkje. Maar als je hiermee wat inkomsten kunt verwerven is dat toch ook weer mooi meegenomen. Een stukje verderop zitten de vrouwen ook met metaal armbandjes te vouwen. De een maakt de uiteindjes door ze met een tangetje te buigen in de juiste maat en vorm. De anderen bevestigen drie stukje draad met deze uiteindes  aan elkaar, waarna het geheel in de juiste vorm wordt gebogen. Ook zij vinden het prima dat we kijken en foto’s maken. Een dergelijk armbandje heb ik vorige keer al eens mee genomen. Het is eigenlijk niet geschikt om te dragen omdat het meteen een zwarte aanslag op je huid veroorzaakt. We bedanken ook hen voor de gastvrijheid en het feit dat we vrij mochten toekijken. We hebben kunnen zien dat eigenlijk de gehele familie zich bezig houdt met het maken van sieraden.

Onderweg passeren we het huis van de imam en Moise stelt voor ook hem even te begroeten. Hij stelt het zeer op prijs dat we aankomen en komt vrolijk naar buiten om ons te begroeten. Hij bedankt ons ook nog voor de CSPS. Een geluid dat we eigenlijk overal in de omgeving bij wie we ook bezoeken te horen krijgen.

We rijden terug richting Balkiou en passeren de dam bij de barrage. Een plaats waar altijd wel wat de doen is. De vrouwen zijn er massaal hun kleding aan het wassen, zij brengen die in grote schalen op hun hoofd mee van huis. Na het boenen en schrobben om alles weer schoon te krijgen leggen ze het op de kant te drogen in de zon. Elders komen herders met hun runderen om er te drinken. Op weer een andere plaats staan er mensen die hun brommers of zelfs auto’s laten wassen. Deze autowasserij zit er nu voor het eerste en blijkt een gat in de markt. Eigenlijk altijd als je er langs rijdt zie je wel weer auto’s staan die gewassen worden. Een creatieve geest zo blijkt hier maar weer, kan hier zo zijn boterham verdienen. Ook staan er ezelkarretjes met grote metalen tonnen die gevuld worden met hetzelfde water, een tiental meter verder op, voor de dagelijkse drinkwaterbehoefte. Bij de kwaliteit van dit ‘drinkwater’ kun je natuurlijk wel grote vraagtekens zetten, nog afgezien van het feit dat deze barrage ook het eindpunt is van de riolering van Pouytenga! Er is altijd veel bedrijvigheid rondom deze dam en barrage. Aan de andere kant van de barrage, die van hier af niet zo goed te zien is weet ik dat het water tevens gebruikt wordt voor de irrigatie van onder andere rijstvelden.

Na het eten is het overal rustig op straat en ook wij passen ons daar graag aan aan. Slechts een enkeling zie je nog wat werken, maar eigenlijk lijkt het leven overal stil te vallen. Ik zit heerlijk rustig in de schaduw van ons afdakje aan mijn reisverslag te werken als ik zie hoe kippen aan de restantjes van onze kippenkluifjes zitten te pikken. Deze liggen nog tegen het huis te wachten op opruiming. Ik wist niet dat ze kannibalen waren. Maar het schijnt ook hen goed te smaken. Kinderen zitten eerst wat verder weg naar me te kijken en komen langzamerhand dichterbij. Een meisje rent naar een plaatsje achter de toilet als ik naar haar kijk, terwijl de rest rustig op de zandhoop, die voor het huis ligt, blijft zitten. Daniel vraagt of ik last van ze heb. Nee hoor, ik vind het eigenlijk wel grappig, zoals ze nieuwsgierig zitten te kijken en voorzichtig aan telkens dichterbij komen. Dan trekt het meisje dat eerst het bangste leek de stoute schoenen aan en komt me een hand geven. Ja, en als er één schaap over de dam is, ……. Daarna gaan ze rustig zitten praten in een hoekje vlakbij het huis.

Na drieën hebben we een afspraak met het personeel van de CSPS. Zij zitten al op ons te wachten als we er aan komen. Het personeel spreekt op één man na allemaal Mooré. Deze man blijkt uit het Malinkagebied te komen nabij Mali en dus de lokale taal niet te spreken. Hij zegt zich hier toch wel redelijk te kunnen redden. De rest spreekt gelukkig wel de lokale taal. Voor diegenen die naar school zijn geweest is de Franse taal geen probleem, maar voor de anderen en met name de wat oudere generaties (30 tot 40 plussers) is de Franse taal wel degelijk een probleem. Dat merken we overal tijdens onze bezoeken aan de dorpen de afgelopen veertien dagen. De jeugd spreekt over het algemeen wel Frans. De ouderen zijn aangewezen op een tolk.

Wij hebben voor de CSPS nog wat spullen bij ons zoals verbandmiddelen, medicijnen en oude brillen. Ze zijn er erg blij mee. Moise vraagt aan het personeel of ze nog vragen hebben aan ons. Eén verpleegster toont ons daarop een bloeddrukmeter. Ze vertelt dat dat de enige is waarover ze in de twee gebouwen kunnen beschikken. Ook degenen die met de brommer de dorpen in gaat heeft er dus geen. Het is echt te weinig geeft ze aan om het werk goed te kunnen doen. Een ander vult aan, als ze dan toch dingen mogen vragen of we kunnen kijken of een elektrische bloeddrukmeter mogelijk is. We beloven er naar uit te zullen kijken.

Dan is de verpleger aan de beurt, ja hij heeft ook nog wel een wens, ….. een nieuw gebouw. Hij heeft gisteren blijkbaar niet gesnapt dat de middelen van de Stichting niet eindeloos zijn, waarmee aangegeven werd dat grote projecten op dit moment eigenlijk niet realiseerbaar zijn. Dit verzoek valt zeker onder het hoofdstuk iets groots, zegt Moise, waarmee hij ons uit deze wat lastige positie redt.

We praten over hun werk, waarbij niet alleen EHBO, pre- en postnatale zorg en bevallingen vallen, maar ook vaccinatie programma’s uitvoeren ter plaatse en ook in de omliggende dorpen, bespreekbaar maken en verzorgen van gezinsplanning. De cijfers worden getoond van alle behandelingen die men hier het afgelopen jaar heeft verricht. Om hoeveel individuele patiënten het gaat kan men hier niet uit aflezen, aangezien elke behandeling wordt genoteerd en niet of de patiënt al eerder voor hetzelfde hier geweest is. Het ziet er desalniettemin indrukwekkend uit voor een betrekkelijk kleine locatie. Ook wordt standaard bij elke zwangerschap een HIV/aids test aangeboden. We kunnen zien dat de meerderheid van de vrouwen zo’n test toestaat. De meesten zijn gelukkig negatief, maar hier en daar staat toch ook wel een positieve test. Deze vrouwen worden in het belang van henzelf en van hun kind doorverwezen voor verdere zorg en begeleiding tijdens de bevalling naar het ziekenhuis van Pouytenga. Wie geen toestemming geeft wordt ook verwezen naar Pouytenga. Op onze vraag of de mannen van deze vrouwen ook getest worden, luidt het antwoord, dat sommige mannen dat inderdaad doen, maar dat er ook zijn die geen test willen. Hun wordt dan wel op het risico gewezen, meer is niet mogelijk. De verpleegster naast me vraagt of ik haar armbanden in diverse vrolijke kleuren mooi vind. Ik hou wel van fleurige kleuren, dus ik antwoord dat ik ze mooi vind. Ze staat even later op en komt terug met een hier in Burkina voor mij wel berucht zwart plastic tasje. Ze geeft het aan Moise. Hij begint er een aantal om mijn arm te schuiven in verschillende kleuren. Het gevoel wat je overal bekruipt, maar dit hoeft toch niet, het had niet gehoeven, bekruipt me hier ook. Van de andere kant is het erg attent en aardig. Een barka, barka (dank, dank) is dan ook op zijn plaats.

Moise vertelt ons tussen neus en lippen door ook nog dat zijn kinderen vanavond voor de maaltijd zullen zorgen. We stellen dit zeer opprijs, zeker nu de familie ongetwijfeld meer met andere dingen bezig zal zijn vandaag, dan met de ontvangst van Nederlandse gasten. Wij kunnen het echter niet aan hen merken.

Bij terugkeer van het bezoek aan de CSPS blijkt Ame twee armbandjes voor me te hebben afgegeven. Ik weet niet wie dat is, maar het schijnt een familielid te zijn van Eve. Blij verrast doe ik ze om mijn linker pols. Aan de rechtpols zitten de vijf armbanden die ik zojuist bij de CSPS heb gekregen. Later op de avond komt Ame langs. Zij blijkt de moeder te zijn van het nichtje van Efe dat haar helpt bij de werkzaamheden in de keuken. Blij dat ik ze aangedaan heb, bedank ik haar voor de attentie.

Dan wordt een aantal pannen met eten gebracht. We smikkelen weer heerlijk, terwijl de wind erg fris aan het worden is en ook wij onze truien maar tevoorschijn halen.

We genieten nog heerlijk van een rustige avond. Daniel heeft nog wat Ghanees brood gekocht. We kennen het niet dus willen we er wel wat van proberen. Het blijkt een soort gevlochten wit brood te zijn met suiker. Het smaakt prima. Het geluid van de straat wordt minder en alleen in de verte horen we nog verkeer rijden op de hoofdstraat van Pouytenga. Daarnaast natuurlijk het onvermijdelijke getjirp van de krekels en soms nog wat andere dieren die even van zich laten horen. Langzamerhand gaat iedereen en ook wij slapen. De één na laatste avond in Burkina is aangebroken.

 

 

 

 

 

 

 

 


 

Vrijdag 30 december.

‘s Morgens zijn we allemaal al redelijk vroeg wakker. Om zeven uur zitten we al gewassen en bijna ingepakt te ontbijten. Er staat nog steeds een frisse wind en dus toch nog maar eerst even de truien aan. Na het ontbijt alle restanten nog in en op de wagen geladen, handen geschud, gezwaaid en ‘au revoir Balkiou’. Goed acht uur zijn we zodoende al op weg naar de familie van Pascaline in Pouytenga om daar twee geleende stoelen terug te brengen. Moise zou ons om negen uur uit komen zwaaien, dus hij wordt gebeld dat we wat vroeger zijn en inmiddels al in Pouytenga gearriveerd zijn. Moise zelf komt uit Koupéla. De familie begroet ons bij hun huis en stoelen worden naar buiten gedragen. Even later komt ook de vader van Pascaline keurig aangekleed naar buiten, voorzien van zijn Naaba hoofddeksel. Hij biedt ons zo ’s morgens vroeg al een Schotse whisky aan. We slaan dat vriendelijk af. Over en weer bedanken we iedereen. Zij zijn niet alleen heel blij en tevreden met de CSPS, wij zijn ook dankbaar voor zo’n gastvrije ontvangst. Ook op ons maakt dat telkens weer indruk. Overal vriendelijke mensen. Iedereen lijkt blij te zijn met onze aanwezigheid. Het feit dat we iemand zijn gloednieuwe huis mochten gebruiken en natuurlijk ook nog de geschenken, die we op diverse plaatsen en van diverse mensen mochten ontvangen. Barka, Barka, Wusgo.

Moise komt aangereden in zijn auto en dan nemen we afscheid van allen. We besluiten ook nog even langs te gaan bij de nonnen. Dit staat niet in ons programma en we hopen dus het bezoek kort te kunnen houden. Alleen even kijken of het in 2008 samen met de leerlingen geschonken weefgetouw nog aan alle wensen voldoet en Zuster Bernadette even groeten. Zr. Bernadette vangt in haar klooster, ongeacht hun religieuze achtergrond, jonge moeders op en meisjes die van huis zijn weggelopen omdat ze niet wilden trouwen met de man die voor hen geregeld was. Vaak betreft het in dit soort gevallen meisjes uit de dorpen, die als derde of vierde vrouw worden uitgehuwelijkt aan bijna bejaarde mannen. Als ze dit weigeren, rest hen eigenlijk niets anders dan vertrekken uit het dorp, want ze worden nergens meer toegelaten. Ze zijn dan een schande voor de familie. Ook meisjes die ongehuwd zwanger raken treft meestal ditzelfde lot. Zr. Bernadette, vangt hen met haar medezusters liefdevol op en probeert ze middels opleiding zo ver te krijgen dat zij in staat zijn na enige tijd om zelf voor een inkomen te zorgen en dus weer zelfstandig de maatschappij in kunnen. Sommige van deze meisjes besluiten om ook het klooster in te gaan.

Zr. Bernadette blijkt niet meer aanwezig, evenmin als de toenmalige moeder overste: beiden zijn overgeplaatst naar Côte d’Ivoire. Beiden zijn vervangen door ons onbekende zusters. Als ze van te voren geweten hadden dat wij langskwamen zouden ze er zeker voor gezorgd hebben dat we het weefgetouw konden zien werken. Op dit moment is men nog druk bezig met de nasleep van het Kerstfeest en met de jaarwisseling. Maar binnenkort gaat het zeker weer gebruikt worden. Het werkt nog prima, zo verzekert zij ons. Het apparaat staat nu in de opslag. Een beetje jammer, maar we zijn blij dat het in ieder geval nog goed werkt en dienst doet. Sjef geeft zijn mailadres aan de zuster en blijkbaar doet de naam erin wel een belletje rinkelen. Want dan opeens vraagt ze of Sjef Père Willy kent. Als dat je zwager is, dan ken je die natuurlijk wel. Waar de zuster eerst wat afstandelijk bleef komt ze nu opeens los. Ze vertelt dat ze hem goed kent vanuit de parochie. Leuk te zien hoe die naam altijd invloed heeft op het gedrag van mensen.

We houden het verder kort, want het is niet onze bedoeling de dagelijkse bezigheden te verstoren en met een “doe de groeten aan Zr. Bernadette als ze terug is” klimmen we weer in de wagen om onze terugreis naar Ouaga te hervatten.

De temperatuur stijgt langzaam, waardoor de kille wind voor ons minder onaangenaam aanvoelt. Onderweg weer overal overvolle wagens met bromfietsen, kippen, goederen, tassen en met name ook jongens en mannen die aan de achterkant van de wagens hangen of er bovenop op de brommers zitten. Op vele plaatsen zien we mensen bezig bij waterpoelen met het maken van banco stenen. Hiermee kunnen ze later in het seizoen hun huizen weer repareren of nieuwe huizen gaan bouwen. Met name dat laatste zal zeker de komende jaren nog hard nodig zijn als we zien hoeveel jonge kinderen overal rondlopen. We kunnen natuurlijk niet altijd goed inschatten om hoeveel gezinnen het gaat, die achter een poort wonen, maar vaak komt er al gauw een tiental kinderen tevoorschijn als we iemand begroeten. Ook deze kinderen zullen in de nabije toekomst weer een woning nodig hebben. Als men rijk genoeg is bouwt men natuurlijk liever een echt stenen huis, en dat zie je dan ook overal in een snel tempo gebeuren. Als men minder rijk is zal men voorlopig toch afhankelijke blijven van de veel goedkopere bouwstijl met behulp van banco stenen. Wat ik vorige keer minder zag en wat je nu eigenlijk op veel plaatsen ziet, is dat men bezig is met behulp van mallen stenen te maken van metselspecie. Toch wel een teken dat het hier en daar in ieder geval beter lijkt te gaan.

We rijden door een groen landschap en vervolgens verandert dat in geel van de acaciabomen. Het landschap wisselt snel van uiterlijk. Dan opeens verschijnen er grote stenen en rotsen in het landschap. Deze zijn opvallend genoeg nog behoorlijk begroeid met onder andere prachtige baobabbomen. In de verte rijzen vier tafelbergen boven het landschap uit. Ook niet iets wat je in dit overwegend vlakke landschap veel ziet. Dan geeft een paaltje langs de weg aan dat het nog 40 kilometer naar Ouaga is. Ik zit op dat moment bijna weg te dutten in de steeds warmer wordende auto. We passeren de twee omvergereden verkeersportalen. Aan beide zijden liggen nu behoorlijke drempels en een verkeersbord dat een maximum snelheid gebiedt van 30 kilometer per uur. Op veel meer plaatsen zijn verkeersborden verschenen sinds 2008, toen ze buiten Ouaga nauwelijks aanwezig waren. De geasfalteerde weg is over het algemeen in prima staat. Hier en daar zijn wat reparatieplekken zichtbaar.

In Ouaga nemen we afscheid van Eve. Zij heeft prima voor onze inwendige mens gezorgd op de dagen dat we buiten Ouaga verbleven. Ze deed de benodigde boodschappen, maakte de maaltijden klaar zorgde voor voldoende koffie en thee, deed de afwas en ’s morgens stond voor wie dat wilde al een emmer warm water klaar om te douchen. Ze is als een soort familiedienst met ons mee gegaan, maar heeft het verblijf voor ons wel een stuk veraangenaamd. We hadden totaal geen zorgen over onze maaltijden. Ze kookte heerlijk en zorgde dat we nooit iets te kort kwamen. Een fooi is dan ook zeker op zijn plaats voor al haar inspanningen.

’s Avonds rond half acht worden we bij de prins, de Larlé Naaba Tigr  verwacht voor een culturele avond en aansluitend diner. We horen dat ook de Nederlandse ambassadeur de heer Ernst Noorman, de zaakgelastigde van Luxemburg, een minister van Burkina Faso en een afgevaardigde van de Verenigde Naties aanwezig zullen zijn. Kortom er is hoog bezoek. De schriftelijke uitnodiging voor de avond krijgen we pas na afloop van de avond, maar ja, we weten: in Burkina is er nauwelijks postbezorging. Veel mensen hebben niet eens een postadres. Daarop stond dat het een uitnodiging was ter gelegenheid van het vertrek uit Burkina van de heer Rol Reiland, zaakgelastigde van het Groot Hertogdom Luxemburg en van zijn partnes van de Stichting Help Burkina uit Nederland.

‘Zijne excellentie de Larlé Naaba Tigr , Minister van zijne Majesteit de Moogho Naaba,

Voorzitter van de Association Belwet vraagt ons hem met onze aanwezigheid te willen vereren tijdens een diner dat zal volgen op culturele activiteiten op vrijdag 30 december 2011 van half acht tot half tien in zijn gebruikelijke residentie in sector tien’.

 

Na aankomst zien we twee blanke heren elkaar heel amicaal begroeten, niet moeilijk om te raden dat dit waarschijnlijk de Nederlandse Ambassadeur en de Luxemburgse zaakgelastigde zijn. Dat die twee elkaar goed kennen is ons meteen als ze arriveren al duidelijk. Dan komt een van beiden op ons af en ja hoor hij blijkt de Nederlandse Ambassadeur te zijn. Hij heeft, zo blijkt, al overleg gehad met zijn tweede man, die we al twee maal ontmoet hebben, want hij blijkt goed van alles op de hoogte te zijn. Ook hij geeft aan het jammer te vinden dat we zonder leerlingen zijn gekomen en legt ons nogmaals uit hoe een reisadvies tot stand komt. Als er ergens getwijfeld wordt aan de veiligheid in een bepaald deel van het land wordt het reisadvies onmiddellijk aangepast. Het reisadvies komt tot stand na raadpleging van diverse zeer betrouwbare bronnen.  Hij geeft ook aan desgewenst onze directeur nader uitleg te willen geven.

We worden ook voorgesteld aan de andere gasten. Korte tijd later arriveert de Larlé Naaba zelf met zijn bekende vlotte tred, zijn ruime gewaad achter hem aan wapperend. Allen worden op de van hem bekende joviale manier begroet. Als hechte vrienden worden we op zijn Burkinees begroet met vier maal het hoofd afwisselend links en rechts tegen elkaar te drukken. Eigenlijk als je er zo over nadenkt is het toch geweldig dat wij als ‘gewone’ Nederlanders zo ontvangen worden door de op één na hoogste Naaba in de traditionele rangen. Officieel niet echt van betekenis, de President is de baas over het land, maar in de praktijk hebben de Naaba’s nog behoorlijk wat in de politieke pap te brokkelen.

De Larlé Naaba trekt zich even terug in zijn paleis en wij worden begeleid naar onze plaatsen in een overkapte ontvangsthal. Op een kleine verhoging staan de stoelen al naast elkaar klaar. Eerst wordt de hoogsten in rang een stoel gewezen net naast de stoel van de Larlé Naaba en daarna volgen wij. Langzamerhand stromen ook de stoelen aan de zijkant vol met, naar we later horen, Naaba’s en andere volwassenen die zich samen met de Larlé bezig houden met het behoud van tradities. Daarachter komt een hele groep kinderen, die ook in alle rust plaats neemt.

Iedereen staat op als de Larlé Naaba gekleed in een prachtig traditioneel kostuum binnen treedt. De Naaba’s beginnen de bijeenkomst met het brengen van de traditionele groet, waarbij ze voor de Larlé Naaba gaan zitten op de grond en met hun bovenlichaam voorover buigen terwijl ze diverse handgebaren maken. Een ervan lijkt op het wassen van de handen.

Daarna neemt de Larlé Naaba de microfoon en heet hij iedereen van harte welkom. Hij begint daarbij natuurlijk met de hoogste onder de genodigden in de diplomatieke rangen. Sjef krijgt het woord en daarna de Luxemburger. Deze kijkt, omdat hij zijn vier jaar diplomatieke dienst in Burkina er op heeft zitten, terug op een fijne en zinvolle periode zo vertelt hij. Het is een echte diplomaat en is ook lang van stof. Hij prijst de Larlé Naaba voor zijn initiatieven rondom Belwet en de experimenten die hij daar geïnitieerd heeft op het gebied van landbouw en productieverbeteringen. De Nederlandse ambassadeur vertelt over de goede relatie met de Larlé Naaba en de door Nederland verstrekte microkredieten aan vrouwen rondom dit project. Ook de VN afgevaardigde krijgt kort het woord.

Dan is het tijd voor cultuur en vermaak. Twee balafoonspelers, die begeleid worden door enkele andere slag- en ritme-instrumenten betreden de ruimte. Ze spelen alsof hun leven er van af hangt. En binnen de kortste keren worden we door de Naaba uitgenodigd mee te dansen op de maat van de muziek. We hebben samen veel plezier. Dan mogen we weer gaan zitten en bespeelt één van de balafoonspelers zijn instrument in allerlei houdingen en standen, tot groot vermaak van alle aanwezigen. We worden nogmaals de vloer op gevraagd. De Nederlandse ambassadeur is duidelijk in zijn element en danst vrolijk rond met de Larlé Naaba. De Luxemburger heeft ook veel plezier, maar duidelijk meer moeite met de Afrikaanse soepelheid. Wij en ook het publiek genieten van het geheel.
Dan komt voor mij persoonlijk wel het hoogtepunt van deze avond. Ik ben al geruime tijd gefascineerd door het verschijnsel maskerdansen, hoewel ik het nog nooit life gezien heb. De meeste bevolkingsgroepen in Burkina hebben allemaal zo hun eigen maskerstijlen. Meestal bij allerhande belangrijke momenten in het leven treden deze maskerdansers op. Ik ben toevallig er een keer tegen aan gelopen op het internet en heb er veel over gelezen. Dan komt er ineens zomaar een hele groep binnen. Ik ben meteen enthousiast. Geweldig. Sommige dieren herken ik meteen een hinde (biche), een rund, leeuw, aap en nog wat andere dieren. De mannen maken met hun masker op hun hoofd felle bewegingen. Het is een wonder dat hun maskers daarbij niet afvallen. Een fantastisch spektakel voltrekt zich zo voor onze ogen. Dan nemen de ‘maskers’ plaats in de hoeken van de zaal en komt een olifant binnen. Deze slaat met zijn slurf een aantal maal op de trommel en begint dan op zijn vier poten te dansen. In de olifant zitten twee personen, mannen gok ik, aangezien maskerdansen overwegend door mannen wordt uitgevoerd. Ook deze beweegt wild en snel door de zaal. Dan valt er op eens een babiolifantje onder hem uit. Het publiek reageert vertederd. Als dan ook nog blijkt dat dit olifantje op staat en ook gaat dansen is het feest compleet. Dan verschijnt er ook nog een gnoe(?). Samen met de olifant voert ook hij een dans uit, waarbij ze om de beurt hoog op hun achterste poten komen te staan als in een soort strijd. De gnoe lijkt het op het eind te winnen van de olifant. Dan dansen alle maskers tezamen. Het wordt wat vol op het middenterrein en vooral met de twee grote beesten, die achter niet kunnen zien waar ze bewegen, moet het publiek toch wel af en toe zijn benen intrekken. De olifant en gnoe vertrekken en ook wij mogen nog even met hen dansen. Dan nemen de maskersdansers hun maskers af en beëindigen ze hun optreden. Wat is dit genieten. De avond kan niet meer kapot.

Maar het is nog niet afgelopen. Er komt een groep warbadansers binnengedanst. Opvallend aan deze groep is dat er ook één dame in mee danst. Meestal zijn warbadansers mannen. De vrouw doet zeker niet voor de mannen onder. Bij de opening van de naaischool hebben we al een soortgelijke groep gezien uit Pouytenga. Met ontzettend snelle heupbewegingen, waarbij de romp en het hoofd nauwelijks bewegen, dansen zij op het ritme van de muziek. Om hun heupen zit een soort ouderwetse zwabber gebonden, die met hun bewegingen mee heen en weer beweegt en deze accentueert. De dansers van Pouytenga hadden zelf nog een metalen ring om de duim, waarmee ze tegen een metalen pin aan tikten om hun dans ritmisch te ondersteunen. Hier wordt dat uitbesteed aan begeleidingsgroep. Eerst dansen zij als groep in allerhande figuren en opstellingen later ook individueel. Zelfs bijna liggend, steunend op één arm is men nog in staat de heupen goed te bewegen, het is geweldig wat ze laten zien. Dan is het weer tijd voor actie van de gasten. Eén van de dansers geeft het stokje, dat hij in zijn hand vast heeft, aan één van de gasten ten teken dat hij je vraagt om mee te doen. De Nederlandse ambassadeur is als eerste de ‘klos’. Hij danst enthousiast mee en krijgt een enorm applaus. Daarna heb ik de ‘eer’ om met de enige dame uit de groep te dansen. Ook ik laat me maar gaan en het publiek klapt vrolijk en lachend mee. Zo ondergaat menigeen zijn lot. Dan nemen de dansers zelf de dansvloer weer over en het tempo lijkt zo mogelijk nog verhoogd te worden. Het tempo vertraagt even later weer en de Larlé Naaba stapt de vloer op, blijkbaar een teken voor alle genodigde om te volgen. We swingen vrolijk lachend met de hele groep. Dan vertrekt de Larlé Naaba, terwijl de muziek nog door gaat en wij worden uitgenodigd hem te volgen. Op naar het diner. De ‘gewone’ gasten gaan naar huis en wij volgende de prins de eetzaal in. De tafels staan aan de buitenkant met stoelen aan de muurzijde. De tafels zijn gedekt met een rood tafelkleed en bij iedere stoel staan diverse glazen. Ook het bestek en servetten liggen al keurig gedekt op ons te wachten.

De Larlé Naaba neemt plaats op een bank en wij krijgen een plaats aangewezen op stoelen aan zijn linkerhand. Op de bank aan zijn rechterhand komen de Luxemburgse zaakgelastigde en de Nederlandse ambassadeur te zitten. De obers lopen langs en schenken bij iedereen een glas vol met water. Daarna volgt een rondje met champagne en tot slot kan men nog kiezen om frisdrank, bier en/ of rode wijn te laten inschenken. Het maakt niet uit wat je al gekozen hebt, bij elke nieuwe drank krijg je gewoon weer de vraag of je het wil.

De Larlé Naaba heet nogmaals iedereen welkom en hoopt dat wij van de avond genoten hebben. Hij zegt het voor dit moment kort te willen houden, want ‘iedereen zal wel honger hebben’. Gezien het tijdstip en het dansen een terechte gedachte. In het kader dames eerst, worden de vier dames in het verder uit heren bestaand gezelschap uitgenodigd het buffet te openen. Heerlijke rauwkost, haricot verts in een sausje, iets wat ik herken als tô, maar door sommige anderen door de langwerpige vorm met in de lengterichting een soort streep als vis wordt aangezien, aardappeltjes, enz.

Vanaf haar plaats aan de overkant van de zaal gebaart Pascaline me gewoon te beginnen en niet te wachten totdat de anderen hun bord gevuld hebben. Zodoende zit ik al ruimschoots voor de anderen terug zijn lekker te smullen van dit prinselijk diner. Pascaline komt ons even later waarschuwen dat de tô gemaakt is van haricotverts en dus mogelijk laxerend kan werken. Met hier en daar wat ingewandproblemen, misschien een terechte waarschuwing.

Als iedereen ongeveer klaar is worden de vuile borden en bestek opgehaald en krijgen we een fruitspies aangeboden. Heerlijk vers en rijp fruit. Een lekker einde van dit diner.

Dan wordt het tijd voor de afscheidsspeeches. Als eerste zijn wij tot onze verbazing aan de beurt. Eén voor een worden we naar voren gehaald en krijgen een twaalfpersoons tafellaken met Burkinese print en bijbehorende servetten. Voor de heren een fraaie katoen blouse en voor mij een lange katoenen jurk met fraai borduursel. Voor wie van ons dacht dat er koffers mee leeg terug naar Nederland zouden gaan een tegenvaller. Een flink pakket mogen we op deze laatste avond nog stoppen bij de vele cadeaus die we de afgelopen veertien dagen overal hebben mogen ontvangen. Barka, Barka, Wusgo. Hier hadden we er al helemaal niet op gerekend. Dat we hier ontvangen mochten worden vonden we op zich al een hele eer. Cadeaus erbij maakt dat deze toch al geweldige ervaring nog een extra dimensie krijgt. De vertrekkende zaakgelastigde van Luxemburg wordt daarna toegesproken en bedankt voor zijn enthousiaste inzet voor de Burkinese bevolking en ook deze mocht cadeaus ontvangen. Hij kreeg, net als Kees eerder wel het persoonlijke advies mee, te gaan zoeken naar een levensgezellin, want zo zei de Prins, dat maakte ook je persoonlijke leven completer. Dan zou hij met haar aan dit tafelkleed gezellig kunnen gaan dineren. De Luxemburger kreeg tot slot het laatste woord. Hij bedankte nogmaals voor de geweldige en vriendschappelijke samenwerking gedurende de afgelopen jaren en wenste een ieder veel succes met de verdere ontwikkeling van de in gang gezette projecten.

We vertrokken waarbij we de prins uitgebreid bedankten en spraken de wens uit in de toekomst elkaar weer te kunnen ontmoeten. Zo is er, het klinkt misschien wat saai opnieuw een hoogtepunt toegevoegd aan deze reis, waarvan we nog geen seconde spijt gehad hebben.

 


 

Zaterdag 31 december.

De laatste dag van het jaar, maar ook die van onze reis is aangebroken. Het ontbijt staat al om zeven uur gepland bij Pascaline en dus zijn we al vroeg op pad. Eerst alvast wat spullen in de koffers gedaan. Voor de rest hebben we straks nog wel tijd. We gaan ook nog de spullen die we bij Oumar besteld hebben ophalen. Oorspronkelijk zouden we dat gistermiddag gedaan hebben, maar Oumar had ons laten weten die middag een begrafenis te hebben van een familielid, die de dag ervoor was overleden. Het wordt afgezien van het bezoek aan Oumar verder een rustige dag. Daniel brengt ons naar het stalletje van Oumar, waar alle spullen al keurig op ons staan te wachten. De djembée voor Kees, de kleine bronzen djembéetjes die op ons verzoek nog zijn gemaakt. Oumar laat zien dat zijn vingers toch wel wat beschadigd zijn geraakt bij het vijlen ervan, om zodoende tot een prachtig resultaat te komen. We kunnen ons er wat bij voorstellen, dankzij de dag die we met hem hebben doorgebracht. Vooral het minuscuul kleine gepriegel moet toch niet eenvoudig zijn. Mijn vrouw met baby en canari op het hoofd staat te blinken, de djembéespelers en nog zo meer. Oumar grijpt gelijk de gelegenheid aan als een echte verkoper om te kijken of we nog in meer uit zijn stalletje geïnteresseerd zijn. Als alles duidelijk is gaan we praten over de prijzen. Afgezien van de problemen van het omrekenen van Cfa’s naar Euro’s, zijn we het snel eens over de prijzen. Ik weet dat ik in 2008 met wat heen en weer gepraat de prijs van diverse koperen beeldjes van de oorspronkelijk gevraagde 10.000 Cfa’s naar beneden kreeg naar 8.000 Cfa’s. Hij vraagt nu voor de grootste wederom 10.000 en voor de iets simpelere 7.500 per stuk, dus lijkt me dat een redelijke prijs. Ook gezien de moeite die hij deze dagen allemaal voor ons genomen heeft, besluit ik de prijs gewoon te accepteren. Ik weet nu bovendien hoeveel jongens hij hiervan kan laten profiteren.

We rekenen af in Euro’s, omdat er geruchten gaan dat de Cfa mogelijk gaan devalueren. Als hij nu niet meteen, zo leggen we hem uit, de Euro’s terugwisselt voor Cfa’s zou hem dat een behoorlijke winst op kunnen leveren. Eén Euro is nu 650 Cfa’s waard en dit zou ik de nabije toekomst, zo gonst het van geruchten op internet wel 1.000 Cfa’s waard kunnen worden. We krijgen naast zijn visitekaartje ook allemaal nog een vriendschapscadeautje van hem mee en nemen daarna afscheid. ‘Nindare, au revoir.’

De middag gebruiken we voornamelijk om alles goed in te pakken. De djembée gaat gerold in de slaapzak en gevuld met diverse kledingstukken als los bagagestuk mee. De andere zaken worden tussen kledingstukken in de koffer gepakt. De koperen beelden en houten maskers mogen niet mee als  handbagage. Je zou ze misschien wel als wapens kunnen gebruiken! En dan maar hopen dat de koffers ook op de terugweg goed aan zullen komen.  De handbagage zelf nog eens goed nagelopen op ‘verkeerde’ zaken en dan de koffers naar beneden gebracht, zodat Daniel ze in de auto kan laden. Ook nog even de rekening van ons verblijf bij TVD betaald, gedeeltelijk met de laatste Cfa’s en gedeeltelijk met Euro’s en afscheid genomen van Henk van Ingen. Joke was er helaas niet bij. We hebben er een fijne tijd doorgebracht. Wij zijn er ook geraakt door het enthousiasme en hun drijfveren, alle energie waarmee zij zich inzetten voor hun bedrijf Tele-Vie-Deo.

Bij Pascaline genieten we deze laatste avond nog van een heerlijk diner. Ditmaal heeft ze zelf gekookt, zo vertelt ze vol trots. We doen haar kookkunsten eer aan en hoewel we de schalen zoals gebruikelijk niet leeg krijgen doen we wel ons best, omdat het ons allen prima smaakt. Pascaline komt voor ieder van ons nog met een T-shirt van de opening van de school. Een wit shirt met oranje kraag en mouwen. Opnieuw een mooi souvenir als aandenken aan deze reis.

We nemen afscheid van vele vrienden en bekenden. We hebben met al onze bagage de beschikking over maar één auto, en dus zal er twee maal gereden moeten worden. Daniel zal ons eerst wegbrengen en later terug gaan om Sjef en Pascaline op te halen. We vertrekken en rijden even langs Tina, die ons zeker nog even een goede terugreis wil wensen. Als Pascaline na drie kwartier Daniel belt om te vragen waar hij is zegt hij doodleuk dat het erg druk is op de weg, maar dat hij er zo aankomt. Tina heeft een armbandje voor me meegebracht, maar geeft aan ook nog even naar het vliegveld te komen. We vinden dat best gezellig en dus ….. tot zo. We rijden verder en bij het vliegveld laden we de koffers uit de wagen. Even later arriveert Tina. Ze lijkt erg gespannen te zijn en kijkt regelmatig naar haar telefoon. Ze legt uit dat Daniel zal bellen als hij bijna bij het vliegveld is, zodat ze weg kan glippen voordat Pascaline haar hier ziet. We zuchten een beetje en herinneren haar er aan dat ze met haar 26 jaar toch zelf wel dit soort beslissingen mag nemen. Tina is het daar van de ene kant misschien wel mee eens, maar niet bij Pascaline zo laat ze ons weten. Ze heeft ook nog een mooie ketting voor me meegebracht en ook de beloofde stukken lappen met daarop de print van Kerst en tevens die van Hemelvaart en Pasen. Dan gaat haar telefoon over. Daniel. Ze moet nu echt gaan zegt ze. Ik besluit met haar mee te lopen naar een achteringang. Echter voordat we buiten zijn, ziet Tina al dat Pascaline binnenkomt met Sjef en haar ziet. We besluiten nu maar terug te lopen, waarbij ik tegen Sjef in het Frans zeg, opdat ook Pascaline ons kan verstaan, dat ik Daniel gevraagd had Tina te bellen, omdat ik denk dat hij het ook leuk zal vinden als ze hier is om afscheid te nemen. Het gezicht van Pascaline spreekt inmiddels wel boekdelen, ik snap nu wat Tina bedoelde. Ze zegt echter niets. Nadat Tina iedereen gegroet heeft zegt ze dat het beter is als ze gaat en ik breng haar nog tot de deur weg. Het laatste afscheid in Burkina dit jaar nadert. Pascaline en haar dochter Sjefa zwaaien ons uit. We hebben ze uitgebreid bedankt, want zonder hun hulp en organisatie van onze reis hier ter plaatse, was dit alles niet mogelijk geweest. Dus ook nu weer barka, barka, wusgo, ofwel duizendmaal dank. Het is weer een reis geweest om lang aan terug te denken en niet meer te vergeten. We laten onze paspoorten controleren door de politieambtenaren en gaan onze koffers inleveren. Daar vraagt men voordat de koffers ingeleverd worden of we geen metalen beeldjes of houten maskers in de handbagage hebben. Dat hebben we niet, maar anders zouden ze er nu nog in de bagage gestopt kunnen worden. Prima deze service, maar gelukkig hebben we deze zaken al in de grote bagage zitten.

Door naar de douane en opnieuw een uitreisbericht invullen. Hoewel men er in de tekst niet naar vraagt moet ook hier weer achterop de lege zijde een naam en telefoonnummer van de contactpersoon worden ingevuld. Gelukkig heb ik dat van te voren nog even nagevraagd en kunnen we vrij snel weer verder. De handbagagecheque. Geen probleem, hoewel wat zit er in dat flesje in de rugzak van Heico. Ik laat hem wat drinken uit de fles en vertel dat daar water in zit. Oh, geen probleem, hij mag door. Dan volgt een persoonlijke check waarbij zowel de handbagage als wijzelf nogmaals gecontroleerd worden. De dame waarheen ik gestuurd word blijkt graag haar kennis van de internationale talen te demonstreren. Ze vraagt waar ik vandaan kom en dan zegt ze vriendelijk en met een grote lach op haar gezicht ‘goede morgen’. Ik moet ook lachen, niet zo zeer om haar accent, want het klinkt toch zeer behoorlijk, maar het is nu negen uur  ’s avonds. Ik leg haar uit dat het bijna goed is en nieuwsgierig vraagt ze wat ze dan nu wel moet zeggen.  Na een paar pogingen, avond lijkt toch wel veel moeilijker dan morgen, gaat ze verder met haar werk, het doorzoeken van mijn handbagage. Van echt doorzoeken is geen sprake. Een vluchtig er doorheen gaan en wat vakjes openen. Ondertussen praten we gezellig door. Ze vertelt me dat ze Nederlands aan het leren is. Daarop reageer ik enthousiast, dat ik dat geweldig vind. Ook dat ik hoop dan de volgende keer met haar Nederlands te kunnen praten. Dat vindt ze wel te kort door de bocht. Ze legt uit dat ze maar heel weinig Nederlands praat, waarop ik antwoord dat ik ook maar heel weinig Frans praat en daar ook hard bij moet denken, dus dat ik het fantastisch zou vinden hier in het Nederlands aangesproken te worden bij een volgende bezoek. Ze kan het zich voorstellen, maar denkt toch dat mijn Frans wat beter is dan haar Nederlands zal worden. Een apparaat wordt nog even langs mee heen gehaald en begint lichtjes te piepen als hij over mijn broekzak gaat. Ik wil al bijna kijken waarom dat gebeurt, als ze zegt, nee hoor, dat is niets, dat is de rits….. en denk ik in mijn onschuld en wat als deze zak geen rits heeft….., maar ik zeg maar niets. Later blijkt dat ik er een metalen pen in had zitten. Zij kan er niet van wakker liggen en ze wenst me een fijne reis en ik haar een fijne jaarwisseling.

Ook de andere drie komen zonder problemen, met een vluchtige check door dit gedeelte van de douane. Na eventjes gezeten te hebben wordt ons gevraagd de tickets te tonen en mogen we instappen in een bus, die ons naar het vliegtuig zal brengen. Twintig minuten te vroeg, om half elf,  stijgen we op met maar weinig passagiers aan boord. De drie middenstoelen zijn overal leeg en aan de buitenkanten zitten slechts om en om wat passagiers.

De geur van een warme maaltijd komt al snel onze neusgaten binnen, hoewel we er na de uitgebreide maaltijd bij Pasaline niet echt op zitten te wachten. Nadat we een half uurtje in de lucht zijn wenst de kapitein mede namens de bemanning een gelukkig Nieuwjaar toe. In Nederland en België is het immers al een uur later en dus hoeven we niet langer meer wakker te blijven om het Nieuwjaar mee te maken. De champagne gaat rond en daarna zoek ik een plaatsje op een van de vele lege rijen op en kruip lekker onder het dekentje dat we hebben gekregen en probeer wat te slapen.

Rond vier uur word ik wakker van wat rammelende wagentjes. Het ontbijt wordt geserveerd. Het blijkt wat sinaasappelsap en wat wafeltjes te zijn. Ook is er water, koffie en thee te krijgen. Met name drinken wil ik wel.

Buiten valt er weinig te zien, want we vliegen boven een groot dik wolkendek. Rond vijf uur landen we, ook twintig minuten eerder dan was voorzien op een regenachtig Zaventem. De koffers laten even op zich wachten, maar blijken even later toch allemaal meegekomen te zijn. We passeren de douane, de paspoorten worden even bekeken en verder is er niemand die zich bekommert om wat we meegebracht hebben. We gaan dus maar snel op zoek naar onze lift naar huis. Die blijkt er gelukkig ook al te zijn met een aanhangwagen. De acht flinke koffers ingeladen en moe maar met een geheugen vol prachtige herinneringen komen we op nieuwjaarsdag weer veilig en wel thuis.