Burkinafasoreis2011
Home » reisverslag 2013 west en zuid-west Burkina, Ed Looge

REISVERSLAG BURKINA FASO 2013

Els Schrik-Vermeulen

 

 

Inhoudsopgave

 

 

 

 

 

28 juni Bonne Arrivé

29 juni Ontmoeting met een aardige Toeareg

30 juni Krokodillen bang van ons of wij van hen?

1 juli Karim beladen met souvenirs

2 juli De voorouders hebben gesproken en het offer aanvaard

3 juli Eenentwintig handen aan één cashewnoot

4 juli Wie dolo wil drinken mag niet dik zijn

5 juli Nijlpaarden kijken bijna een hachelijk avontuur

6 juli Bij de Lobi kun je echt geen potje breken

7 juli Wat er allemaal op één hoofd past

8 juli ’s Nachts stil in een natuurpark, vergeet het maar

9 juli Veel geluk in het natuurreservaat

10 juli De pottenbakster is zeer tevreden met de schaal

11 juli Iets krijgen is fijn, maar iets geven nog veel fijner

12 juli Staking op het vliegveld in Ouaga, oh help wat nu……..

13 juli Een groene oase in een stoffige wereldstad

14 juli Slapend rijk worden    

15 juli Onverwacht op bezoek bij de witte paters

 

Bonne Arrivé

 

 

Zondag 28 juni 2013

Bonne arrivé. Juliette, Pascaline en Aubin staan ons op te wachten op het vliegveld in Ouagadougou. We hebben geen problemen met het visum dat een dag te laat in zou gaan. Alleen in Brussel werd wel even bedenkelijk gekeken. Er werd even opgezocht of we ter plekke een aanvullend visum konden aanvragen. Dat bleek het geval. Hier in Ouaga wordt wel even gekeken, maar daarna wordt het paspoort dichtgeklapt en krijg ik het terug. Het gele boekje, met daarin de vaccinaties wordt voor het eerst in mijn leven gevraagd door de gezondheidsdienst en ook dat wordt goed bevonden. Door naar de volgende hobbel een irisscan en vingerafdrukkencontrole. Eerst de vier vingers naast elkaar op het kastje totdat de lampjes van kleur veranderen en daarna de duim. Daarna wordt een klein cameraatje op je oog gericht voor een irisscan. Ook dat blijkt in orde.

Bij de bagageafhandeling even snel wat karretjes regelen, want twee zware koffers van samen een 40 kg is toch wel erg veel om mee te zeulen. Uiteraard kiezen we daarna de route van ‘niets aan te geven’ en moeten we onze labeltjes die bij de koffers horen afgeven. Deze worden gecontroleerd en de weg naar Burkina ligt voor ons open. Zoals gezegd staan daar onze vrienden ons op te wachten en ook de chauffeur voor de komende 14 dagen staat er met een bordje “SCHRIK” te wachten op zijn klanten. We maken kennis met Pascal. Aubin en Pascal ontfermen zich over onze koffers. We maken met Juliette een afspraak dat ze ons morgen rond 11.00 uur op komt halen bij ons hotel Pavillon Vert. We kunnen dan meteen twee volle tassen met kleding voor de Association Wendkouni de Tabtinga van Juliette daar afgeven.

Pascal brengt ons naar ons hotel. Het ligt aan een weg die voor een behoorlijk deel is opgebroken, Rue de la Liberté. We komen onderweg langs bekende gebouwen en pleinen, zoals bijvoorbeeld de Nationale Bank van Burkina en la Place du Cineast. Na het rommelige aanblik van de straat voor het hotel is het binnenplein van het hotel een hele verademing. Het bevat veel groene bomen en struiken en ook vogeltjes zitten er in het groen. De kamer zelf is eenvoudig. Het bevat een dubbel en een enkel bed. Beiden zijn voorzien van een muskietennet, dat aan palen is bevestigd. Achter een gordijn bevindt zich een douche, toilet en wastafel. Ook is er een soort kast/ bergruimte, waar je spullen in kunt zetten, dat aan het zicht onttrokken wordt door een gordijn.

Nadat we ons een beetje geïnstalleerd hebben op onze kamer, gaan we in de tuin wat drinken. Er staan diverse gezellige zitjes en ook een grotere tafel onder een afdak, voorzien van een ventilator. Een restaurantruimte met vier ronde tafeltjes en stoeltjes, onder een rond afdak van riet, eveneens voorzien van een ventilator. Het is er in onze beleving vrij warm en dus besluiten we maar even niets te ondernemen tot aan het diner. Af en toe slaan we naar insecten, die het op onze benen gemunt hebben. ’s Avonds blijkt dat het feest voor hen is geweest. Onze benen zitten vol met allerhande ‘muggen?’bulten. Na het diner dat bestaan uit tomatensalade, zeboe met frites en mango na besluiten we even onze benen wat te strekken. Het is tenslotte een lange dag geweest met vooral veel zitten. Bovendien leren we zo een beetje de omgeving van het hotel kennen. Het heeft gisteren voor het eerst, na een heel erg warme tijd, weer geregend. De regentijd is aangebroken. De temperatuur is sindsdien ook beduidend gezakt, zo vertelt men ons, op staat liggen op veel plaatsen nog de plassen. Het is ook minder stoffig dan gebruikelijk in dit land. We maken op straat kennis met Emmanuel, een jongeman van 26 jaar, die eigenlijk geen onderwijs heeft gehad, zo vertelt hij ons. Hij heeft wel drie jonge kinderen, van zeven, vier en twee jaar oud. We hebben een gezellig gesprek met hem en hij laat ons zijn werk zien. Hij maakt armbandjes. Hij laat ze ons zien en vraagt of we er willen kopen. Dat is echter lastig als je geen geld op zak hebt, aangezien we nog geen bank bezocht hebben om cfa’s te halen. Aan het einde doet hij ons beiden een armbandje cadeau, zwart met kraaltjes in de kleuren van Burkina Faso, rood, geel en groen. Daarna maken we kennis met Jean. Hij is kleermaker en ook bij hem leggen we uit dat we pas net zijn aangekomen en nog geen geld hebben. Hij zal ons morgen wel bellen en kan ons dan op komen zoeken bij het hotel. Ondanks dat hij ons telefoonnummer mee neemt hebben we daarna niets meer van hem gehoord.

Teruggekomen in het hotel zoeken we ons bed op. De ventilator laten we aanstaan boven het bed. Ondanks dat de mensen hier vinden dat het niet meer warm is vinden wij het toch erg warm. Wij komen tenslotte uit een koud Nederland. Het was vanmorgen toen we vertrokken 13 graden. De huidige ongeveer 30 graden is dan toch wel erg warm om in te kunnen slapen.

 

 

 

 

 

Ontmoeting met een aardige Toeareg

 

 

Zaterdag 29 juni 2013 

Ik ben vroeg wakker. Er kraait een haan en ook duiven laten van zich horen. Achter het hotel zit een duivenmelker, dus geen wonder dat die bij het licht worden gaan zitten koeren. Die houden echt geen rekening met hotelgasten, die graag nog wat slapen. Ook horen we gezang in de verte vermoedelijk vanuit een moskee. We staan al vroeg op en willen gaan ontbijten. Helaas, het ontbijt is nog niet klaar, duizend maal excuses. We kunnen er niet mee zitten. Dan maar eerst geld gaan pinnen. We hebben in de straat gisterenavond diverse pinautomaten gezien, maar in het donker leek het ons toen zo verstandig om te gaan pinnen met onze blanke gezichten. Bij de eerste pinautomaat waar we op af stappen vertelt de aanwezige bewaker, dat die nog niet werkt en hij verwijst vriendelijk naar de overkant. Daar lijkt alles goed te gaan, totdat het geld zou moeten verschijnen. Na drie vergeefse pogingen geven we het op. De bewaker die buiten staat vertelt dat de bank pas om acht uur open gaat. Dat gaat nog even duren. Maar niet getreurd er zijn nog meer banken hier in de straat. Bij een derde bank komt er zelfs een reçuutje uit het apparaat, maar geen geld. Na wat gewacht te hebben op het geld zie ik op dat papiertje staan dat het mijn pas niet accepteert. Oh, dat is waar ook visa- kaart is geen masterkaart. Dan maar kijken of ze me binnen verder kunnen helpen. Ik steek mijn hoofd om de deur en zie tot mijn schrik een hele groep mensen zitten in de wachtkamer. Daar heb ik nu net geen zin in. Wel is de temperatuur er goed, want ik voel duidelijk dat een airco aanstaat. Ik doe de deur weer dicht. Dan komt de bewaker op me af, of het niet goed is gegaan bij de pinautomaat. Ik beaam dat. Hij wenkt me achter hem aan te komen. Hij vraagt me te gaan zitten bij de baliebeambte. Nadat deze klaar is met zijn klant, vraagt hij me wat hij voor me kan doen. Ik leg hem uit wat het probleem is. Hij loopt naar zijn superieur en binnen de kortste keren zitten we bij de grote baas aan tafel. Niks geen wachtkamer of wachttijden voor blanken, …… het voelt wat ongemakkelijk maar het schiet zo wel lekker op. Deze zeer vriendelijke man vertelt ons waar we wel met onze kaart terecht kunnen. Ik vraag hem dat even voor ons op te schrijven, want dan kunnen Juliette straks vragen waar we moeten zijn. Ik bedank hem uitgebreid voor zijn advies en zijn tijd en we lopen terug naar het hotel voor ons ontbijt. De temperatuur is inmiddels al weer aardig opgelopen. In de hoteltuin worden we vriendelijk begroet door een Toeareg. Een statige man met tulband op zijn hoofd. Hij komt uit Niger om hier zijn spullen te verkopen. Hij is sieradenmaker. Hij laat er ons al wat van zien. Dan zien we het brood binnengebracht worden en vertellen hem dat we gaan ontbijten, omdat dat eerder die dag nog niet lukte. Hij wenst ons een smakelijk ontbijt. Na het ontbijt komt hij bij ons zitten en vraagt of hij ons nog meer mag laten zien. Geen bezwaar. Hij begint met oorbellen uit te pakken en houdt er een stel omhoog. Ik laat mijn oren zien, die niet voorzien zijn van gaatjes. Ik hoef verder niets uit te leggen, hij begint te lachen en pakt ze weer in. Hij toont sieraden met allerhande tekens. Hij vertelt dat het Arabische letters zijn. Hij heeft er diverse sieraden mee versierd. Ook hangers met traditionele Toeareg versierselen, vele kralen, natuursteen wit en donker agaat, kralen van klei. Ook toont hij zijn officiële document waarop staat dat hij bijoutière is, Moumed Gratz heet en met erop een “prachtige” foto van hemzelf. Nu met zijn witte tulband op is hij op de foto bijna onherkenbaar. Op mijn vraag of zo’n tulband niet erg warm is haalt hij hem van zijn hoofd en tot mijn verbazing komt er een geheel kaalgeschoren hoofd onder de tulband vandaan. Hij legt uit dat het goed helpt in de woestijn tegen zand en wind. De sieraden zijn prachtig, maar we hebben nog steeds geen geld en dat leggen we hem uit. Hij komt graag morgen terug en belooft ons een goede prijs te vragen, want wij zijn zulke aardige mensen. Ja, ja, dat zullen we nog meer gaan horen. Hij doet al zijn sieraden weer in diverse lappen die hij daarna dichtknoopt. Het moet een heel gewicht zijn om te dragen.

Hij vraagt of we nog een foto van hem willen maken. Natuurlijk willen we dat wel. De camera is snel gepakt en hij poseert geduldig voor de camera. Daarna pakt hij zijn bundel weer op en vertelt morgen rond zeven uur weer terug te zijn.

Onze ventilator op de kamer heeft het begeven. Vanochtend bij het uitzetten ervan kwamen wat vonken en daarna ging hij niet meer op een hogere stand dan de laagste. Op die stand voel je het nauwelijks waaien. We melden het bij de receptie. Kort daarna komt een man met een losse ventilator aangelopen. Het euvel is voor vandaag in ieder geval even opgelost.

In de ‘tuin’ is het als je niets doet goed toeven. Duiven vliegen er heen en weer en ook ontdekken we wevervogeltjes en hun nestjes hoog in de bomen. Ook hele kleine vogeltjes, formaat zebravink, zitten hoog in de bomen te piepen en vliegen veelvuldig heen en weer. Wat het precies zijn valt niet goed te zien door het dichte bladerdak. Het lawaai van de straat dringt wel door in de tuin en ook wat vrolijke stemmen van personeelsleden van het hotel. Een koolwitje dwarrelt wat door de tuin op zoek naar nectar. We wachten op Juliette, mijn vriendin hier in Ouaga sinds mijn eerste bezoek in 2006. Zij zal zorgen dat er iemand ons rond elf uur zal komen ophalen met een auto. We kunnen dan meteen alle kleding, twee volle tassen, schoenen en tennisballen voor haar Association meenemen. En we hebben ook wat franse boeken voor école Sainte Mère Teresa, zodat ze hun bibliotheek weer wat kunnen uitbreiden. Deze gaan dan via Pascaline, waar we vanmiddag ook even langs zullen gaan. Ze heeft enige dagen geleden Sjef gebeld met de vraag of hij wist dat het klopte dan ik weer naar Ouaga zou komen. Natuurlijk is hij daarvan op de hoogte, maar had het niet verder rond gemaild om me allerhande beleefdheidsbezoekjes te besparen. Zelf was ik er van uit gegaan dan als Juliette het zou weten het ook bij Pascaline wel bekend zou worden, waar zij regelmatig toeft. En dat klopte dus.

Op de ontbijttafel ligt wat “leesvoer”. Het gaat over het opknappen van de straat waaraan het hotel ligt. Vier kilometer ervan om precies te zijn. In 2010 is men er aan begonnen en in 2012 heeft de verantwoordelijke minister de straat officieel weer geopend, maar sindsdien is er niets meer aan gebeurd. De ondergrond voor de asfaltering is aangelegd, maar daarna zijn de werkzaamheden gestopt. Men wacht nog steeds op de asfaltering. De aanliggende ondernemers, waaronder die van het Hotel hebben een heuse barricade opgeworpen om aandacht te vragen voor deze situatie. Er is nog steeds geen resultaat, wel een slechte omzet. In 2009 was er als gevolg van een enorme hoosbui, die de hele dag geduurd heeft en veel schade in de stad heeft aangericht al sprake van een slecht ondernemersjaar. In 2011 waren er ongeregeldheden doordat militairen, politie en onderwijspersoneel de straat op gingen vanwege niet betaalde lonen. Het mondde uit in behoorlijke rellen, waarbij ook ons land een negatief reisadvies voor geheel Burkina afgaf. In 2012 de ellende in Mali. Als gevolg hiervan blijven veel toeristen weg. Diverse ondernemers hebben het niet meer kunnen redden en de rest heeft het erg moeilijk. En eerlijk is eerlijk, toen we gisteren stopten bij het hotel schrok ik toch ook wel van het aanblik in de straat. Gelukkig blijkt achter de stoffige en rommelige straatkant een soort oase te zitten. Goed aangelegde, dagelijks geveegde en geplaveide paden, vele gezellige zitjes en overweldigend aanwezig groen. En last but not least zeer vriendelijk personeel.

We worden opgehaald door Rosalie, een ‘schoonzus’ van Juliette. Ze is tevens secretaris van de Association. Ik vertel haar van onze problemen geld te pinnen en laat haar het blaadje van de bank zien. Ze weet waar de twee banken zijn en brengt ons naar één er van. Daar lukt het pinnen in één keer. Een zorg minder. Terwijl we door de stad rijden, we zitten toch wel een aardig stukje verwijderd van Juliette, komen we een luid toeterende stoet van wel 70 brommertjes tegen. Zij blijken voor een bruidspaar uit te rijden.

Juliette heeft het eten al klaar staan als we er aan komen en we kunnen meteen aanschuiven. Haar middelste zoon Aubin, die net zijn bachelor heeft gehaald in de ICT heeft een studiebeurs aangeboden gekregen voor een vervolgstudie aan de Kent University in de Verenigde Staten. ‘GazCompany Burkina Faso’ uit Ouagadougou zal de meeste kosten voor haar rekening gaan nemen. Enorme bedragen zijn er mee gemoeid, zeker in Burkinese ogen. Ik zie o.a. een bedrag van 8.000.000 CFA (12.000 Euro) langs komen. Het enige waar Juliette zich nog wel grote zorgen om maakt zijn de reiskosten van het vliegveld in de Verenigde Staten naar de campus, want deze moet hij wel zelf inbrengen. Ook de kosten voor het aanvragen van een visum, studie en werk, moeten nog ergens vandaan gehaald worden.

Als ik later die middag met de jongste, een dochter, Reine, in gesprek kom over haar studievoortgang hoor ik dat ze zaterdag zal horen of ze al dan niet geslaagd is voor het lyceum. Vorig jaar zakte ze, maar nu heeft ze er alle vertrouwen in dat het haar gelukt is. Als ik vraag naar de verdere studieplannen zegt ze dat ze dat nog niet weet. Een beetje weifelend vertelt ze ook dat het financieel lastig zal worden. Dat begrijp ik nu Aubin ook voor grote kosten zal gaan zorgen. Hoewel de Association er wel voor heeft gezorgd dat er meer financiële armslag is gekomen in het gezin heeft Juliette toch al een aantal jaren onze steun moeten vragen om Reine en in 2010/ 2011 ook Aubin naar school te kunnen laten gaan. Ik bespreek met Heico dat we bij ons vertrek in ieder geval een bedrag gaan achterlaten voor Aubin, want dat zijn op moment de grootste zorgen en later maar eens informeren of Reine ook nog financiële hulp nodig heeft. Juliette vertelt later dat Reine graag geologie zou willen gaan doen, zonder verder in te gaan op de financiële kant.

Na 15.00 uur gaan we achter op de brommer naar Pascaline, een hele ervaring door alle hobbelige kuilen en gaten, al dan niet voorzien van waterplassen. De brommer valt regelmatig stil. Pascaline verwelkomt ons zoals we van haar gewend zijn, heel erg hartelijk. Natuurlijk komt het ter sprake dat zij naar Sjef in Nederland had gebeld om na te gaan of we inderdaad zouden komen. Ik leg uit dat ik haar mailadres bij een computercrash ben kwijtgeraakt en ik bovendien wel aannam dat het nieuws via Juliette ook wel bij haar zou komen. We hebben voor haar net zoals voor Juliette boterbabbelaars mee genomen. We vertellen over de reisplannen. O.a. naar Banfora. Pascaline is daar zelf als tiener ook eens geweest. Ze gaat weg en komt even later met wat foto’s terug. Met een groep staat ze voor de watervallen, les Cascades de Karfiguéla. Ook heeft ze een foto uit haar diensttijd mee gebracht, in militair uniform. Ook toen bleek ze al een stevige dame te zijn. Iedereen moet een jaar militaire dienstplicht vervullen in Burkina. Zelfs Sjef had ze deze foto nog nooit laten zien. De oudste dochter Cynthia is ook geslaagd, met zeer goede cijfers, en mag daardoor aan de door haar gewenste studie medicijnen beginnen aan de universiteit van Ouaga. Ze vraagt me bovendien om een penvriendin voor haar te zoeken in Nederland, zodat ze met haar ervaringen kan uitwisselen over de mail. Ik beloof haar bij onze schoolverlaters eens na te gaan of er iemand met haar wil gaan mailen, in het Frans of het Engels, wat zij ook goed beheerst.

We hebben bij ons vorige bezoek wat foto’s gemaakt van dames met hun kinderen in de nabij het huis van Pascaline gelegen volkstuincomplex. We gaan die proberen aan de dames te brengen en de jongste dochter Sjefa zal ons daarbij vergezellen. Daar aangekomen zien we eigenlijk al meteen dat ze niet in hun hoekje bezig zijn. Sjefa vraagt een andere dame of zij weet waar ze zijn. Ze geeft aan ze vandaag nog niet gezien te hebben. Als we vertellen waarom we er zijn biedt ze aan de foto’s van ons aan de betreffende dames te laten bezorgen. We vinden dat een prima idee en bedanken haar voor haar bereidheid.

Terug gekomen bij Pascaline gaan we wederom achter op de brommers met Pascaline en Juliette naar Sainte Mère Teresa voor een ‘Fète’. Het blijkt de afsluiting te zijn van het schooljaar voor al het personeel en de leden van de ouderraad. Allerhande mensen komen aan op het schoolplein, terwijl in de lucht dreigende wolken toenemen. Iedereen schudt ons de hand. Als een man me voor de tweede keer de hand schudt en zich dat realiseert zegt hij: “Twee maal groeten is goed, twee maal geven is ook goed, maar twee maal slaan is niet goed”. Ik ben het helemaal met hem eens.

Zouden we het droog gaan houden? Men wacht het niet af, maar verplaatst alle stoelen en tafels naar binnen, naar de schoolkantine. Het is intussen buiten aardig gaan waaien, waarbij zand en andere zaken flink in de rondte gaan op het schoolplein en ook een beetje door de openstaande deuren naar binnen komen. Het onweert wat in de verte en een aardige regenbui barst los. Het licht valt uit, niet erg ongebruikelijk in Ouaga. Met behulp van de lampjes in mobieltjes wordt het eten en de drankjes uitgedeeld en er komt een dame langs met water en zeep om de handen even te wassen. We krijgen couscous met kip. En zonder het aan ons te vragen laat Pascaline cola bij ons zetten. Het eten smaakt prima. We krijgen als enigen van de aanwezigen ook bestek aangereikt. De rest van de aanwezigen eet gewoon met de hand.

De directeur en ook Pascaline als voorzitter van het schoolbestuur bedanken het personeel voor hun geweldige inzet van het afgelopen jaar. Ze zijn ook zeer te spreken over het slagingspercentage van het BAC-examen (middelbare school - lyceum)  (bijna 90%).

Na de speeches en nadat alle borden leeg zijn vertrekken een aantal van de aanwezigen. Iemand zo horen we, zal ons afzetten bij een taxi, zodat we weer terug bij het hotel kunnen komen. We blijken echter gewoon thuis gebracht te worden door deze dame. Alleen het passeren van een water dat door de stad loopt zorgt wel voor enige vertraging. De dame weet niet goed hoe dat moet en ze moet het diverse malen vragen. “Né Zaabre (goede avond) ….. Laafibéme (hoe gaat het)” gevolgd door verder iets voor mij onverstaanbaars en vervolgens gingen we weer rechts en links af. In Burkina heeft men een vrij uitgebreid begroetingsritueel, wat gelukkig in de stad al wat ingekort is. Een wirwar aan straten, die toch eigenlijk allemaal wel wat op elkaar lijken, zeker in het donker, overal plassen met water, waarvan de diepte niet goed in te schatten is. We schudden wat door elkaar, maar zijn uiteindelijk toch blij dat we uit deze wijk 28 zijn geraakt en op de doorgaande weg terecht komen. We passeren la place de Nations Unies, met de grote wereldbol in het midden. Vanmiddag heeft hier nog een demonstratie plaatsgevonden, waar we gelukkig snel langs af konden rijden. Kort daarna waren we weer bij Hotel Pavillon Vert. We zijn haar niets verschuldigd zegt ze en we nemen afscheid met een bedankje en een ‘à demain’ (tot morgen).

 

 

Krokodillen bang van ons of wij van hen?

 

 

Zondag 30 juni 2013

We staan om half zeven op na een redelijk goede nachtrust. Om zeven uur zitten we aan het ontbijt en een kwartiertje later arriveert onze Toeareg uit Niger, nu met een blauwe in plaats van een witte tulband om. Hij groet alle aanwezigen vriendelijk, ook ons en gaat vlakbij ons op een muurtje zitten, zijn rug naar ons toegekeerd. Nadat we klaar zijn met het ontbijt begint hij weer met allerhande beleefdheden. Daarna gaan we over op zaken. Het blauwe sieraad waar gisteren al ons oog op was gevallen, een traditioneel Toeareg sieraad, kwam samen met de anderen op tafel. Ook een met een zwarte steen. Ik haalde deze beiden uit de verzameling die hij uitstalde. De rest bergt hij weer op. Een prijs, het wordt 40.000 cfa; 25.000 cfa voor het Toeareg kruis en 15.000 cfa voor het andere. Ik laat hem het opschrijven om er zeker van te zijn dat ik het goed verstaan heb. Na wat aarzelingen, want zo speel je het spel zet ik in op 15.000 cfa. Het traditionele poppenkastspel is begonnen. Hij vraagt nu 35.000 cfa en ik bied 17.000 cfa. Hij zakt naar 30.000 cfa. Dan schuif ik de hanger met de steen opzij en bied 15.000 cfa voor het Toeareg kruis. Dan gaat hij naar 25.000 cfa voor beiden, waarbij hij de hanger met de steen er weer bijschuift. We besluiten er op in te gaan. Iedereen blij. De serveerster krijgt even later van hem nog een stel oorbellen, omdat zoals hij zegt “elle est trés joli”. We zijn het ook wel met hem eens, het is een erg aardige en gezellige jonge vrouw. Hij bedankt ons en vertrekt. Even later zien we hem aan de ingang van het hotel, als  we gaan afrekenen bij de receptie, waarschijnlijk op zoek naar nieuwe potentiële klanten. Voordat hij voordat hij vanwege de naderende Ramadan zal terugkeren naar Niger, zoals hij ons verteld heeft. Als Pascal arriveert brengen we koffers naar de wagen en zien we hem in gesprek met een Fransman, die hier ook al enige dagen logeert.

We vertrekken naar Bazoulé, het meer met de heilige krokodillen. Het ligt op zo’n 30 kilometer ten westen van Ouaga. Onderweg zien we heel veel stokbroodverkopers. Het meeste stokbrood ligt in plastic verpakt voor de tweede maal te bakken, in de zon. Later zien we langs de weg veel kinderen met eieren, kleine citroentjes, kleine appeltjes, kariténoten en natuurlijk verse mango’s met het blad er nog aan om de versheid aan te tonen. Bij de kassa van de péage halen we nog snel wat flessen water. Of beter gezegd we vragen om water, waarna het in looppas voor ons geregeld wordt.

We zien veel rotsen. Dit gebied staat er om bekend, het is het centraal massief, waarop we ons bevinden. Verder valt op dat er langs de weg op vele plaatsen grote of soms ook kleine waterplassen zijn, waar herdertjes met hun kuddes heen gaan om het vee te laten drinken. Het oversteken van de snelweg met deze kuddes levert soms wel gevaarlijke situaties op als een beest net iets anders reageert, dan je zou verwachten. Overal langs de weg zie je activiteiten op de velden; ploegen, zaaien, wieden. In het algemeen zijn vrouwen en meisjes hiermee bezig, maar ook mannen maken zich hier en daar verdienstelijk door met name te ploegen. Dit doen ze met grote schoppen, en dus met de hand of met een ploeg voortgetrokken door een of twee runderen, ezels en een enkeling met paard.

Na een perfect geasfalteerde weg gaan we rechtsaf een rode piste op. Onderweg staan zelfs hier en daar richtingsboden naar de grote (Royal) Naaba van het dorp. In Bazoulé worden begeleid door een lokale gids, die een witte kip bij zich heeft. Er zijn naast ongeveer 200 krokodillen in het meer ook schildpadden zo vertelt hij. Eén ervan kunnen we achter een hek zien liggen. Hij ligt lui in een hoek en levert dus niet echt een spectaculair plaatje op. Dan zien we verderop een vrij groot meer liggen. Na de regentijd zal het nog veel groter zijn, als water uit de omgeving zich hierin verzamelt. Nu staan we aan het einde van de droge tijd en het begin van de regentijd, dus is het water relatief laag. Achter een dam zien we ook de rijstvelden liggen, voor het merendeel ingeplant. We lopen door naar het meer. Op veel plaatsen staan karitébomen, waarvan de noten uit de vruchten gebruikt worden bij de bereiding van voedsel, maar ook voor de lichaamsverzorging of bij het maken van zeep. De kip wordt heen en weer gezwaaid en kakelt wat. Krokodillen komen er op af, maar niet de grote waarnaar onze gids op zoek is. Hij laat ons alvast wel de tanden van één van deze krokodillen zien. Door er met een stok tegen de bek aan te tikken doet de krokodil zijn bek open en kunnen we de flinke tanden goed zien. In het water drijven er nog een paar, maar de gids besluit naar een ander strand te lopen waar een groepje toeristen net wegloopt. Hij ziet daar een groter exemplaar. Daar aangekomen gaat hij op de krokodil zitten. Ik had op internet al wel dit soort foto’s gezien, maar de mensen toch wel een beetje voor gek verklaard om op zo’n gevaarlijk en onberekenbaar wild dier te gaan zitten. De gids zegt dat de dieren vriendelijk zijn en dat er nooit een ongeluk mee gebeurt……

Dan vraagt hij Heico om te komen en hetzelfde te doen en daarna ben ik aan de beurt. Tot mijn geruststelling blijft de gids met zijn stok wel tussen mijn benen en de kop van het beest instaan, zodat in geval van een uithaal de stok of de gids eerst aan de beurt zouden zijn. Het beest laat alles zonder zich te bewegen gewoon toe. De rug heeft een stevig pantser. De buik daarentegen is zacht en kun je gemakkelijk induwen. Daarna tilt de gids de staart op en vraagt of ik dat ook wil doen. De staart blijkt toch nog een behoorlijk gewicht te hebben en ook hierop reageert de krokodil helemaal niet. Het lijkt net alsof hij slaapt. Dan vraagt de gids of ik de kip wil geven. Overmoedig of niet, besluit ik ja te zeggen, niet wetende wat precies van mij verwacht wordt. Ik zal tenslotte niet de eerste zijn aan wie deze vraag gesteld wordt. Hij vertelt me waar ik moet staan, ongeveer op anderhalve meter van zijn bek en dat ik dan de kip moet gooien in de richting van de krokodil. Dat moet lukken, dus ik gooi de kip, maar de krokodil, die wel zijn bek open doet, vangt hem niet. De kip landt een meter naast de krokodil, die verder geen moeite doet de kip te pakken. Wel komt een jonger exemplaar er op af. Maar de gids tikt hem twee keer op zijn platte bek en deze maakt weer dat hij uit de voeten komt. Ook de tweede keer gooi ik nog te hoog en het ritueel herhaalt zich. Voor de derde poging vertelt hij dat ik de kip moet rollen over de grond. En, dan gebeurt het de bek gaat open en de kip rolt er als het ware in. Een paar keer gaat de bek nog open en dicht en dan is de kip in zijn geheel doorgeslikt, waarbij de krokodil zijn bek wat omhoog heeft gebracht en de kip dus als het ware naar beneden glijdt. De krokodil blijft lui liggen. Heico vraagt of de krokodil nu gaat slapen. De gids begrijpt de vraag niet goed en laat zien dat je er gewoon op kunt gaan liggen. We wandelen daarna terug. Op de terugweg zouden we, als de gids ons er niet op had gewezen, zo maar rakelings langs een zonnebadend exemplaar zijn gelopen die langs het pad lag. Natuurlijk nog een bezoekje aan de winkel van de artisanal, de kunstenaars uit het dorp. Zij exposeren hier hun creaties in de hoop wat te verkopen. Batikdoeken, houtsnijwerk, zeep en ook kaarten. Dat laatste komt altijd van pas en dus besluit ik er een aantal van mee te nemen. Steunen we op deze manier ook nog de lokale bevolking. Bovendien is het lekker klein om straks mee te kunnen nemen.

Daarna op weg naar Kokologho, de Na-Yiri, het paleis van de Koninklijke Naaba van Kokologho. Deze heeft echter een jaar of drie geleden in een ander dorp zelfmoord gepleegd. Sindsdien is het kasteel gesloten. Zelfmoord is een niet al te bespreekbaar iets in het land, waar men gelooft in goede en kwade geesten. Er is tot op heden nog niemand die hem heeft willen opvolgen. De hutten van de tien omliggende dorpen, waarin de geesten van de overleden voorouders huizen zien er hier en daar ook verwaarloosd uit. Iets wat in betere tijden ondenkbaar zou zijn geweest. Het banco (modderstenen) kasteel zelf ziet er desondanks wel prima uit. We lopen er omheen en maken wat foto’s. Toch wel jammer dat het niet te bezichtigen is, want ik had er van te voren veel over gelezen en had het graag met eigen ogen kunnen bekijken.

We rijden door naar Boromo voor de lunch. Heerlijk frites met vis. We zien stapels brandhout en zakken met houtskool, wachtend op de vrachtwagen die ze op komt halen. Veel huisjes zijn aan het vervallen of nog niet afgebouwd. Naar mate we verder westwaarts rijden waan ik me soms gewoon in Europa. Alleen de temperatuur doet me beseffen dat we in Afrika, Burkina Faso zijn. Groene grasvelden, veel dicht struikgewas en bossen en dat zo aan het einde van het droge seizoen. Het is bijna onvoorstelbaar. De tweebaans weg is over het algemeen in prima staat, hoewel er voor de lunch wel een stuk was waar de geasfalteerde weg meer op gatenkaas leek. Behoorlijk diepe gaten in het wegdek, waar onze chauffeur in het algemeen behendig langs stuurt. Soms lukt dat niet en dan wordt er even fors geremd om een al te harde klap te voorkomen. En natuurlijk zien we veel kinderen die ondanks de drukke weg, waar toch behoorlijk hard (80km per uur) wordt gereden, vlak aan de kant staan met hun koopwaar. Waarbij ze soms ook nog de zorg hebben voor een nog kleiner broertje of zusje, terwijl ze onze aandacht proberen te trekken. We rijden door richting Bobo-Dioulasso, waar we rond 15.30 uur aankomen. We worden allervriendelijkst ontvangen door een dame die ons vraagt welke taal voor ons het gemakkelijkste is, Frans of Engels. Als we met elkaar bespreken dat Engels toch wel erg gemakkelijk is, blijkt dat ze ons gewoon verstaat en zelf ook goed Nederlands spreekt. Ze heeft zeven jaar in Amsterdam gewoond en is nu weer terug in Burkina. Ze is erg gelukkig weer eens Nederlands te kunnen spreken. Ze haalt heerlijk koel water voor ons en vertelt dat we ook gebruik kunnen maken van de airco, maar dat het dan wel iets meer kost. We besluiten de airco er bij te nemen. We hebben gemerkt dat de temperatuur ook ’s nachts nog behoorlijk hoog kan zijn en met alleen een waaier gaat het wel, maar we besluiten ons deze luxe toch maar te permitteren. We informeren naar de mogelijkheden voor het avondeten. We besluiten te gaan voor een salade met brood en een fruitmix na.

Voor het eten kunnen we nog mooi de buurt verkennen. Altijd handig als je ergens enige dagen vertoeft. Ida, zo heet de receptioniste, is erg bezorgd dat we de weg straks niet meer terug kunnen vinden. We verzekeren haar diverse malen dat het wel goed komt. Zij hoopt er het beste van.

We lopen in de richting van het stationsgebouw, maar zodra we langs een slagboom willen lopen, worden we streng teruggeroepen door een beambte. We mogen daar niet door. Uiteindelijk na wat zoekwerk vinden we de voorkant van het station. Bij de ingang staan veel mensen te dringen, het merendeel met behoorlijk wat bagage. Zij worden tegengehouden door enkele beambten. Zij zullen straks met de trein vermoedelijk richting Ivoorkust gaan en hebben hier hun inkopen gedaan. De spullen zullen zij straks in de andere plaatsen gaan proberen te verkopen.

Er staan enkele rijen met groene taxi’s te wachten op klandizie. De ene taxi is nog meer gebutst dan de andere, bekrast zijn ze eigenlijk allemaal. Het merendeel heeft een kapotte voorruit. Een verkoper van kindersportkleding vraagt ons of we interesse hebben. Ik leg hem uit dat mijn kinderen daar niet meer in zullen passen. Hij moet er om lachen en loopt verder.

Om zeven uur schuiven aan tafel in de eetzaal en zetten om de muggen een beetje te verjagen de ventilator aan. De temperatuur is buiten nog vrij hoog, maar de ervaringen in Ouaga met de muggen doen ons besluiten om toch maar binnen te gaan eten. De ramen zijn voorzien van horren en als de deur dicht blijft moeten we daar veilig kunnen zitten. We krijgen een flink bord met allerhande rauwkost voorgezet; tomaat, komkommer, sla, avocado, gekookte eieren, uiringen, sesamzaad, e.d. Daarbij nog heerlijke stukjes stokbrood. Daarna wederom heerlijke mango met banaan. Het is smullen geblazen.

 

 

 

Karim beladen met souvenirs

 

 

Maandag 1 juli 2013

Om acht uur brengt Pascal ons naar het stadscentrum van Bobo-Dioulasso voor een toer met gids Karim. Bij La grande Mosqué, nabij het oude stadscentrum, maken we kennis met onze gids voor de komende dag. Hij geeft ons eerst gelegenheid om foto’s te maken van de moskee en begeleidt ons nauwgezet als we de vrij drukke straat over willen steken voor een beter plaatje. Dan vertelt hij een en ander over de moskee. Hij werd in 1880 gebouwd in Soedanese stijl en heeft twee grote minaretten. De belangrijkste aan de straatkant en de andere is in 1887 de ‘minaret de repose’ genoemd. Onder deze minaret werd in 1887 het lichaam gevonden van de bouwer van deze moskee. Hij wijst ons op waterkannetjes aan de zijkant van de moskee. Hiermee kon je water halen uit grote tonnen om jezelf zittend onder een van de bomen te wassen volgens de islamitische voorschriften, alvorens de moskee te betreden. Het gezicht, waarbij alle onderdelen aparte aandacht kregen, de neus, oren, mond, enz. Ook de handen tot en met de ellebogen moet men driemaal wassen net als de voeten tot de enkels. Tenslotte ook de geslachtsdelen.

Omdat urineren van moskeegangers voor veel overlast zorgde heeft men toiletten gebouwd. Vroeger kwamen er veel meer mannen en weinig vrouwen naar de moskee, met name op vrijdag, de dag waarop iedereen in de moskee hoorde te komen om te bidden. Tegenwoordig zijn de vrouwen ruimer vertegenwoordigd dan de mannen en heeft men speciaal voor hen een afdak gebouwd op de achterplaats in de moskee, waar men ook de schoenen uit doet. Ook wij doen dat. Een Arabisch sprekende, goedlachse man zal op onze schoenen passen. We moeten hem straks wat geven. Dat iets blijkt later een ‘piece’, een muntje te zijn, zo’n 15 eurocent. Laat ik dat nu niet hebben en Karim helpt me hiermee uit de brand. We gaan naar binnen en betreden een donkere ruimte. Gelukkig blijft de deur open staan zodat er nog wat licht binnen kan vallen. Ook zit er hier en daar in het gebouw een opening in het dak waardoor ook wat licht binnen komt en wat frisse lucht. Op een rij zitten ongeveer 100 personen. De laatste drie rijen binnen zijn gereserveerd voor de vrouwen. De overige vrouwen moeten zoals al gezegd buiten onder een afdak plaatsnemen. De rijen worden van elkaar gescheiden door enorme zuilen, die het zware banco dakterras moeten dragen. Om de paar meter staat zo’n zuil zowel in zijwaartse als in voorwaartse richting. Als je tussen de zuilen doorloopt moet zelfs ik regelmatig bukken, omdat veel doorgangen nog extra ondersteund worden met houten palen. Op een aantal plaatsen in de moskee liggen mannen ……..te slapen. Om nu te zeggen dat het er heerlijk koel is, nee, wel wat koeler dan in de zon buiten, maar hier ontbreekt wel elk zuchtje wind. Ik denk dat het buiten onder de bomen aangenamer is.

We mogen gewoon foto’s maken, wat zonder flits echter niet meevalt, omdat het er toch behoorlijk donker is. In de moskee zit tegenwoordig wel elektra. Een aantal tl-balken, ventilatoren en speakers zijn er in deze moderne tijd in aangebracht, om het verblijf te veraangenamen. Ze staan echter voor ons bezoek niet aan. Ook hangt er tegenwoordig in de belangrijkste minaret een speaker, om mensen op te roepen tot gebed. De imam zit op normale dagen centraal aan de oostzijde van de moskee onder een ventilator. Op vrijdagen staat hij op een kleine verhoging net iets rechts uit het midden, gezien vanuit de moskeebezoeker. Voor de aanwezigen zal het echter geen verschil maken, want er zijn weinigen die hem zullen kunnen zien met al die steunpilaren.

Via een trapje in de hoek vooraan in de moskee klimmen naar het terras. Daar zien we op diverse plaatsen de ventilatiegaten zitten, die bij regen gesloten kunnen worden met een deksel van aardewerk. Als je die sluit wordt het binnen wel heel erg donker. Op het terras kunnen we zien hoe men later de afwatering van het terras heeft gemaakt. Het dak loopt licht af naar één kant en daar wordt het water met een ingemetselde metalen goot afgevoerd naar naast de moskee. Hierdoor loopt het dak, gemaakt van banco, minder schade op. Over het banco is een laagje cement gesmeerd om het geheel langer goed te houden. Het geld van de entree die de toeristen betalen wordt gebruikt om het herstel te betalen. Om ook de hoge muren van de minaretten te kunnen restaureren wordt gebruik gemaakt van de ingemetselde balken, die daardoor ook kenmerkend zijn voor deze bouwstijl. Deze balken moeten ook regelmatig vervangen worden, omdat ze onder andere door termieten worden weggevreten.

Op de belangrijkste minaret aan de oostzijde (Mekka) liggen twee struisvogeleieren ter bescherming van de bancotop. Op de andere minaret en de kleine minaretten liggen geen eieren, maar wel is de bovenkant gevormd in de vorm van een ei. We mogen ook de hoek beklimmen voor een uitzicht over de oude stad. Echter niet tot op het dakje boven de trap, want dat heeft diverse scheuren en zal eerst gerepareerd moeten gaan worden. Het dakterras zelf lijkt een beetje op aspergebedden. Vlakke stukken met verhogingen op bepaalde afstanden. We stappen er overheen en keren terug naar beneden. Boven in deze tweede minaret zit een jong man de koran te bestuderen. We lopen snel door in de hoop hem niet te veel te storen. Beneden buiten gekomen komt onze Arabisch sprekende man naar ons toe. Hij duidt dat hij goed op de schoenen gepast heeft. Karim geeft hem een muntje, omdat ik er geen heb. Aan de zijkant van de moskee zit een erg oude houten deur, die toegang geeft tot het mannengedeelte. De deur is in onze beleving erg laag.

We steken de straat over naar de oude stad, le vieille quartier. We lopen door smalle straatjes. De belangrijkste chef woont in het begin van de wijk en terwijl we foto’s staan te maken van de straatjes, gaan diverse familieoudsten naar de chef toe. Deze zal zich nooit rechtstreeks tot de bevolking richten, maar altijd via de griot. Deze krijgt van de chef te horen wat hij moet vertellen in zijn gezang. De griot woont vlakbij de chef. Karim begroet er allerhande mensen en hij stuurt een meisje weg, naar later blijkt om water voor hem te halen. Hij drinkt wat uit de beker en we lopen door. Overal worden mensen onderweg begroet in het Bambara, de lokale taal. Hij blijkt veel mensen te kennen of liever gezegd, veel mensen willen hem kennen. Als ze geld of hulp nodig hebben weten ze hem te vinden. Hij wordt door zijn werk als gids, met die rijke buitenlanders, gezien als een rijk man. Buiten het toeristenseizoen werkt hij vaak als privéchauffeur. Aangezien het hier de gewoonte is dat men elkaar helpt indien nodig, weten velen hem vaak te vinden. Dat is niet altijd gemakkelijk, zo vertelt hij. We passeren een ‘cabaret’ op het dorpsplein. Dat is een plaats waar je het lokale dolo (bier) kunt drinken. Aangezien we niet zo dol zijn op dolo laat hij ons alleen de plaats zien waar ze het brouwen. Een kookplaats met maar liefst vijf ketels ingemetseld in banco, staande onder een golfplaten afdak. Aan de voorkant een opening om hout in te kunnen stoppen om te kunnen stoken. Aan de overkant zit een jongeman te spelen op een balafoon. Hij staat op als we aan komen lopen en begroet ons hartelijk. Hij geeft ons uitleg over de diverse soorten maskers en beelden in zijn winkel. Ze zijn van diverse bevolkingsgroepen uit Burkina. De vragen die we hebben beantwoordt hij vriendelijk en geduldig. Daarna toont hij batikdoeken en sieraden. En natuurlijk het onvermijdelijke een ‘bon prix’. We bedanken en lopen verder.

Zo bezoeken we diverse werkplaatsen en winkeltjes van allerhande ambachtslieden. Bij een houtbewerker krijgen we uitleg over hoe hij bepaalde beelden maakt. Hij toont ons zijn gereedschappen en laat zien dat de tweekleurige beelden en sieraden gemaakt worden van een bepaald soort hout. De Kern ervan is zwart van kleur en de buitenkant is licht. Hij pakt een ruw stukje hout en een klein beiteltje, waarmee hij inkepingen maakt. Hij heeft het ontwerp al in zijn hoofd gemaakt, voordat hij aan een voorwerp begint. In dit geval is het een canari (pot) die op het hoofd van een vrouw staat. Daarna maakt hij inkepingen voor het hoofd en houdt hij nu al rekening met de arm die de canari vast gaat houden. Vervolgens gaat hij aan de gang met het lijf, waarbij duidelijk de vormen van een buik zichtbaar worden. Hij lacht als hij onze verwondering ziet. Met een beitel maakt hij daarna de fijnere vormen, zoals de fragiele arm en de rest van het beeldje. Tenslotte nog een vijl voor het nog fijnere werk en de afwerking. Hij toont ons een soortgelijk beeldje dat al af is. Voor het duurdere werk gebruikt hij het duurder hout met de donkere kern. Als de beelden klaar zijn staan ze prachtig te glanzen. Hoewel er dan wel regelmatig een doek overheen gehaald moet worden, aangezien er in deze stoffige omgeving niets lang stofvrij blijft. Overal in de winkel liggen dan ook doeken, waarmee beelden of maskers schoongepoetst worden als je er belangstelling voor toont, om de ware schoonheid er van te tonen.

In zijn winkel hangt een mooi Senufomasker. Op de een of andere manier spreekt het me erg aan. Met een doek wordt een stofwolk gecreëerd en een mooi masker komt er onder te voorschijn. Na wat onderhandelen hebben we een prima prijs denken we bedongen, 14.000 cfa (Een kleine 20 Euro). Bij een smidse kopen we een djembéspeler voor een vaste prijs, 4000 cfa en even later nog een tas, geverfd met natuurlijke kleuren in de vorm van een nijlpaard. De donkere kleur komt van een boomschors en de lichte van gedroogde bladeren. Het leuke in al deze winkeltjes is eigenlijk wel dat men de tijd neemt om alles uit te leggen. Hoe het tot stand komt, hoe het gemaakt wordt en geduldig alle vragen omtrent het productieproces beantwoord. Uiteindelijk hebben ze natuurlijk wel allemaal hetzelfde doel. Hopen dat je iets wilt gaan kopen en dat ze er een leuke prijs voor kunnen krijgen. Geen opdringerige  verkooptechnieken, geen lastige, eindeloos aan je hangende verkopers, maar vriendelijke mensen, die ook een nee, dank je wel, nog gewoon accepteren. Het maakt dat je eerder een winkeltje binnenstapt en een gesprek met hen aangaat. De belangstelling die we voor hun werk tonen wordt ook zeker op prijs gesteld. Ook gaan we langs bij een bronsgieter. Een jongen in opleiding, die nu een wassen figuurtje voor een ring zit te maken geeft ons uitleg over het gehele procedé. Gelukkig weet ik al hoe dit in zijn werk gaat, want erg duidelijk spreekt hij niet altijd.

De vele dezelfde werkplaatsjes die de stad kent maken wel duidelijk dat het lastig is hier een goede boterham te verdienen. De concurrentie is erg groot. En dat geldt niet alleen voor de ambachtslieden, maar ook voor de straatventers.

We drinken wat in een plaatselijke gelegenheid, waar een grote boom in het midden van het terras staat. De golfplaten zijn er later gewoon rondom heen aangebracht. 400 Cfa (60 cent) voor een halve liter cola. Je kunt er geen dorst voor lijden.

In een Bobo-huis wordt nu buiten gekookt. Normaal kan dat ook binnen gebeuren. Het roet dat daarbij ontstaat is prima voor de conservering van het hout. Hierdoor hebben de termieten er geen belangstelling meer voor. Karim wil ons graag het zwarte hout laten zien en vraagt aan de dames binnen of hij het ons even mag laten zien. Een van de twee aanwezig vrouwen ontvlucht het huis iets roepend van ‘foto’. Ze zal wel denken, weer van die vervelende pottenkijkers. Ik kan ze daarin wel volgen denk ik. Voor ons leuke vakantiekiekjes, zijn mogelijk voor hen een dagelijks ergernis. Ik besluit dan ook maar er geen foto van te maken en de dame die nog wel in het huis blijft te groeten en haar te bedanken voor haar toestemming.

Door Bobo loopt een klein stroompje. De vrouwen zijn er druk bezig met de was te doen. De oude stad ligt beduidend hoger dan dit stroompje en via een trap kan men naar dit riviertje lopen. Op de schuine hellingen en bij het riviertje ligt het vol met afval, vooral plastic. Het lijkt wel een vuilnisbelt. Het is een wonder dat er nog een heleboel meervallen (dafra) in het water van dit stroompje kunnen leven. Je zou verwachten dat men beter voor deze voor de Bobo heilige dieren zouden zorgen.

Daarna gaan we naar een restaurant. Karim geeft aan dat hij een goedkoper, maar ook goed restaurant kent. Voor 4850 cfa eten we uitstekend met 3 personen, rijst met geitenvlees en natuurlijk ook allemaal een drankje. Na het eten gaan we langs bij een vrouwencollectief, dat mede ondersteund wordt door Marianne Velthuis, die onze reis ook georganiseerd heeft. We krijgen uitleg over het wassen van het plastic dat zij gebruiken voor alle door hen gemaakte producten. Dit wassen gebeurt op een locatie buiten Bobo-Dioulasso. Daarna wordt het in repen geknipt, geweven, de voering wordt gemaakt en in veel gevallen een rits erin gezet. Elk deel van het werk wordt uitgevoerd door een andere groep vrouwen. De hoofdkleur is zwart en waar men een kleur niet in plastic heeft, wordt gebruikt gemaakt van gekleurd katoen. We moeten dit project natuurlijk steunen en een handtas is natuurlijk altijd welkom. Men heeft vaste prijzen, waardoor je niet hoeft te onderhandelen over de prijs. We kiezen een zwarte handtas met gele streepjes. Hij kost 8500 cfa (10 euro). Het geel zo vertelt men ons is katoen, omdat ze dat niet in plastic hebben. Ze laten nog wat andere modellen zien en ook hetzelfde model in andere kleuren. We blijven bij onze eerste keuze.

Daarna door naar de Grand Marché. We lopen door een wirwar van straatjes. Karim wijst ons een aantal malen op een geschikte plaats voor het maken van een foto, omdat er toevallig op dat moment weinig mensen in een straatje zijn. Hij introduceert ons bij een winkeltje waar kleding verkocht wordt. Prachtig lokaal ontworpen heren tenues, die echter niet gemaakt zijn voor lange Europese mannen. Ze zien er echter wel fraai uit. Nog wat winkeltjes met sieraden, beeldjes, maskers enz. In het wat blijkt het laatste winkeltje die middag worden we uitgenodigd te gaan zitten. Een wat oudere man doet goed zijn best om zijn spullen aan te prijzen. Als we niet super enthousiast reageren op een van de artikelen, vertelt hij dat hij een groot gezin te onderhouden heeft en dat hij vandaag nog niets verdiend heeft. Hij probeert me een zonnemasker aan te smeren. Laat ik daar nu net niets mee hebben. Bovendien als hij dat groot noemt, hij heeft ook nog kleinere hangen, dan heeft hij de echte zonnemaskers nog nooit gezien! Die zijn zeker twee maal zo groot. Hij roept de hulp in van Karim om me ervan te overtuigen toch iets bij hem te kopen. Karim vertelt ons nogmaals, maar nu in het Engels zijn verhaal. De man laat nogmaals het zonnemasker zien en prijst het aan. We besluiten hem ter wille te zijn, maar wel met iets wat meer in onze smaak valt een groot vogelmasker. Dat valt goed. Dit is gemaakt van veel beter hout. Hij klopt er nog maar eens op om het verschil te laten horen. Hij vertelt ons dat hij normaal zijn eerste prijs 40.000 cfa is, maar nu begint hij met 30.000 in de hoop er samen goed uit te gaan komen. We spelen het spel mee en kijken zeer bedenkelijk en praten wat over en weer en dan nog voor we een tegenbod doen zakt de prijs naar 25.000 cfa. In ons hotel hangen deze grote maskers voor een zeker dubbele prijs. We besluiten een tegenbod te doen van 10.000 cfa. Tja, wat verwacht je dan voor reactie van de verkoper. Het toneelspel is weer begonnen. Op zijn reactie reageer ik dat we in ieder geval nu toch praten over de prijs en als hij een prijs vraagt het toch logisch is dat ik lager biedt. Er wordt gelachen en we lachen mee. We kennen dit spelletje. We praten nog wat en hij zegt iets en steekt zijn hand op, ik denk hem gewoon te schudden, maar mee dat ik dat doe realiseer ik me dat hij een tegenbod heeft gedaan. En dus voor ik het goed en wel in de gaten heb blijk ik het gekocht te hebben. De man toch weer een prima dag, want er had toch wel een lager prijs ingezeten. Van de andere kant is het denk ik voor zo’n groot en zwaar masker van goed hout toch ook geen slechte prijs. Karim steekt ook zeer tevreden zijn duim op en vertelt ons in het Engels dat we een prima prijs hebben bedongen. Iedereen weer tevreden. Het is alleen niet te hopen dat we elke dag zo beladen met souvenirs terug gaan keren naar ons hotel. Karim draagt ze nu voor ons. Het is goed voor de lokale economie, want heel erg veel toeristen zijn er toch niet. Dat is iets wat je overal toch wel te horen krijgt. Het zijn geen beste jaren geweest met ongeregeldheden in Ivoorkust, en het laatst jaar in Mali. Bovendien heeft de Burkinese burger ook sterk te maken met de economische malaise in de gehele wereld en heeft ook erg veel last van de subsidies die de Verenigde Staten en Europa geven aan hun boeren op allerhande landbouwproducten. De inlandse geproduceerde producten zijn aanmerkelijk duurder dan de geïmporteerde producten, waardoor de inlandse producten ook minder gekocht worden.

In de schaduw van een hotel mogen we even wachten totdat Pascal ons weer oppikt om ons terug te brengen naar ons eigen hotel. Daar is Ida weer blij met ons Nederlands te kunnen praten. We bestellen bij haar weer de gemixte salade, die we gisteren ook hadden. Hij is echt heerlijk. Rijst, couscous en spaghetti zullen we nog vaak genoeg kunnen eten.

Nog even naar het station van Bobo gewandeld. Er is vandaag beduidend minder volk op de been dan gisteren. Er vertrekt nu blijkbaar geen personentrein. Er staan ook veel minder groene taxi’s, waarbij de een nog meer butsen heeft dan de ander. Op het plein voor het station staat een monument voor gevallen Franse soldaten van begin 1900 tot ergens in de veertiger jaren. De rang van sergeant genie was duidelijk het risicovolste. Daar naast staan ook nog enkele luitenanten en een enkele majoor op het monument. We worden aangesproken door een wat later blijkt Senegalese jonge man. Zijn Frans is allerbelabberdst. Ik begrijp hem dan ook niet goed. Zijn toon is vrij agressief en hij maakt zwaaiende bewegingen met zijn armen die mijn gezicht soms maar amper missen. We denken dat hij het heeft over de relatie Afrika en Europa. Ik vraag voor de zekerheid af en toe maar eens of hij het kan herhalen. Langzamerhand wordt de toon wat vriendelijker. Ik doe mijn best hem te begrijpen, maar echt begrijpen doe ik hem toch niet. Hij heeft het over diverse buurlanden van Burkina Faso en ik vermoed op een bepaald moment dat hij onze gids wel wil zijn voor deze landen. We besluiten het gesprek maar te beëindigen, wensen hem een fijne avond en geven hem nog een hand. Hij lacht en wenst ons een goed reis.

Als we rond zeven uur willen gaan eten worden we aangesproken door twee mannen. Ze blijken ’oude’ voorwerpen te verkopen en of we even willen kijken. Ze nemen ons mee naar het plaatsje voor het hotel, want zo horen we later eigenlijk wil de hoteleigenaar ze niet op zijn terrein hebben. Ze weten dat blijkbaar dondersgoed.

De voorwerpen en poppen lijken inderdaad wel oud te zijn. Diverse hebben er behoorlijke schade en lijken intensief gebruikt te zijn. Ik vraag voor de zekerheid hoe oud, oud dan wel niet is. Ze zeggen dat ze gemakkelijk 100 tot 200 jaar oud kunnen zijn. Hoe ze er aangekomen zijn is natuurlijk de vraag. Ze hebben diverse zaken bij zich die afkomstig zijn van een feticheur. Deze zou dit soort zaken nooit zo maar afstaan. Dat zou vragen zijn om de woede van de geesten die ze vertegenwoordigen. We menen dat kijken geen kwaad moet kunnen. Ze beginnen eerst met armbanden en een metalen lobimasker. Het heeft twee gezichten, één aan de voorkant en één aan de achterkant. Ook een kleermakersmes met kameleon, olifant en een slang wordt getoond. Wat ons wel opvalt is dat zowel onze chauffeur als Ida van de receptie op kort afstand de boel in de gaten lijken te houden. Na de metalen voorwerpen komen allerhande houten poppen uit de zakken en tenslotte nog tafelkleden. We bedanken ze hartelijk voor hun uitleg en voor het showen en gaan eten. Na het eten raken we nog even aan de praat met een Belg, die jarenlang in Nederland heeft gewoond. Daar door de slechte tijden failliet is gegaan en nu in Burkina een nieuw leven probeert op te gaan bouwen.

Opnieuw zeer voldaan, vol met nieuwe indrukken van deze bruisende stad gaan we slapen.

 

 

 

 

 

De voorouders hebben gesproken en het offer aanvaard

 

 

Dinsdag 2 juli

Na het ontbijt rijden we naar Koro, een dorpje hoog op een bergtop gelegen. Eerst even over een normale tweebaansweg, daarna over de piste, die hier en daar goed, maar af en toe ook zeer slecht is. Pascal regelt voor ons een gids. Een aardige jonge man die ons mee naar boven neemt. Een hele klim over rotsblokken. Af en toe stopt hij en vertelt ons dat er foto’s gemaakt mogen worden. Als we van mensen een foto willen maken moeten we dat wel eerst even aan ze vragen. Er wonen drie groepen mensen. Twee ervan bedrijven landbouw en de derde groep zijn de smeden. Er worden door de vrouwen ook potten gemaakt en in het laatste dorp zit ook een man kleren te maken. Alleen op de begraafplaats mogen geen foto’s gemaakt worden, je mag er niet praten en je mag er geen vragen stellen. We lopen langs een fetisj voor mensen die een tweeling krijgen. De ene stelt een vrouw voor (rechts) en de andere een man (links). Je moet als je hier een offer komt brengen aan beide delen een kip offeren om je voorouders te eren. Doe je dat niet dan zal het niet goed gaan met de tweeling. Een tweeling brengt voorspoed, want je krijgt dan vaak twee kippen of andere gaven zoals maïs dubbel. Ik vraag voor de zekerheid of ik een foto mag maken. Geen probleem is het antwoord, mits ik een ‘piece’ gooi. Ik haal een muntje te voorschijn en werp dat met een elegante boog in de richting van de fetisj en maak mijn foto.

We lopen verder en komen op een soort plein, waar de maskerdansen plaatsvinden van het dorp. Even verderop is een overkapping gemaakt tussen grote rotsblokken met boomstammetjes, met daar weer boven op een laag klei (banco). Hier komen de dorpsoudsten samen om belangrijke beslissingen te nemen, Vrouwen mogen daar niet in. Zij mogen niet meebeslissen.

De fetisj van de familie staat op een soort pleintje tussen de huizen. Aan de veren en opgedroogd kippenvocht is te zien dat er nog niet zo lang geleden offers zijn gebracht. Het hele dorp lijkt verlaten. De bewoners zijn op reis om spullen te verkopen of en dat is vermoedelijk het merendeel bezig op het land in het dal, dat erg vruchtbaar is. In het volgende quartier, dat van de smeden en pottenbaksters zijn alleen enkele vrouwen aanwezig en twee kinderen. Een oudere dame wenkt dat wel foto’s mogen maken van de vrouw die een pot aan het maken is. Met een stuk van een kalebas schraapt ze de binnenkant van de pot mooi vlak. De buitenkant wordt met eenvoudige motieven versierd. De gids die ziet dat ik mijn camera pak, herhaalt nog wel even dat ik het wel aan de bewuste dame moet vragen. Ze knikt en maakt een internationaal gebaar voor geld. Eigenlijk vind ik het niets om geld te geven voor het maken van foto’s. Maar nu ik de eerste stap heb gezet, vragen, vind ik dat ik dat eigenlijk niet meer kan voorkomen. Ik geef haar een muntje. Daarna gaat ze netjes zitten voor de foto. Ondertussen is haar buurvrouw naar Heico aan het seinen dat ik ook van haar wel een foto mag maken. Dus nog maar een muntje tevoorschijn gehaald en ook van deze oudere dame een foto gemaakt. Ze poseert als een volwaardig mannequin. Op hun binnenplaats staat een fetisj voor vrouwen die een kind krijgen. Zij kunnen dan na de geboorte hier hun offer brengen. De werkplaatsen van de mannen (smeden) zijn verlaten. Normaal kan hier wel twintig man aan het werk zijn. In de lege huizen die we passeren zien we veel kapotte canaries (potten voor water of levensmiddelen) staan. We hebben staand boven op de rotsen, een prachtig uitzicht over het dorp, de dorpen beneden en het vruchtbare groene dal. We krijgen wat groene vruchten aangereikt. Ze liggen overal op de grond. Ze worden ‘dolo voor de kinderen genoemd’. Ze smaken heerlijk zoet en hebben een flinke pit en doen ons nog het meeste denken aan lychees. Alleen de lychees die wij kennen hebben een rode gebobbelde schil. De pit wordt naderhand ook weer gebruikt bij de voedselbereiding, net zoals we weten van de karité. Het laatste dorp is ook bijna uitgestorven. Een kleermaker met een heus naaimachine en wat dames met kinderen zitten er onder een boom. Als de kinderen te veel onze aandacht vragen stuurt de gids ze weg. Een oudere dame komt met haar handelswaar. Pinda’s in plastic zakjes. Ik vraag de gids wat ze kosten. 25 cfa (vijf ct). Ik heb alleen nog maar muntjes van 200 cfa en besluit ‘heel gul’ er dus maar acht te nemen. Wisselgeld kent men vaak niet en nu verwacht ik zeker geen zakken vol met wisselgeld hier boven op de uitgestorven berg. Dat is het einde van de rondleiding vertelt de gids. Hij loopt zeer weifelend door naar beneden. Het is ons niet helemaal duidelijk of hij ons hier nu alleen achterlaat of dat hij op ons wacht. We vragen ons af of hij ook nog een ‘piece’ van ons verwacht. Het is Burkina niet echt gebruikelijk om fooien te geven, maar wie weet, hoopt hij er toch op. We geven hem 200cfa. Als we bijna beneden zijn zegt hij dat hij hiervoor zijn dagrantsoen water kan kopen. Ik weet niet hoe ik dat moet interpreteren. Ik besluit hem maar gewoon te vragen of hij er niet tevreden mee is. Nee hoor, hij is er juist erg blij mee. Beneden bedanken we hem nogmaals voor zijn fijne uitleg en hulp bij de beklimming van de rotsen en rijden daarna met Pascal verder door naar Dafra. Dafra is de naam van het dorpje, maar is ook de naam voor meervallen, die in dit dorpje heilig zijn. Je mag ze niet vangen en dus ook niet eten. Dorpelingen brengen er hun offers en geven de ingewanden van bijvoorbeeld de kip aan de meervallen. Bij het brengen van offers mag ook geen rode kleding gedragen worden. In de buurt van Dafra pikken we de gids op, een kleinzoon van de dorpsoudste. Pascal heeft een kip om te offeren en een fles dolo voor de dorpsoudsten geregeld. Na een prachtige route langs vele hoge rotspartijen en over paadjes van rotsblokken langs een rivier zien we wat dames die meervallen voeren. Ze hebben blijkbaar voer gekocht bij handelaren. De meervallen vechten om het hardste om het in het water gegooide voer. Maar, niet het echte werk dus. We lopen verder. Boven aan het einde van de kloof ligt het heilige zeer groene meer en is links aan de zijkant de fetisj waar de offers kunnen worden gebracht. Dit mag absoluut niet gefotografeerd worden. Onze gids en Pascal doen hun rode bovenkleding uit. Ook onze schoenen moeten worden uitgedaan. De beide heren begroeten de dorpsoudsten die vlak voor het heilige meer op een plateau zitten. Daarna lopen we op onze blote voeten over allerhande kippenveren en resten achter de man aan die het brengen van het offer voor ons zal gaan uitvoeren. Alleen mannelijke familieleden van de chef mogen dit karwijtje klaren. Als de kip nadat de keel is doorgesneden nog nafladdert en kakelt hebben de voorouders gesproken en het offer aanvaart. Als de kip stil neervalt, is het offer niet aanvaart en moet men een nieuw offer brengen. Gelukkig zijn de voorouders ons goed gezind en breed lachend buigt de man zich naar ons toe. Pascal en de gids, die vlak bij hem staan geeft hij een hand. We lopen terug naar het plateau voor het meer en mogen onze schoenen weer aandoen. Een vuurtje brandt tussen het plateau en het heilige meer. Nadat de kip is ontdaan van zijn veren wordt hij daarop geroosterd. Echter daarvoor worden zijn ingewanden nog aan ons getoond. Als die wit zijn is het goed. Als die niet wit zijn is dat een slecht teken. Dan geven de voorouders geen goedkeuring. Gelukkig zijn de ingewanden van onze kip spierwit. Nadat de kip geroosterd is gaat hij naar een van de dorpelingen. Sommigen leggen ze op een stapel op de rots, waardoor de vliegen vrij spel hebben, anderen stoppen ze meteen vanaf het vuurtje in een zak.

Het groene meer ligt in een schaduwrijke omgeving waar je goed tot rust kunt komen. Met het stromende en kabbelende water op de achtergrond is goed te snappen waarom men deze plaats hiervoor gekozen heeft.

Na enige tijd gezeten te hebben dalen we af naar een soort bekken in de rivier. Onze gids roept ‘dafra’, ‘dafra’, ‘dafra’ en gooit een eerste stukje ingewanden in het water. Meteen komen er grote bekken te voorschijn met lange uitstekende draden. Al spoedig wordt er gevochten om elk stukje dat in het water wordt gegooid. In tegenstelling tot de meervallen in Bobo-Dioulasso zijn dit enorme knapen. Blijkbaar worden ze regelmatig gevoerd.

Terug geklauterd naar de auto, die al die tijd heerlijk heeft staan bakken in de zon. We openen snel de ramen en dankzij een verkoelend briesje wordt het toch snel weer aangenaam in de auto. Onderweg zetten we de gids weer af waar we hem hadden opgepikt en rijden voor de lunch terug naar Bobo.

Tijdens de lunch begint het flink te waaien en wat later barst een flinke onweersbui los.

Rond drie uur worden we afgezet bij het etnografische museum. Dit wordt ook wel Le musée Provincial du Houet of Le Musée de la Culture genoemd. Het ligt aan Place de la Nation, waarop sinds 2010 een kunstwerk staat vanwege 50 jaar onafhankelijkheid van Frankrijk. Bij de ingang staat een standbeeld van een muzikant van 1.80m hoog, dat symbool staat voor de sterke muzikale tradities in deze streek. Het eerste deel van het museum bevat kunstwerken van artiesten uit Burkina Faso, die in 2012 zijn uitverkoren en nu twee jaar lang tentoongesteld worden. In 2014 zullen zij door nieuwe kunstwerken worden vervangen.

Veel kunstwerken bevatten een ideële boodschap, zoals over vrouwenbesnijdenis, dat het gevaarlijk en slecht is voor meisjes en met een link naar de goedkeuring die de drie belangrijkste godsdiensten van het land, (animisme, Islam, R.K.) aan het besluit hiermee te stoppen hebben gegeven. Een ander kunstwerk dat erg aanspreekt is een moeder met een kind op de rug en een ander aan de hand. Dat laatste kind zit op school en vertelt haar moeder dat ze rechten heeft. Moeder vraagt aan het kind ‘welke rechten’, want een vrouw heeft in Burkina traditioneel weinig rechten. Los van dat het een mooi beeld is, is ook de boodschap erachter een sterke. Kinderen leren veel van algemene waarden en normen, het nut van vaccinatie e.d. op school. Via hen moet dan ook de rest bereikt gaan worden.

Daarachter is een zaal met oudere zaken. Maskers van diverse bevolkingsgroepen, beelden, oorlogskostuums, begrafenismaskers en traditionele kleding. Buiten zijn kunstenaars aan het werk in diverse ambachten van wever tot en met houtbewerker. Ook staan buiten voorbeeld woningen van Peuhl en Bobo. Bij de Bobo komt men binnen via de algemene ruimte, dan volgt de keuken en vervolgens de slaapkamer van de vrouw. Via een trap in de kamer van de vrouw kan de man naar zijn eigen slaapkamer gaan. In een hoek van de kamer van de vrouw zit een soort opslagruimte. De opening er van zit echter in de slaapkamer van de man. De vrouw mag namelijk nooit zien hoeveel er nog in de voorraadruimte zit. Mocht ze zien dat er bijna niets meer is dan zou ze weg kunnen lopen, terug naar haar eigen familie. Via de slaapkamer van de man kom je uit op het terras, dat boven de algemene kamer zit. Voor het huis staan nog een paar typische bobo ladders en een fetisj voor het brengen van de offers, in dit geval is het een fetisj voor de geboorte van een kind.

De Fulani/Peuhl woning is veel eenvoudiger. Hij is geheel rond en gemaakt van takken/ stokken die in het rond aan elkaar gebonden zijn. Daaroverheen zit een soort rietmatten. Achter in het midden staat een bed van vader en moeder. Er om heen slapen de kinderen. Het ouderlijk bed ligt wat verhoogd en de palen van het bed in de hoeken zijn eenvoudig versierd. Rondom tegen de wand staan schalen, waarin de melk bewaard wordt. Peuhl drinken wel melk, maar eten geen vlees. Zij verkopen hun dieren om geld te verdienen en eten verder met name allerhande granen.  Op het plein voor het museum staat een hoge ‘wit’ metalen kunstwerk op Place de la Nation. Dit kunstwerk is opgericht bij de viering van 50 jaar onafhankelijkheid in 2010.

 

 

 

Eenentwintig handen aan één cashewnoot

 

 

Woendag 3 juli

Naar Ecodougou in Berégadougou. Het is niet zo ver en dus arriveren we er al om half tien. Onderweg zien we veel mangoverkopers, wat natuurlijk niet raar is in het hoogseizoen en gezien het grote aantal mangobomen dat we onderweg zien staan. Als we onze eindbestemming naderen zien we enorme suikerrietvelden. We worden gebracht naar een gloednieuw campement, dat in traditionele stijl gebouwd is. Het geheel bestaat uit zes hutten, een centraal deel dat overkapt is en een langwerpig gebouw, waarvan we vermoeden dat het de keuken zal gaan worden. In onze hut staat een tweepersoonsbed in het midden van de kamer met daarboven een muskietennet. Linksom achter het bed zit een toilet en wastafel. Rechtsom komt men bij de douche. De elektricien is nog aan het werk op het campement en ook op ander plaatsen zie je nog duidelijk sporen van arbeid. Ook het hek is nog niet geplaatst. Tot het eten zijn we ‘vrij’ en we verkennen de omgeving. Het campement ligt aan de rand van een dal, dat begroeid is met struiken en bomen. Ook water ontbreekt daar beneden niet. Aan de andere kant van het dal zien we dorpjes liggen. We ontdekken een rijk dieren- en plantenleven zo rondom de hutten. Veel formaten termieten, vlindertjes, libelles, maar ook een soort wit pispotje, een paarse bloem, duizend of zijn het miljoenpoten, palmen, mangobomen, enz. Rond half elf verschijnt een auto. De man stelt zich voor als Karst Kooiman. Hij is sinds een jaar of vijf / zes bezig met het opzetten van drogerijen en verwerkingsfabrieken voor mango’s en cashewnoten. Hij doet dat in samenwerking met een locale association. Hij exporteert deze net als verse mango’s naar Duitsland. Hij biedt aan ons een en ander ervan te laten zien. Middels de association wordt samengewerkt met 1200 boeren uit de regio. Op dit moment is hij dus met name bezig met cashewnoten en mango’s, maar hij experimenteert ook met bijvoorbeeld gemberwortel.

Als de cashewnoten de fabriek binnen komen worden ze eerst gestoomd en daarna snel afgekoeld. Hierdoor laat de harde schil gemakkelijker los. Handmatig worden deze vettige noten één voor één gekraakt en van de schil ontdaan. Wie bang is voor vuile handen kan dit werk maar beter niet doen. Een zestigtal vrouwen zitten in een grote hal dit allemaal te doen. We mogen het zelf ook even proberen. Met mijn eerste drie noten heb ik weinig geluk. Ze blijken slecht gevormd te zijn. De dames die kijken naar hoe ik het er af breng kunnen er wel om lachen. Er wordt zeep, wat water en een doek gebracht, want zelfs van drie nootjes worden je handen al aardig vettig.

Daarna worden ze in een soort oven op iets wat een zeef lijkt gedroogd. Dit werk doen een tweetal mannen. Door het drogen laten de vliesjes die om de cashewnoten zitten gemakkelijker los. In de ruimte erna zitten de dames met mondkapjes op deze velletjes er met een mesje af te krabben. Vanwege de hygiëne moeten ook wij voor we deze ruimte betreden onze schoenen uit doen. De dames kijken wel even op, telkens als we ergens binnen komen, maar werken vervolgens weer ijverig door. De dames worden betaald naar prestatie. In de daaropvolgende ruimte worden de noten gesorteerd naar kwaliteit. Hele noten, halve noten, stukjes, eventueel anders gekleurde noten. Na een laatste kwaliteitscontrole worden ze in vacuümgetrokken plasticzakken verpakt en in dozen gestopt. Het verpakken in dozen is nodig omdat ze anders door UV-straling zouden gaan verkleuren.

Als allerlaatste wordt er nog een productiecode op de dozen geschreven, zodat de herkomst van de noten altijd te traceren valt. In vijf van dit soort fabrieken wordt in het seizoen zo’n ton aan cashewnoten per week geproduceerd. Tot slot zo vertelt Karst komt een cashewnoot vanaf de pluk totdat hij bij ons in de winkel ligt al bij zo’n 21 mensen in de handen. Volgend keer toch even iets om bij stil te staan als we in Nederland weer eens die heerlijk noten eten.

Daarna door naar de mangodrogerij. Buiten worden de onrijpe en/of beschadigde mango’s door enkele dames met de hand gescheiden van de rest. Deze worden dagelijks aangevoerd met grote vrachtwagens. De hoeveelheid die wordt aangevoerd vanuit de coöperatie is afgemeten aan de hoeveelheid die men hier kan verwerken. ’s Morgens vroeg rijden de vrachtwagens naar de plantages met een man of vijf aan plukkers aan boord om het karwei te klaren. Zij plukken op zo’n plantage alles wat aan de bomen hangt. Hiervoor is een planning gemaakt, zodat de plantages waar de mango’s het rijpste zijn het eerst geplukt gaan worden.

Ook hier kijken de dames nauwelijks op van dit blanke bezoek. Daarna gaan de goede mango’s in kisten, die binnen in de opslag met een flink aantal tegelijk onder een groot plastic zeil geplaatst worden. Dit is om de mango’s, net zoals bij ander fruit ook het geval is, op hetzelfde moment dezelfde rijpingsgraad te laten bereiken. Na de rijping worden de mango’s gewassen. Drie maal in een nieuw bad. Na het derde bad gaan ze door een gat in de muur naar de productiehal. Voor we het wasgedeelte betreden moeten we opnieuw onze schoenen uitdoen. Wat opvalt is dat overal ondanks de aanwezigheid van vers fruit er eigenlijk geen vlieg te bekennen valt binnen. Karst legt uit, dat ze behoorlijk hameren op regelmatige schoonmaak en hygiëne van en in de ruimtes. In de productieruimte zit een grote groep vrouwen een diverse tafels mango’s te schillen. De aanwezige dunschillers worden niet gebruikt. Hierdoor ontstaat toch relatief veel afval. De dames gebruiken liever de grote messen, omdat ze hiermee sneller kunnen werken. Ze zij het ook gewend om daar thuis mee te werken. Na het schillen en ontpitten worden de mango’s in platte schijven gesneden. Daarna gaan ze de ovens in om gedroogd te worden. Een tweetal vrouwen spreidt de schijfjes nauwkeurig uit over een soort zeef alvorens ze in de ovens worden geschoven. Dit droogproces duurt ongeveer 15 uur. Er zit dan nog ongeveer 12% vocht in de mangoschijfjes. Ook hier volgt een vacuüm verpakking en opslag in dozen. Vlakbij ligt de eerste fabriek waarmee men ooit gestart is en waar ook de directeur van de coöperatie een kantoor heeft. Deze man heeft de coöperatie in 1980 opgericht en beleeft er nog steeds veel plezier aan. Bovendien zegt hij houdt hij erg van zijn mensen. Zijn bureau bevat een veelheid aan papier, die mogelijk ooit wel eens geordend zijn geweest in fraaie stapeltjes. Karst vertelt ons dat dit nooit anders is, maar dat de man een enorm geheugen heeft. De directeur vertelt enthousiast dat de mensen dankzij de coöperatie en connecties zoals Karst, hier een prima bestaan kunnen opbouwen. In ruim 30 jaar tijd is dit dorp van 500 inwoners uitgegroeid tot een met 12.000 inwoners. Hij geeft aan dat samenwerken onderling, maar ook met partners zoals Karst erg belangrijk is. De samenwerking waar beide partijen hun voordeel mee kunnen doen. Hij zou zoiets ook heel graag zien gebeuren met het noorden. Ik denk in eerste instantie dat hij Noord-Burkina bedoelt, maar Karst verduidelijkt mij dat hij Europa bedoelt. We kunnen veel meer voor elkaar betekenen is zijn visie, als dat we nu doen, als we maar open staan voor elkaar en met elkaar praten over wat de een heeft en de ander kan gebruiken en vice versa. Hij wil graag ons adres, zowel post als mailadres. Hij bladert wat in zijn schrift tot hij een lege pagina ontdekt en vraagt ons het hier op te schrijven. Het kan zo in ieder geval in de papiermassa op zijn bureau niet kwijt gaan, maar of het ooit terug te vinden is blijft toch maar even de vraag. We nemen nog even een kijkje in de fabriekswinkel. Cashewnoten (350cfa), bissap (1200 cfa) en natuurlijk ook gedroogde mango’s (300 cfa) nemen we er uit mee. Hopelijk gaat het met die glazen fles bissap straks goed in het vliegtuig. Na een korte middagrust vertrekken omstreeks drie uur naar de watervallen van Karfiguéla. Onderweg staan overal fruitbomen, waarvan ik de mango’s, de karité en de cashewnoten herken. Daarnaast staan er veel palmen en suikerrietplantages zo ver als je kijken kunt. We lopen er door een laan van hele oude mango’s. Enorme exemplaren. Ze hangen zo hoog en de stammen zijn zo dik dat men er niet meer in kan klimmen om ze te plukken. Alleen de gevallen mango’s worden nog eventueel opgegeten. Ook staat er een zeer oude kapokboom, te herkennen aan zijn ‘plankwortels’. Aan het einde van de mangobomenlaan hebben we een uitzicht op de watervallen, mooi om te zien. Aangezien dit het begin is van het regenseizoen is het echter nog niet echt spectaculair. Daarna over rotsen en deels aangelegde treden de klim naar boven. Op diverse niveaus zijn stukken van de watervallen te zien. Dan doet Pascal zijn schoenen uit en zijn broekspijpen omhoog en zegt ons hetzelfde te doen. We gaan hier de waterval oversteken. Ogenschijnlijk een hachelijk avontuur met al onze papieren en camera’s bij ons. Het blijkt redelijk vlak te zijn en voetje voor voetje schuifelen we door de waterval. Dan snel omkleden om lekker onder de waterval een douche te kunnen nemen. Er zijn zowel Afrikanen als Europeanen die er al onder staan. Het water blijkt redelijk van temperatuur, niet zoals we verwacht hadden ijskoud. We raken er dus al snel aan gewend. Daarna geprobeerd onder een grote stortvloed van water te gaan zitten, waar het water in al zijn kracht omlaag stort in een enorme massa. Ik geef er na korte tijd toch maar de voorkeur aan een minder sterke stroom op te zoeken. Afgezien van het geluid van vallend water is het er verder heerlijk rustig en hoor je de vogels fluiten. Tegen vijf uur kleden we weer om, want ook de Dômes de Fabedougou staan nog op het programma van vandaag. We zijn ze op weg naar de watervallen al gepasseerd, dus een eerste blik hebben we er al op geworpen. Het zijn enorme hoge zuilen, zeker als je er tussen staat. Ze zijn door de eeuwen heen uitgesleten door wind en regen. Na de enorme zuilen wat op ons te hebben laten inwerken klauteren we naar de top van één van de zuilen. Het blijkt vanwege de gelaagdheid van de rotsen nog redelijk eenvoudig te gaan. En dan opeens sta je op de top van zo’n kolos en komt de grootsheid en schoonheid ervan nog meer tot zijn recht. Ook de bijna ondergaande zon maakt dat het plaatje bijna sprookjesachtig aandoet. Zo ver als je kijken kunt zie je deze zuilen staan, enorm. Dan klauteren we weer rustig naar beneden. We lopen nog wat tussen de Dômes door en gaan ergens enige tijd stil zitten genieten van het aanblik. De duisternis begin te vallen en daarom besluiten we toch om een einde te maken aan ons verblijf hier. Hoewel we hier eindeloos zouden kunnen blijven zitten kijken naar dit fraai gevormde rotslandschap. Onderweg nemen we de parkeerwacht van de Dômes nog mee, zodat hij niet het hele eind naar huis hoeft te lopen. Hij blijkt een aantal kilometer verderop te wonen. Hij is dankbaar voor de lift, want nu is hij voor het donker thuis. Ook wij redden het net om voor het echt donker is ons campement te bereiken.

Op Ecodougou krijgen we een extra lamp aangereikt. Alles lijkt nog gloednieuw en nog ongebruikt. De elektra ligt wel in ons huisje, maar werkt nog niet. Als we op ons avondeten zitten te wachten wordt voor Pascal ook nog een bed gebracht. Een brommertje met daarop twee personen arriveert in het donker. Onbegrijpelijk dat men zo heelhuids aankomt met het eten, zonder licht op de brommer en over de hobbelige paden. Borden en bestek worden uit de keuken gehaald en dan kan met het avondeten worden begonnen. Na het eten rijdt men op de brommer, zonder licht, weer terug naar het dorp.

 

 

Wie dolo wil drinken mag niet dik zijn

 

 

Donderdag 4 juli

We staan op de gebruikelijke tijd op, omstreeks half zeven. De haan kraait ook hier al weer enige tijd en ook de vogels zingen inmiddels het hoogste lied. Ze hebben het geknerp van de krekels en andere nachtinsecten overgenomen. Onze nachtwaker is, zo neem ik aan door de geluiden die ik hoor, bezig de jonge aanplant water te geven met een emmer. Ook veegt hij het middenplein schoon. De nacht was erg warm. Omdat er nog geen elektra is in het campement werkt de ventilator (helaas) ook nog niet. Door de raampje komt wel enige koele lucht naar binnen, aangezien het ’s nachts beduidend koeler is dan overdag. Een echte fijne slaaptemperatuur kunnen we het echter niet noemen. Om zeven uur zitten we aan het ontbijt met stokbrood en overheerlijke mangojam van de plaatselijke fabriek, Wouol. Na het ontbijt richting Banfora over een grotendeels prima, geasfalteerde weg. In Banfora slaan we eerst even drinkwater in en dat blijkt die dag geen overbodige luxe. Dit ondanks het feit dat de zon zich lang achter een groot wolkendek verscholen houdt. Samen met een koel briesje zorgt het ervoor dat we de temperatuur aangenaam vinden. In Banfora staat een bord dat mijn wenkbrauwen doet fronzen. “Wegwerkzaamheden over 50 km, verboden harder te rijden dan 30 km per uur”. Ik zie een grote bulldozer onze kant op rijden. Zou de weg zo slecht zijn? Kan dit echt waar zijn, 50 km aan wegwerkzaamheden? Het belooft in ieder geval niet veel goeds. Het eerste deel is een gewone hobbelige dorpsweg. Dan zien we naast ons een gloednieuwe duiker in aanbouw, waardoor straks het wegstromend water niet meer over, maar onder de weg door kan stromen. Daarachter lijkt het begin te liggen van een gloednieuwe weg in aanbouw. Het is zo blijkt al gaande weg inderdaad een nieuwe grote weg. Overal is men bezig met groot materieel. Hier en daar lijkt de weg klaar om geasfalteerd te worden. Bijna overal is begroeiing gerooid en zijn piketpaaltjes geslagen of is men daar nog mee bezig. Landmeters zijn hier en daar bezig de juiste posities te bepalen. De nieuwe weg wordt nagenoeg als een rechte lijn door het landschap heen gelegd. De oude, waarover wij nog voor het grootste deel van de vijftig kilometer rijden slingert afwisselend links en rechts langs deze nieuwe weg. Daar waar we de nieuwe weg moeten oversteken wijzen dames in fluoriserende hesjes met een rode en een groene vlag ons de juiste richting en regelen zo nodig het verkeer. Voor het overige bestaan de werknemers voornamelijk uit mannen.

Al slingerend en hier er daar enorme kuilen ontwijkend arriveren we bij onze eindbestemming van deze ochtend Niansogoni. Met de gids maken we een behoorlijk klim omhoog. Af en toe een rustpauze om even te genieten van het uitzicht over het dal. De gids vertelt ook over bomen en planten die belangrijk zijn/ waren voor zijn familie. Zoals onder andere de baobab, cashewnoten, de karité en fruitbomen. De kapokboom, waarvan men de groene vruchten kan eten of als deze rijpen veranderen in pluizen, die men kan spinnen en weven tot kleding.

Hier boven in de berg woonden in vroegere  tijden de Wara, die hier bestond uit vier families, waaronder de familie Traoré, waartoe onze gids behoort. De reden dat zij zo hoog gingen wonen was de angst voor aanvallen van andere volken. Vanaf vrij hoog op de berg keek een wachter uit over het dal. Zodra hij onbekenden gewaar werd, blies hij op een lange metalen hoorn om iedereen te waarschuwen. Wie beneden was in het dal keerde dan snel huiswaarts. Wie al boven was maakte zich gereed voor de strijd. Men gebruikte daarvoor twee soorten wapens. Ten eerste liggen er ter hoogte van de wachtpost grote rijen stenen tactisch klaar, om bij het naderen van de vijand naar beneden gerold te worden. Voor zover dat niet afdoende was stond men met pijl (waarvan de punt in gif gedoopt was) en boog klaar om de vijand uit te schakelen. In rustigere tijden in het natte seizoen woonde men beneden om het land te bewerken. Na de oogst, als alles weer was opgeslagen in de voorraadschuren boven ging men weer veilig boven wonen. Water en bouwmaterialen (klei) voor de huizen moest men beneden in het dal gaan halen en op het hoofd naar boven brengen. Geen klein opgave zo hebben we zelf al gemerkt bij het beklimmen van de berg. En dan hadden wij nog niet eens een flinke bak met water of klei op ons hoofd te dragen.

De vier families die er woonden, bestonden waarschijnlijk samen uit zo’n 1000 personen en leefden er in vrede met elkaar. Onenigheden werden opgelost zoals op vele plaatsen in Burkina in een vergadering van de dorpsoudsten. Zij zaten voor het dorp op platte stenen, in de schaduw van een grote boom. Rondom deze stenen staan nog wat restanten van banco woningen, die door regen en wind, gedurende vele eeuwen, nu bijna geheel verdwenen zijn. Mannen hadden rechthoekige en vrouwen ronde huizen. Dit zie je ook beneden in het dal terug. Op vele erven kun je deze kenmerkende manier van bouwen nog terugzien.

Na nog wat verder geklommen te zijn, waarbij de gids ons geduldig voorgaat en zo nodig een handje helpt staan we opeens oog in oog met de overhangende rots en de daar aanwezige granaries. Hier was het belangrijkste deel van het Wara dorp gevestigd. De chef had zijn woning in de rotsen en ook de granaries (voorraadschuren) van deze families bevonden zich onder deze overhangende rots, goed beschermd tegen de regen. De opening van de granaries zit vrij hoog en je kunt er met behulp van een laddertje inklimmen. Dit mocht alleen gedaan worden door  kinderen of mannen. Vrouwen mogen er nooit in kijken, want als ze zouden zien dat er bijna niets meer in zit zouden ze de man wel eens kunnen gaan verlaten. De vrouw heeft wel een kleine granarie tot haar beschikking, waar de man altijd voor zorgde dat er iets in zat voor dagelijks gebruik. Dit voor het geval noch man noch kinderen thuis zouden zijn als zij levensmiddelen nodig had voor de maaltijdbereiding. We persen ons door een kleine spleet tussen twee rotsen het ‘cabaret’ in, wie te dik is zal hier niet binnen kunnen gaan. Dit is een plaats waar men gezellig samenkomt en een potje bier drinkt (kalebas met dolo). Er liggen halve kalebassen in een opening in de rosten, die als een soort kast diende. Er is een vuurplaats waar de dolo gebrouwen kon worden en een steen om de gierst fijn te malen. De ruimte is niet erg groot en zit onder een schuin uitstekende rots. De keukenopening is fraai versierd, met inkervingen in de rots. De ruimte bevindt zich naast het ‘huis’ van de chef. Ook de ingang van het huis van de chef is fraai versierd. In zijn kleine grot liggen diverse halve kalebassen. Verder onder de rots is er een kleine ruimte om te verblijven en om te slapen.

De granaries zijn opgebouwd uit lagen leem. De binnenkant en buitenkant wordt daarna gladgestreken. Hier en daar zijn tussen de granieries in stookplaatsen en woningen. Ook is er een huis waarin lemen potten, canaries gemaakt werden. Een van de hutten onder de rots is met uitzondering van het dak goed beschermd gebleven en we kunnen er nu bovenlangs een kijkje in nemen. Na een vrij lage opening kom je in een eerste kamer, met op 1/3 van het huis een muurtje van ongeveer 70 centimeter hoog. Als men daaroverheen klimt komt men in de slaapkamer van in dit geval een vrouw. Het is een ronde hut. Men sliep hierin met twee tot vier personen. In geval van gevaar kon men als een indringer zich aandiende en over de muur heen keek, met een flink mes zo zijn hoofd er af kappen. Bovendien had de bewoner het voordeel naar het licht toe te kijken en dus een goed beeld te hebben van de indringer, terwijl de indringen komende van buiten eerst nog moest wennen aan de donkere kamer.

Verderop is de ruimte onder de rots, die van de genezer. Wie ziek was kon zich bij hem melden en hij stuurde dan iemand weg om de juiste kruiden te gaan halen. Vaak gebruikte hij ook stukken van slang of schorpioen, vanwege hun geneeskrachtige werking, die hij dan eerst fijnmaalde tussen twee stenen. In het huis zien we ook een slang verwerkt. Wat hoger in de rots gelegen was de kraamkamer. Het bed blijkt door de jaren heen ingestort te zijn. Ook deze ruimte is niet erg groot, zoals eigenlijk alle ruimtes die in de rots zitten. Na tenslotte nog enkele nauwe openingen gepasseerd te hebben en na wat geklim en geklauter komen we uit bij een rood touw, dat verdere doorgang verspert. Hierachter ligt het heilige deel. De families hebben besloten hier geen bezoek toe te laten. Achter dit heilige deel dat goed verstopt zit achter een aantal grote granaries, bevinden zich nog veel meer granaries.

Op het hoogste niveau tegen de rotsen zijn nog enkele Koninklijke granaries met tekens in de Warataal. Te lezen door de bewoners, maar niet door aanvallers van buiten af. In een van deze granaries bevond zich ook het gif dat voor de pijlen gebruikt werd.

Al met al een imposante stad. Te meer als je bedenkt dat alle materialen hiervoor te voet, op het hoofd naar boven zijn gebracht. De families wonen nu al weer eeuwen in het dal, wat zeker in vreedzame tijden toch veel gemakkelijker is. De gidsen die de toeristen nu naar boven begeleiden zijn zonen van de vier families. Vanaf de berg kijk je uit voer een groot groen dal. Op slechts vijf kilometer afstand ligt Ivoorkust en op 35 kilometer de andere kant op Mali. De bevolking trekt zich hier niet zoveel aan van de officiële landsgrenzen. Families wonen hier dan ook aan beide zijden van de officiële grenzen.

Na een stevig klim omhoog en soms zeker zo lastige klim omlaag, rijden we over een nogal slechte weg met veel kuilen en verraderlijke waterplassen naar ons lunchadres vlakbij de Pics de Sindou. De lunchplek is eigenlijk ook een campement, zoals Ecoudougou in Berégadougou. Ook dit is gloednieuw en nog niet in gebruik, verwacht ik aangezien we bij een rondleiding door de beheerder nog nergens een toiletpot aantreffen in de hutten. De riolering is er al wel voor aangelegd, maar de pot ontbreekt nog overal. Wel werkt hier de elektra, de douche en ligt er een matras op het bed van cement, waarboven een klamboe hangt. Het eten is er prima en wordt geserveerd door twee weeskinderen, die er wonen en werken. Het is een project van ‘terre des enfants’, waar weeskinderen worden opgevangen. De eindverantwoor-delijke voor dit project komt als we klaar zijn met de lunch bij ons aan tafel zitten. Hij is tevens onderwijzer en erg begaan met het lot van zijn streekgenoten zo blijkt uit zijn verhaal. In veel grotere gezinnen, polygamie is hier nog normaal, is er nauwelijks sprake van een inkomen. Men leeft van wat het land hen biedt. Vader is niet in staat om de kosten voor het naar school kunnen laten gaan van al zijn kinderen op te kunnen brengen. Veertig procent van de kinderen uit deze streek gaat nu naar school. Enige jaren terug was dit nog 36%, een kleine verbetering dus. Slechts een klein percentage gaat daarna naar vervolgonderwijs, men heeft gewoon het geld er niet voor. Verder noemt hij corruptie als een groot probleem en ook een overheid die het onderwijs niet van voldoende middelen voorziet. De enorm grote klassen. 80 tot 100 leerlingen per klas, waardoor er nauwelijks enige individuele aandacht kan zijn voor met name kinderen die het minder goed doen. Hij kent Nederland van de melk en ook dat er veel water heeft is hem bekend. Maar dat Pays-Bas letterlijk genomen moet worden, dat delen van Nederland zich onder waterniveau bevinden is nieuw voor hem Hij vindt het geen veilig idee, onder waterniveau te wonen. Wij verzekeren hem dat dit over het algemeen geen enkel probleem is.

In zijn project worden op dit moment veertien kinderen opgevangen. Ze helpen naar hun mogelijkheden mee bij het runnen van het hotel/ restaurant. Zo hoopt hij ook meer middelen te vergaren. Rond half vijf vertrekken we, nadat we zijn kaartje mee hebben gekregen, naar de Pics de Sindou, er vlak bij.

Het is een gebied van zeven kilometer lang en 1 kilometer breed, met een ontelbare hoeveelheid rotspunten. Ze zijn enorm en je voelt je nietig als je er zo tussen staat. Ook hier weer een vriendelijk gids, die na een telefoontje van Pascal al snel aangereden komt. Hij vertelt hoe de voorouders van de mensen die nu beneden in het dal wonen, zich hier ooit vestigden vanuit de buurlanden. Overblijfselen van het banco huis van de chef (langwerpig) en dat van zijn vrouw (rond) staan er nog. Bij de vrouw is een fetisj in de muur van haar woning gebouwd om de kwade geesten buiten te kunnen houden. Naast vele soorten vogels zitten er in dit gebied ook Makaken. Helaas zien we die niet tijdens onze tocht tussen de rotsen.

Als ik aan het einde vraag of ik er niet één van die pieken mee zou mogen nemen, omdat ze zo imposant zijn, zegt de gids eerst dat ze wel erg lastig mee te nemen zijn. Even later zegt hij, dat hij de volgende keer als ik kom een grote vrachtwagen zal bestellen, zodat ik er toch één mee kan nemen. Geweldig toch, zo iemand die meedenkt.

Dan beginnen we weer aan de terugreis langs de 50 kilometer nieuwe weg. Het wordt al behoorlijk donker als we Banfora passeren op weg naar het campement. Het is best wel link, want zowel fietsers, voetgangers, brommers, maar ook auto’s en vrachtauto’s zitten soms zonder verlichting op de weg. Gelukkig bereiken we zonder brokken te maken ons campement. Een hele opgave voor onze chauffeur, zo lijkt ons.

Daar wacht ons weer een heerlijke maaltijd, inclusief het plaatselijk geproduceerde mangosap. Daarna nog even het dagverslag bijwerken.

De nachtwaker komt langs om te vragen of we de ramen willen sluiten, want er komt mogelijk regen. Binnen is het nu drukkend warm. We besluiten deur maar open te laten staan als we gaan slapen, want anders drijven we straks helemaal het bed uit. De bewaker buiten zal tenslotte op ons passen. En dat doet hij. Terwijl ik wat spullen opzij zet om een kiertje te kunnen maken, knarst en piept de deur. Vrijwel meteen wordt elders op het campement een zaklamp aangedaan en er wordt geroepen. Ik roep dat alles goed is en de lamp gaat even later weer uit. We hebben een attente bewaker dat is nu zeker.

 

 

 

 

 

Nijlpaarden kijken bijna een hachelijk avontuur

 

 

Vrijdag 5 juli

Om half zes opgestaan. We gaan nijlpaarden spotten op het meer van Tengrèla. Daarna, zo is het plan zullen we terugkomen om te ontbijten. De dame die voor het ontbijt zorgt begint rond 6.15 uur de tafel te dekken, blijkbaar gaan we toch eerst ontbijten. Ze laat nog heerlijke mangojam voor ons halen en ook theezakjes blijken nog te ontbreken. Als de boodschappen aan komen blijken er ook nog overheerlijk mango’s meegebracht te zijn voor ons. Genieten is het.

Bij ons vertrek bedanken we alle aanwezigen voor hun diensten. De volgende keer zal het licht zeker werken, zo beloven ze. Dat dan ook de ventilator zal werken lijkt me helemaal geweldig. We rekenen nog de extra maaltijden af en worden enthousiast uitgezwaaid. Op naar Lac de Tengrèla. De wolken worden donkerder en dreigender. Als we bij het dorp aankomen zit een visser zijn netten te boeten. Hij begint te bellen. Dan stapt hij bij ons in. Blijkbaar is het niet gelukt iemand anders als gids te regelen en besluit hij het zelf te gaan doen. Als we uit de auto stappen vraagt hij of we plastic bij ons hebben. Ja hoor, regenjassen hebben we in de tas zitten. We lopen naar een aantal platte vissersboten, die aan de kant klaarliggen. Hij stapt in één van deze boten en begint met een plat bord te hozen, hopelijk hoeven we dat straks op het meer niet te herhalen. Tussen prachtige geelwitte en paarse lelies door varen we het grote meer op. De bodem van het meer kunnen we goed zien en de visser duwt onze boot gestaag voort met een lange stok. De lucht wordt alsmaar donkerder. Op veel plaatsen staan lelies hoog boven het water in bloei op een lange steel. Ze zwieren heen en weer in de sterker wordende wind. Dit belooft niet veel goeds. De eerste spetters voel ik op mijn arm. Op dat moment wijst de visser ons op een groepje nijlpaarden, die met een deel van hun kop boven water uitsteken. Hij blijft op gepaste afstand van deze dieren. Hij zegt ons snel foto’s te maken, want er zal zo een flinke bui gaan losbarsten. Het wordt donkerder en donkerder. Als het echt gaat regenen en met sterke wind zal hij afdrijven naar de overkant van het meer en dat is wel het laatste wat hij wil. De druppels worden groter en talrijker. We besluiten toch maar onze regenjassen aan te doen en de camera’s op te bergen. Onze gids heeft het zichtbaar zwaar om de boot in de striemende regen weer naar de kant te brengen. Hij brengt ons dan ook niet terug naar het startpunt, maar naar een andere plaats aan dezelfde kant van het meer. Als we uitstappen schuilen we even onder wat grote bomen. Hoewel onze gids al door en door nat is rent hij vandaar toch weer naar een grote groep mangobomen. Ook deze geven een goede beschutting. Wij lopen er in onze regenjassen snel achter aan. In het open veld is er tenslotte geen ontkomen aan. Dit is een echte Burkinese regenbui. Ze duren meestal één tot anderhalf uur en gaan gepaard met een behoorlijke wind en slagregens. De boeren zullen er blij mee zijn. Wij staan aan het begin van het regenseizoen en er is op vele plaatsen nog niets tot weinig gevallen. De rijstvelden die laag liggen hebben twee tot drie oogsten per jaar en liggen er prima bij. De anderen zijn nog gortdroog en afhankelijk van dit soort regenbuien. Ook de yam die in bergjes wordt geteeld, hebben we laatste dagen overal geplant zien worden, maar er was geen water te bekennen. Voor ons is deze regenbui wat minder. Het betekent een ingekorte toer. Gelukkig hebben we toch nog wat van de naar schatting 60 in het meer levende nijlpaarden kunnen zien. Voor de overal ploegende, zaaiende en onkruidwiedende boeren een zegen. Ik wil niet egoïstisch lijken, maar een half uur langer had de bui wel op zich mogen laten wachten.

Onderweg is het leven nagenoeg stil gevallen. Straten en stalletjes zijn verlaten en leeg. Hier en daar is de koopwaar met plastic afgedekt, maar het meeste is elders in veiligheid gebracht. Enkele mensen met spullen op hun hoofd lopen stug door, ook wat fietsers en brommers trekken zich weinig aan van de regen. Hier en daar zie je ook jongetjes met hun kuddes zeeboes en geiten terug naar huis lopen. Enkelen zoeken beschutting onder grote overal aanwezige mangobomen. Als het nagenoeg droog is komt iedereen weer uit zijn schuilplaatsen tevoorschijn. De spullen worden weer in de kramen of gewoon op straat uitgestald, het leven herneemt zich. Al snel zie je aan de mensen en dorpen niet meer dat het zojuist geregend heeft. Alleen op de wegen staan nog grote plassen. Sommigen zijn ondiep en anderen verraderlijk diep. Meestal schat Pascal het goed in, maar soms ook vliegen we behoorlijk de lucht in als er ineens een diepe plas is, waar hij wat te hard door heen rijdt. Grote klodders rode modder kletteren dan neer op de motorkap en de voorruit. De Nationale Politie, die ’s morgens nog ijverig de papieren controleerden hadden het nu gelukkig te druk met andere mensen pesten. Tenminste Pascal zijn vrienden zijn het in ieder geval niet.

Onderweg passeren we op diverse plaatsen slagbomen. Deze blijven tot twee uur na een regenbui gesloten voor vrachtwagens, tenminste als hij bemand is. Dit is om de weg te sparen. Een man staat langzaam op als we naderen en stoppen en tilt de slagboom zo hoog op als nodig is om ons te kunnen laten passeren.  Hij wenkt dan dat we door kunnen rijden. Er volgt een redelijk goede piste. Hier en daar hebben waterstromen hun verwoestend werk gedaan in het wegdek en ook naast het wegdek zien we op diverse plaatsen nog water stromen naar lagere gebieden. Deze weg heeft gelukkig al veel aquaducten, onder de weg door, zodat het water ongehinderd en zonder schade aan te richten de weg kan passeren. We zien veel kleine moskeeën en moslims te herkennen aan hun hoofddeksel. Ook diverse herders/ Peuhl wonen in dit gebied. Op diverse plaatsen zien we grote kuddes van met name runderen, die soms gevaarlijk vlak voor onze wagen de weg oversteken.

Het gebied waar we doorheen rijden staat vol met struiken en bomen. Af en toe kunnen we er tussen door een boer zijn land zien bewerken. Tegen twaalf uur zijn we bij ons tweede reisdoel, Loropéni. Deze ruines staan sinds 2006 op de Unesco werelderfgoedlijst. We besluiten eerst te gaan eten. De gids wijst ons een restaurant drie kilometer verderop, waar ook wel eens ‘etranger’, buitenlanders komen. Wij rijden er heen en parkeren de auto in de drukte markt van de markt. De eerste serveerster roept op verzoek van Pascal een andere, die wel Frans spreekt. Er blijkt niet veel keuze te zijn. We vinden het prima. Kort daarna wordt de kip al gebracht en na wat aandringen wordt ook nog rijst gebracht. De kip is prima en de rijst heeft een vissmaak. Als we vragen om cola, blijkt dat ze alleen maar bier schenken. Ondertussen staat een duidelijk minder begaafde jongen te bedeleen aan onze tafel. Na twee verzoeken van Pascal aan de serveerster neemt ze hem mee. Even later verschijnt een andere bedelaar, die ook een metalen blik bij zich heeft. Hij ziet ons eten en neemt vlak bij ons plaats op een muurtje. Na een mislukte poging om met ons in contact te komen geeft hij het op. Als we klaar zijn ligt er nog wat eten op onze borden. De serveerster ruimt af en de man volgt haar naar de keuken alwaar hij blijkbaar de restanten krijgt. Ik reken af, 1800 cfa, voor drie maaltijden. Dat is omgerekend nog geen drie euro, onbegrijpelijk. Een beetje onhandig geeft de serveerster me 100 cfa terug. De waarde draait ze nog naar beneden voordat ze hem teruggeeft. Heico ziet ze daarna wat staan te frommelen met iets in haar hand. Ik frons mijn wenkbrauwen, maar besluit er geen punt van te maken. Dan keert ze terug naar onze tafel en vertelt dan het 1900 cfa moet zijn. Innerlijk geloof ik er niets van, maar besluit niet moeilijk te doen. Nadat Pascal is teruggekeerd en we willen vertrekken meldt ze zich nogmaals. Ze blijkt zich vergist te hebben, het moet 2200 cfa zijn heeft haar ‘patron’ gezegd en ze had me 200 in plaats van 100cfa teruggegeven, zo zegt ze. Gelukkig kan ik het hard maken dat dat niet het geval was, aangezien ik alleen een 100 cfa stuk in mijn portemonnee heb zitten. We vullen het verschil aan, en denken er zo het onze van.

We rijden terug over de drukke markt naar de ruines van Loropéni. De gids stapt aan straat bij ons in. Waar anderen me regelmatig de ruimte geven om de teksten even te vertalen, ratelt zij bijna aan een stuk door, als ik ze niet onderbreek. Ze vertelt dat er nog vele gespeculeerd wordt met betrekking tot het oorspronkelijke doel van de bouw en door wie het gebouwd is. Tegen wilde dieren, voor opslag van slaven of ter bescherming van de goudhandel. Karavanen trekken al eeuwen langs deze plaats. Archeologisch onderzoek, koolstofdateringen en onderzoek van de aanwezige bomen hebben wel wat zaken duidelijk gemaakt. Er was bewoning met tussenpozen sinds de elfde eeuw, de laatste bewoners hebben de ruïne in de negentiende eeuw verlaten. Dit kan men vaststellen aan de hand van de bomen die er sinds die tijd zijn gaan groeien. De oorspronkelijke buitenmuur bestaat uit twee muren van larerietsteen (vulcanisch) met daartussen stenen van banco. Beneden heeft de muur een dikte van 1.40m en naar boven toe wordt hij beduidend smaller. De muren waren afgesmeerd met banco gemengd met honing. Een deel ervan is nog steeds aanwezig en heeft hier en daar meerdere lagen, ten teken van een langere bewoning. De buitenmuren zijn zes meter hoog en 100 meter in het vierkant en staat op elf hectare grond. Er waren oorspronkelijk twee ingangen. Na elke ingang was er een soort hal. Het geheel bestond uit twee sectoren van ieder 50 meter breed en 100 meter lang. Deze waren verbonden door een muur. Hier en daar ziet men tegen de buitenmuur ‘gaten’ en ook een stuk hout steekt er nog uit. Men vermoedt dat daar een constructie van een dak aan vast heeft gezeten of een tweede mogelijkheid is dat men van daaraf over de muur naar buiten kon kijken en een mogelijke vijand kon afweren. Het meest waarschijnlijke, daar gaat men nu van uit, is de eerste versie aangezien er in de bodem ook fundamenten van een soort vertrekken is gevonden. Wat verder opvalt is dat het gebouw nergens ramen heeft aan de buitenkant. Ook zijn er restanten gevonden die duidelijk wijzen op de aanwezigheid van een keuken met een vuurplaats en restanten van potten van aardewerk.

Na een ronde door de binnenkant vraagt de gids of we terug willen. Als ik wat aarzel zegt ze dat we ook nog buitenom kunnen lopen. Daar blijken op diverse plaatsen flinke bomen in de muur als een soort parasiet te zijn vastgegroeid. Een flinke uitdaging voor de restauratie lijkt me. Om de ruines heen zijn de eerste meters boom en struikvrij gemaakt. Ook is men begonnen met conserveerwerkzaamheden en ook zal men hier en daar de ruines weer verder opbouwen om  bezoekers een beter beeld te kunnen geven van het geheel. Ook zal het archeologisch onderzoek op en rond de site nog verder gaan. Buitenom lopend ontdooit ze wat en vraagt of we goed gegeten hebben in het door haar aangewezen restaurant. Ik bevestig dat en vertel dat de kip met rijst prima smaakten. Ze geeft aan dat naast rijst en yam niet veel andere producten door de locale mensen gegeten worden. Er zijn hier in de buurt geen coöperaties. Ieder verbouwt wat hij zelf nodig heeft voor het gezin. Men eet wat er voor handen is. Er rouleert weinig geld, want wat er over is wordt niet verkocht, maar bewaard voor het nieuwe zaaiseizoen. Terug bij de auto vertelt ze dat ze niet mee terug rijdt naar de straat, want er staan twee andere mensen op haar te wachten. We snappen nu waarom ze na de toer binnen de vraag stelde of we misschien wel terug wilden. Ze heeft nieuwe klanten die staan te wachten.

We rijden door naar Gaoua, waar we rond drie uur onszelf installeren in een met een ventilator gekoelde kamer gelegen aan een middenterrein met veel groen. Centraal is er een overkapte ruimte met tafels en stoelen.

Mijn oog valt meteen op vlinders die zich op de bloemen storten op zoek naar nectar. Ze lijken op onze Koninginnepages. Ik vlieg er op af met mijn camera. Verder zitten er ook duiven en wevertjes in de mangobomen en ook een hagedis is niet veilig voor mijn camera. Terwijl ik dit alles nu opschrijf doet Heico een dutje onder de ventilator en zit ik heerlijk in de schaduw van de mangobomen op het middenterrein van het hotel. Als de wind er is voelt het heerlijk aan, maar als die wegvalt lijkt het toch meer op een zwoele zomeravond. Een bijenetertje herkenbaar aan zijn kromme snavel landt naast me in de struik. Maar voordat ik mijn camera in gereedheid heb kunnen brengen vliegt hij weer weg. Ik geniet van deze oase van rust, hoewel de haan zich weer roert en op de achtergrond ook wat geluiden van andere hotelgasten zijn waar te nemen.

Tegen zeven uur begint het flink te waaien. Jawel, er barst even later een flinke bui los. Het terrein is gelukkig goed aangelegd en de grote hoeveelheid water wordt prima afgevoerd. Het vormt een groot gordijn vanaf het dak van het hotel naar beneden. De receptionist komt langs met een lijstje van het restaurant. Een steak met frites, erwten en een tomatensalade bestellen we. Pascal bestelt een groentemix met ei in Libanese stijl. De kok glundert als we hem na afloop bedanken voor de heerlijke maaltijd.

Gelukkig is het door de regenbui goed afgekoeld. Onze kamer is echter nog behoorlijk warm en dus proberen we met alle ramen open en de ventilator aan de ruimte nog wat te ventileren voor de nacht.

 

Bij de Lobi kun je echt geen potje breken

 

 

Zaterdag 6 juli

We worden rond half zeven wakker vanwege onweer in de verte en opeens kort na een flits een enorme knal. De regen klettert op het dak en ook buiten horen we hem op het beton neergutsen. Rond zeven uur is het ergste voorbij en gaan we ontbijten. De dagen volgen elkaar in sneltreinvaart op. Wij zijn nu al ruim een week in Burkina en hebben al verschrikkelijk veel interessante zaken gezien en veel leuke enthousiaste mensen ontmoet. Vandaag staat het museum van Gaoua als eerste op het programma. Wij gaan al vroeg op weg, terwijl het langzamerhand droger begint te worden. Het museum opent om acht uur, zo lezen op de deur. Als we er rond half negen aankomen ligt de bewaker nog languit op de bank onder de overkapping voor de ingang. De gids is nog nergens te bekennen. Eigenlijk niet echt vreemd, want bij regen ligt het hele leven gewoon stil. Ook in Gaoua zelf zijn nauwelijks mensen op straat of in hun winkel / werkplaats te bekennen. Pascal belt de gids Balagy op en na enige tijd verschijnt hij gehuld in regencape. Hij opent het museum en laat ons binnen. Hij doet het licht en de ventilator aan. Hoewel warm is het niet, want zowel de nachtwaker als Pascal zijn erg blij met hun warme trui. Wij lopen natuurlijk gewoon in onze t-shirtjes. Het voelt aan als een verfrissende temperatuur na een zomerse regenbui. Het museum is opgezet vanuit de collectie van Mme Madeleine Nére, een Franse non, etnoloog, die hier eigenlijk haar hele leven heeft doorgebracht. Zij is hier ook overleden en begraven. Dankzij haar onderzoek en archivering van allerhande zaken is veel van de diverse bevolkingsgroepen in deze regio nu vastgelegd. Ook maakte zij veel foto’s en verzamelde zij allerhande objecten.

De eerste ruimte is ingericht rondom de vrouw, erg belangrijk in dit gebied, omdat families matriarchaal zijn ingesteld. De jongens en meisjes krijgen bij hun geboorte een vast naam, die aangeeft welke plaats ze innemen in het gezin van de moeder. Pas bij de initiatie krijgt men een persoonlijke naam, die bij de persoonlijkheid en karakter van de persoon past. In de hoek van de ronde hut van de vrouw staan haar potten. Hoe meer potten, hoe rijker een vrouw is. Ze heeft verschillende potten voor water, dolo, voedselopslag, sauzen, soumbala, enz. In de hoek staat een speciale pot, de ‘scheidingspot’. Zodra de man of vrouw deze kapot slaat is het huwelijk voorbij en keert de vrouw terug naar haar ouders. Het lijmen van de pot is er niet meer bij. Kapot geslagen is een definitief einde. Mocht de man per ongeluk deze pot breken, dan kan hij door haar een nieuwe te geven en te overladen met cadeaus soms nog voorkomen dat de vrouw naar haar ouders terugkeert.

Verder staan er diverse maten manden en hangen er diverse foto’s. Opvallend is dat de vrouwen vroeger nauwelijks lange haren hadden en de mannen, zoals in de volgende zal blijkt mooie rasta vlechten hadden. Tegenwoordig is het meestal omgekeerd. Ook staan er houten beelden, waaraan men bij de fetisheur offers kan brengen, zoals kauri’s, kip, geit en rund, om hulp te vragen om bijvoorbeeld een gezond kind te krijgen. De fetisheur ontvangt de informatie van de voorouders en zoekt daarna de juiste kruiden in de wildernis. Welke kruiden hij nodig heeft maken ook de voorouders hem duidelijk. Hij doet daarmee zijn magische werk en de vrouw zal een gezond kind baren. Na de bevalling brengt men opnieuw en bezoek aan de fetisheur om dank uit te spreken aan de voorouders middels een offer. Bij gebrek aan kauri’s tegenwoordig gebruikt men ook gewoon Cfa’s. Kauri’s waren hier vroeger een betaalmiddel, maar zijn in deze streken langzamerhand zeldzaam geworden. Ook in de mannenzaal aandacht voor de fetisjbeelden. Voor elke reis, jacht of oorlogshandeling werd de fetisheur geraadpleegd.

Er is een uitstalling van voorwerpen voor oorlogsvoering en voor de jacht in de zaal van de mannen en foto’s van stoere krijgers in vol ornaat. Boog, giftige pijlen, beschermende hoofddeksel, die los van daadwerkelijke bescherming ook bescherming boden tegen kwade geesten. Als men in de strijd iemand doodde kon men daarna door een offer te brengen aan de fetisj zorgen dat er daardoor geen kwade geesten op je afgestuurd weren. Als je een tegenstander wilde doden met een giftige pijl moest je deze wel eerst even waarschuwen.

De initiatie van de bevolking vond plaats in Ghana of Ivoorkust. Het betekende voor de te initiëren jonge mensen (meisjes en jongens samen) een flinke wandeling van 20 tot 30 kilometer heen en terug. Wat daar gebeurde is alleen voorbehouden aan geïntimeerden. Er mag nooit met niet geïntieerden over gesproken worden. Men leerde er alle omgangsregels, gebruiken en andere belangrijke zaken van hun cultuur. Al op zeer jonge leeftijd werden (tegenwoordig soms nog in zeer geringe mate) stamleden voorzien van de voor de stam kenmerkende littekens. Een kind mocht daarbij niet huilen of schreeuwen, want dat zou als een teken van zwakheid gezien worden. Nadat de inkervingen zijn aangebracht (rond navel, borst, gezicht) worden er kruiden op aangebracht om de littekens nog mooier te laten worden. Ook kinderen zie je tegenwoordig soms nog rondlopen met kerfjes in hun gezicht.

Daarna volgt een ruimte met muziekinstrumenten, trommels, balafoons, fluiten en snaarinstrumenten. Deze konden zowel bij oorlogs-handelingen, de jacht, bij feesten en ook bij begrafenissen worden gebruikt. Hun ritme of toon was dan telkens anders en voor de dorpelingen als zodanig te herkennen.

Als laatste is er een expositie over de slaventijd. Op grote houten planken zijn de werkzaamheden die de slaven in vroegere tijden voor hun Franse overheersers moesten uitvoeren gebeiteld. Er is bewust gekozen voor grote houten planken, omdat de slaven in opdracht van de Fransen veel bomen hebben moeten planten. Op elke plank staat ook een man afgebeeld met een zweep, om de slaven onder de duim te houden bij werkzaamheden zoals bijvoorbeeld bomen planten, land bewerken, spoorrails aanleggen, enz. Eigenlijk alle denkbare werkzaam-heden moesten door hen worden uitgevoerd.

We mogen buiten een ’Soukala’, huis bekijken. Er is net een houtvuurtje uitgegaan en er hangt een behoorlijke rooklucht. Goed tegen de termieten, zo hebben we eerder gehoord. De Soukala bestaat uit diverse vertrekken. Achteraan een vertrek waarin een ladder staat, die naar het terras leidt. Aan de andere kant van het terrein staat een vierkante en een rond huis, beiden met een strooien dak. Het vierkante huis is van de man. Zijn eerste vrouw moet er voor zorgen dat het schoon  blijft. Daarnaast staat het ronde huis van de eerste vrouw. Het is beduidend groter dan dat van de man. Dit is omdat ze naast de kinderen ook eventuele andere vrouwen van de man in haar huis moet kunnen ontvangen. Elke familie heeft vlak bij de huis van de man ook nog een eigen kleine fetisj, om de familie te beschermen. Bij grotere en andere zaken raadpleegt ment de fetisheur en zijn fetisjen, die voor veel meer families zijn.

We gaan er bij één op bezoek, de gids Balagy zal ons daarbij ook begeleiden. Deze fetisheur woont vlakbij de grens van Ivoorkust in de richting van Kampti. Op zo’n tien kilometer van de grens wil de nationale politie onze gegevens noteren. We worden gevraagd op een bank in het gebouwtje te gaan zitten en een groot boek, voorzien van kaftpapier gaat open. De agent neemt plaats achter de tafel en gaat op zoek naar een rode pen. Hij schrijft wat over van de papieren van Pascal. Balagy laat hij ogenschijnlijk ongemoeid. Ook alle personen die te voet of per bromfiets de post passeren, worden met rust gelaten. Dan vraagt hij om mijn paspoort en dat van Heico. Hij vraagt naar de plaats van geboorte, ik wijs hem aan waar Breda staat en ook de plaats van uitgifte. Hij duidt me weer te gaan zitten. Mijn gegevens worden met zwarte pen genoteerd, beroep, datum van binnenkomst, waar we verblijven, waarheen we gaan, enz. Hij wil alles weten, maar is verder wel vriendelijk. Bij Heico vraagt hij of het meeste hetzelfde is. Ik knik en hij schrijft ijverig verder. Hij vraagt aan Pascal of hij ons begeleidt. Als hij die bevestiging krijgt schuift hij de papieren naar Pascal terug en mogen we onze weg weer vervolgen.

Op diverse plaatsen zijn we al péages tegen gekomen en zo ook hier. Voor 500cfa mogen we heen en straks weer terug. Bij het volgende bord péage gaan we rechtsaf de piste op. Ik vertel Pascal dat de gendarme even verder op staat te zwaaien, maar Pascal zegt dat we daar niet heen gaan. Gelukkig vallen we niet onder vrachtverkeer, want anders zouden we gezien de regenbui die tot ongeveer negen uur duurde tot elf uur niet op deze weg hebben mogen rijden. De piste is hier en daar niet echt geweldig en op diverse plaatsen stroomt water in geultjes over de weg, naar lager gelegen velden. We stoppen bij het huis van de fetisheur. Aangestaard door een groep jonge vrouwen en wat kleinere kinderen stappen we uit. Balagy jaagt de kinderen al snel weg. Hij begroet een oude man, wat later de fetisheur zelf blijkt te zijn. De fetisheur maakt een slaande beweging richting Balagy, deze springt opzij en maakt wat boksbewegingen. De beide mannen hebben er duidelijk lol om. Ook wij worden hartelijk begroet door hem, gelukkig alleen met een uitgestoken hand en een vriendelijke lach. De voorouders hebben blijkbaar gunstig over ons bezoek gesproken. In allerijl worden de kinderen die op de bank zitten weggestuurd en worden we gevraagd te gaan zitten. Een man blijft bij ons zitten en vraagt waar de gids gebleven is. Aangezien ik dat ook niet weet, zeg ik dat we op zijn Burkinees op hem wachten. Hij zal wel iets aan het doen zijn. De man knikt begrijpend. Een jonge man nadert ons en geeft ons een hand en ook een jonge vrouw met een kindje volgt hem. Iemand regelt voor haar een stoel. Het kind dat net kan lopen heeft een jurkje aan en om haar middel kunnen we een touwtje zien met daaraan kauri’s. Het zal haar vast beschermen tegen kwade geesten. Als ze begint te huilen wordt ze naar de oudere man gestuurd, de fetisheur, maar eigenwijs als ze al is loopt ze de andere kant op in de richting van het huis. Een andere dreumes komt naar haar toe met een twijgje en lijkt haar er mee te slaan. Het eerste meisje mept haar flink terug en zet een keel op, die snel door een van de mannen wordt gesmoord. Dan komt Balagy uit het niets weer te voorschijn. We vragen hem of we foto’s mogen maken van een grote hoeveelheid beelden en offerpotten en al wat er bij geplaatst is op het binnenplein. Geen probleem. Dat blijkt later ook niet het geval te zijn bij de drie andere heilige plaatsen. Op het dak zitten ook nog twee lemen fetisjen, één mannelijke en één vrouwelijke, om het huis en de daarin wonende familie te beschermen. Naast deze herkenbare fetisjen kunnen ook takken en andere materialen voor dit doel op het dak geplaatst worden. Terwijl we wachten op wat komen gaat zien we voor ons veel jonge dieren scharrelen naar voedsel; geitjes, kuikens, parelhoeders, eenden en een echte kalkoen. De gids nodigt ons uit om mee te gaan het huis in en één van de jonge mannen gaat ons voor. Binnen in de eerste ruimte zit een vrouw te koken. De rook slaat op onze adem. Jammer voor de termieten, maar ook voor ons. Hij wijst op een stenen tableau achter in de eerste ruimte, waar de vrouwen binnen hun gierst kunnen malen. De aanwezige andere dames worden kort begroet en we lopen door naar de belangrijkste van de drie heilige fetisjen. De schoenen moeten uitgedaan worden, voorat we de ruimte betreden. Door een redelijk krappe opening klimmen we de ruimte van tweeënhalve meter in het vierkant binnen. Dat de opening niet groot was bewijst wel het feit dat onze gids er zijn hoofd stoot. Het zal toch niet de eerste keer zijn dat hij hier binnengaat. We nemen er plaats aan de zijkant op iets wat op een zitplaats lijkt. Ook deze ruimte staat vol met rook en vleermuizen vliegen er binnen en buiten. Overal staan beelden, altijd een man en een vrouw en gemaakt van diverse soorten materialen, hout, metaal, banco of steen. De grote beelden hebben kauri’s als ogen, waardoor ze, zo vertelt Balagy, contact hebben met de voorouders. De beelden worden van vader op zoon al eeuwenlang doorgegeven en zijn dus vermoedelijk allemaal al behoorlijk oud. Op de grond tussen de beelden ligt een ontelbare hoeveelheid geofferde kauri’s, veren van kippen, tot plastic flesjes aan toe. Nieuwsgierig als we zijn, proberen we dat maar even opzij te zetten. Voor een steriele ruimte moet je hier echt niet zijn. Dit alles is geofferd nadat de aan de voorouders gevraagde zaak goed was afgelopen. De vragen aan de voorouders kunnen op allerhande terreinen zijn, zoals bijvoorbeeld voor het krijgen van kinderen, een goede gezondheid, de te volgen route, of men wel op reis moet gaan, enz.

De tweede ruimte die we bezoeken, hoewel wat minder heilig lijkt in onze ogen veel op de eerste en bevindt zich ook in één van de ruimtes van het grote huis. Als ik het goed heb, moet je alle drie de ruimtes die er zijn eerst bezoeken voordat de fetisheur het bos in gaat om de juiste kruiden te zoeken om daarmee je ziekte bijvoorbeeld te genezen. Hij laat de ziekte dan door het koken van de kruiden verdwijnen of je verzoek komt daardoor uit. Soms brengt hij ook op aangeven van de voorouders kruiden mee, die de zieke moet innemen of op zijn lichaam moet smeren. Daarna volgt de derde ruimte. Deze bevindt zich buiten, achter het binnenplein, waarbij we eerst de algemene familie fetisj passeren en ook nog één waaraan dankoffers worden gebracht. Op de beelden zijn overblijfselen te zien, onder andere schedels en huiden van dieren. De derde heilige fetisj ruimte heeft als enige verschil met de vorige twee, dat hier geen rook hangt. Hij is ook niet verbonden met het huis. Hier hoeft ook geen rook te hangen, zo verzekert men ons. Ik ben daar alleen maar blij mee, die rook hoeft van mij niet zo.     

Wat in alle drie de ruimtes opvalt is dat er een bepaalde rust over je komt. Weinig geluiden uit de omgeving komen er binnen en ik ervaar zelf dat je hier goed tot jezelf zou kunnen komen. Of ik dat ook daadwerkelijk zou doen….. ik denk van niet, want als je zuiver rationeel, met Westerse ogen naar de ruimtes kijk kan niets anders constateren dan dat ze vuil, stoffig en rokerig zijn. De aanwezige veren geven ook niet echt het idee dat het er schoon en gezond is. Maar toch alles bij elkaar heeft het toch wel iets magisch.

Terug buiten gekomen staan we heerlijk in de door de regen zacht geworden banco. Echter wie de fetisj ruimtes durft te betreden, haalt nu dus ook gewoon een hand onder zijn voeten door en stapt zo in de schoenen.

Daarna gaat het piek en pook spel tussen de gids en de fetisheur weer vrolijk door. Hij is bezig zijn grote kapmes te scherpen aan een rotsblok. Hij doet dit nauwgezet. Als de gids langs loopt zwaait hij er gevaarlijk mee in zijn richting, die hard lachend opzij springt. Het is wel jammer dat we hun gesprekken niet kunnen volgen. Het schouwspel zelf doet ons echter toch ook wel lachen.

Na enige tijd vraagt de gids of we 5000cfa klein kunnen maken. Dat lukt wel, maar hij blijkt alleen maar papieren geld te willen en geen muntgeld, om meer precies te zijn tweemaal een briefje van 2000 en eenmaal een van 1000cfa. Na wat verder gezocht te hebben, lukt dat uiteindelijk toch nog. Hij is er blij mee en loopt naar de fetisj op het middenterrein. Daar gaat het in een van de potten van de fetisheur, te herkennen aan de grote noppen die er rondom zijn aangebracht op zowel de pot als het deksel. Niemand anders dan hij mag zulke potten bezitten. Bij de pottenbaksters mogen ook alleen vrouwen die al in de overgang zijn dit type potten maken.

De fetisheur kan zodra het mes weer scherp genoeg is op zoek gaan naar de juiste kruiden. Wij rijden zo rond de klok van twaalf richting Kampti om te gaan lunchen.

Voor dat het zo ver is wacht ons nog een verassing bij de gendarmerie aan het einde van de piste. Op de heenweg had Pascal nog redelijk positief over hen gesproken ten opzichte van de nationale politie. Bij de péage aangekomen worden we naar de zijkant gedirigeerd. Pascal denkt dat het alleen maar controle is van de autopapieren, maar dat pakt even anders uit. Balagy loopt mee, terwijl wij rustig blijven zitten. Na een vijftal minuten komt Pascal briesend terug, er komt bijna stoom uit zijn oren. “Voleur” is het enige dat hij aan ons kwijt wil. Hij pakt het reçuutje van de péage uit de asbak waarin nog een hele stapel ligt en loopt terug naar het kantoor bij de slagboom. Enige tijd later komt hij duidelijk erg boos terug en hij stopt een hele stapel, waarover ik me stilletjes verbaas bij de rest in de asbak. Balagy stapt ook in en we rijden verder. Na enige minuten verbreekt Balagy het stilzwijgen. Er volgt een korte felle discussie tussen hen beiden. Dan vertelt Pascal in het Frans aan ons wat er gebeurt is. De gendarme was ontstemd over het feit dat hij ’s morgens het stopteken genegeerd had en gaf hem een boete. Alle woorden ten spijt heeft Pascal hem niet van zijn ongelijk kunnen overtuigen. Hij had hem ook gezegd, dat hij zijn zakken niet zo moest vullen, waarop de gendarme had gezegd dat al het geld naar de staat ging. Balagy had nog geprobeerd de boel te sussen. Nu maakt hij er grapjes over, die bij Pascal toch niet allemaal even goed vallen, hij lacht er wat om als een boer met kiespijn. Dat het pijn doet is zeker. Hij heeft tien tickets moeten betalen, tien keer 500 cfa, is toch zo maar even snel 5000 cfa, dat moet hier pijn doen.

We rijden Kampti binnen en komen aan bij een restaurant waar net buiten de stoep geveegd wordt. Dankzij de regen zit er veel modder aan onze schoenen. We excuseren ons op voorhand bij deze man, die dat vrolijk weglacht. Geen probleem. Binnen nemen we plaats. Vandaag is er ‘soup de poule’ en frites zegt de man die ons komt bedienen. We beginnen met de gebruikelijke cola en ook Balagy schuift aan. Het is in Burkina normaal dat iedereen mee aanschuift en dat je na afloop ook voor hen betaalt. Een man komt met een levende kip naar buiten gelopen en slacht hem in de hoek van de binnenplaats boven een gootje. Verser kan niet, zo denken we. De kip spartelt nog wat na, een goed teken. De voorouders hebben weer gesproken. We raken toch wel helemaal verweven met deze fetisjcultuur. De veren worden geplukt en de rest van de voorbereidingen vinden buiten ons gezichtsveld, inde keuken plaats. De keuken wordt, terwijl de kip van zijn veren wordt ontdaan, nog even grondig geschrobd met een grote hoeveelheid water, die zich daarna een weg naar beneden over de binnenplaats zoekt. We laten het ons prima smaken. Het betalen wordt, zoals we al dachten, aan ons overgelaten. Beide heren verlaten daarvoor onze tafel. 9000 Cfa, toch ook niet echt veel als je bedenkt dat je daarvoor met zijn vieren gegeten hebt. Vandaag in tegenstelling tot gisteren een prima bediening en na afloop ook geen discussies over geld. We rijden verder naar de mandenvlechtsters. Hun mannen werken op het land en alleen een oudere man zit met enkele vrouwen en jonge kinderen in de schaduw van een boom. Ze blijken geen Frans te spreken en onze gids fungeert als tolk. Een drietal dames tonen ons diverse technieken, waarmee ze de manden maken. De manden worden gemaakt van een soort rietstengels, die nu op dit moment massaal gesneden worden in de natuur en daarna worden opgeslagen. Ze zijn niet het hele jaar door te snijden. De versieringen maken ze van plastic reepjes, die ze uit plastic zakken halen, die je veelvuldig op de markt ziet met allerhande koopwaar zoals maïs, houtskool en dergelijke. Een jonge vrouw is bezig de rand te versieren met dit gekleurde plastic. Bij elke omhaal wordt het stevig aangetrokken, om vervolgens met een scherp groot mes weer tussen de volgende twee stengels door te worden geduwd. Een andere vrouw toont hoe het eerste platte stuk gemaakt wordt, de bodem van de mand. Als die de gewenste grootte heeft, kerft ze de stengels in en buigt ze die omhoog. Deze omgebogen stengels worden met een van bast gemaakt ‘touw’ bijeengebonden, zodat het geheel in vorm blijft. Deze bast snijdt ze af van een dunne tak en maakt hem daarna wat soepeler door hem even in water heen en weer te halen. Als we wijzen op een donkere lijn in de onderzetters, tonen ze een donkerdere twijg.

Een andere vrouw heeft ondertussen een hele uitstalling gemaakt van al hun koopwaar. Balagy, die zich even wat had terug getrokken om een sigaretje te roken vertelt dat we kunnen onderhandelen over de prijs. We kiezen wat praktische zaken, die bovendien straks in het vliegtuig gemakkelijk meegenomen kunnen worden. De dames overleggen onderling over de prijzen van de door ons aangewezen voorwerpen. We krijgen per artikel een aparte prijs, tezamen 4000 cfa. We gaan op de helft zitten, wat Balagy voor ons vertaalt. Na nog wat heen en weer gegaan te zijn, gaan we akkoord met 3200 cfa.

Een handelaar op de markt was hier waarschijnlijk niet mee weggekomen, maar hier vinden we het lastig om steviger te bieden. Het is in onze ogen toch nog steeds een prima prijs en de dames zijn er ook heel blij mee, al laten ze dat niet zo hard merken. De taalbarrière speelt hier zeker een rol bij. We kunnen tenslotte niet rechtstreeks met hen communiceren.

Ook het gebruikelijke gejammer over een veel te laag tegenbod en het daarop aanprijzen van de koopwaar, bereikt ons deze keer niet. Wat ze precies onderling zeiden werd niet voor ons vertaald. Eigenlijk wel jammer, want dat maakt het vaak toch wel een aangename bezigheid. Een foto maken was natuurlijk geen probleem. We vertrekken naar de houtbewerkers. Deze zijn echter niet thuis. Gezien de twee flinke buien van gisteren en vanochtend eigenlijk ook niet zo vreemd. Ze zijn waarschijnlijk met alles wat kan helpen aan het werken op het land. De aanwezige kinderen komen ons in ieder geval enthousiast een hand geven. Daarna laten ze ons wat houtsnijwerk zien, beelden, stoeltjes en wandelstokken, die al klaar waren en in een hok lagen te wachten op een koper. Ze stalden als professionals de koopwaar voor ons uit. Of we belangstelling hebben om het te kopen is natuurlijk geen vraag, want met kinderen kun je natuurlijk niet gaan onderhandelen over de prijs. Als we naar de auto lopen fluistert een van de jongens me toe of ik een ‘bic’, balpen voor hem heb. Dit is de enige keer in deze regio dat ik kinderen om iets heb horen vragen. De andere keren zijn kinderen blijkbaar nog niet verpest door toeristen, die hen waarschijnlijk goedbedoeld, spullen aanbieden. In sommige coöperaties houdt men om die reden ook heel bewust kinderen weg bij toeristen, onder het mom geef hen niet wat wij hen zelf niet  kunnen geven. Je maakt onbedoeld wel bedelaars van hen. Ik probeer hem uit te leggen dat hij zoiets niet zou moeten vragen en dat alleen als je ergens echt voor gewerkt hebt, je een tegendienst mag verwachten. Ik weet niet of het helpt. Maar ik heb in ieder geval een poging gedaan het hem uit te leggen.

De laatste stop deze middag is voor een bezoek aan een association van vrouwen in Gaoua. Begonnen in 1990 met ruim 100 vrouwen, hebben zich hier inmiddels 400 vrouwen bij aangesloten. Een van de drijvende krachten er achter wordt gebeld. Al spoedig verschijnt ze in een prachtige Afrikaanse jurk en onze gids enthousiast begroetend. Hij stelt ons voor als zijn ‘klanten’. Terwijl we stonden te wachten hebben we al gezien dat er een behoorlijk internetruimte is met server, ruim tien computers, een printer en een kopieerapparaat. Buiten staat een linke schotel, om ook internet binnen te kunnen halen. Een aardige voorziening. We beginnen in de winkel, waar karitézeep, crèmes, mandjes, aardewerken potten en voorwerpen, lappen stof, tasjes, enz. uitgestald liggen. Ook hier besluiten we wat te kopen om hen ook weer wat te helpen. Als ik karitécrème pak, vertelt de vrouw enthousiast hoe fijn het is om jezelf er mee in te smeren, nadat je jezelf gedoucht hebt. De prijzen liggen hier ‘gelukkig denk ik maar’ vast. We hoeven nu niet te onderhandelen, hoewel dat soms ook wel zijn charme heeft. Totaal 3500 cfa. Het meisje dat eigenlijk de boel moet regelen kent of de prijzen niet goed of kan niet goed rekenen. De dame rekent haar voor en instrueert haar. Dan laat ze zien hoe fijn je de spullen mee kunt nemen in zo’n gevlochten tasje. Het meisje wordt nu ook actief en ze begint nog andere tasjes aan te wijzen. We zijn in een goede bui, maken we de tasjesmaakster ook maar blij. De nieuwe prijs wordt berekend en de dame haalt het wisselgeld maar even uit haar portemonnee. Vrolijk lachend leidt ze ons rond en neemt ons me naar het er naast gelegen cabaret (cafe). Ze toont ons vier kookketels in een banco jasje, met aan de voorkant een open stookruimte, ons welbekend. Zo zijn er drie onder het afdak te vinden. Ze legt ons uit hoe het bier maken in zijn werk gaat. Morgen zouden deze ketels voldoende gekookt moeten zijn. In een ruimte verder op staan een aantal grote plastic vaten, waarin het bier al flink staat te gisten. Een grote hoeveelheid bellen drijft er boven op. Of we er ook van willen proeven vraagt ze, maar helaas is bier niet zo aan ons besteed. We bedanken haar voor haar tijd en haar uitleg en zij bedankt ons voor onze belangstelling. Een mooi en geslaagd project, waarvan vele gezinnen kunnen profiteren.

Pascal brengt ons terug naar het hotel. Balagy vraagt of morgen om half negen goed is. Hij zal ons dan nog een dag mee op sleeptouw nemen. We zijn gewend aan het vroege tijdstip, het deel van de dag waarop de temperaturen over het algemeen aangenaam zijn. We wensen hem een fijne avond en zeggen tot morgen. Voor de avond bestellen we spaghetti bolognese bij de kok. Verder vermaken we ons die middag wat in de tuin, waarbij gedurende korte tijd er ook  nog wat regen valt. De boeren moeten er toch weer erg gelukkig mee zijn.

Rond acht uur lopen we richting eetzaal. Een Burkinabé zit er te eten en wij wensen hem een smakelijk eten. “Vous êtes invitez” is daarop zijn antwoord. We zijn niet bekend met deze uitdrukking en ik geef aan dat de kok waarschijnlijk ook voor ons iets klaar heeft staan. We zijn erg aardig zegt hij. Als we aan tafel gaan vraag ik de over nog of we ergens onze handen even kunnen wassen, want we hebben de hele middag al geen water op onze kamer. De man fronst zijn wenkbrauwen en neemt ons mee naar een wastafel achter de bar, waar het water het  in ieder geval wel doet. Ook een andere gast meldt dat hij geen water heeft. Nu sta je hier niet altijd gelijk versteld van als water of elektra even uitvallen, dus vandaar dat we eerder ook geen actie hebben ondernomen. Het probleem blijkt, zo merken we later als we weer terug zijn op onze kamer, eenvoudig op te lossen te zijn geweest. Na het eten is er gelukkig weer water in de douche. De spaghetti smaakt verrukkelijk.

Als we na het eten teruglopen naar onze kamer lopen we langs een dame die daar ook zit te eten. Op onze smakelijk eten, krijgen we opnieuw een uitnodiging om mee te eten. We lachen vriendelijk terug naar haar en lopen toch maar door, met ons al goed gevulde magen. Morgen toch maar eens navragen bij de chauffeur en gids of dit standaard is hier.

 

Wat er allemaal op één hoofd past

 

 

Zondag 7 juli

Na het ontbijt zien we tegen half negen Balagy bij de receptie staan, die ons ook vandaag op sleeptouw zal gaan nemen. Hij weet erg veel van de omgeving en neemt met name vrouwen onderweg graag in de maling. We rijden eerst rustig in de richting van de mandenmaaksters, waar we gisteren geweest zijn. Hij zegt me mijn camera klaar te houden. Dan kan ik een onaflatende stroom vrouwen op weg naar de wekelijkse zondagmarkt fotograferen. Enorme hoeveelheden van te verkopen spullen torsen ze mee op hun hoofd. Hij zegt me vooral te letten op de mandenmaaksters, die enorme manden op hun hoofd dragen. Verder kun je het zo gek niet bedenken of het gaat mee, bossen sprokkelhout, schalen met mango’s, pinda’s en andere levensmiddelen, soumbala, takken met baobabbladeren en kruiden om sauzen van te maken, stoelen en krukjes. Het vormt een kleurige stroom vrouwen. Een deel van deze groep loopt ’s morgens twintig kilometer heen naar de stad met hun koopwaar, hopende het allemaal te verkopen, een tocht van vier tot vijf uur. ’s Avonds loopt men dan weer terug naar huis met het restant en eventueel andere zaken die men in de stad gekocht heeft. Opvallend  is dat de mannen die je zo ’s morgens op de weg ziet zitten op een fiets of brommer rijden en nagenoeg niets bij zich lijken te hebben. Een enkele man loopt naast zijn fiets met de vrouwen mee. Ook rijdt een grote vrachtwagen gevuld met Brakina, Burkinees bier, in de richting van de stad. Na enige tijd  draaien we om en rijden de stad door, waar de markt langzamerhand op gang lijkt te komen. We rijden aan de andere kant van het stadje er weer uit. Aan deze kant van de stad wonen de pottenbaksters. Dat kun je dan ook goed zien aan de  stroom vrouwen, die hier in de richting van de stad lopen. Velen dragen schalen met daarop een grote hoeveelheid aardenwerk potten op hun hoofd. Een enkele keer kun je zien dat een vrouw de schaal op haar hoofd wil zetten of hem er af wil halen. Daar is vanwege het gewicht dan wel hulp van een ander bij nodig. De potten zijn er in allerlei vormen en maten. Ook lopen hier en daar kinderen met schalen met potten op hun hoofd mee in een lange stoet.

Onderweg laat Balagy de chauffeur even stoppen en roept iets door het raam. Een wat oudere vrouw komt op ons afgelopen en de twee hebben een geanimeerd gesprek. Ook wij worden met een grote lach op haar gezicht en een handdruk door haar begroet. Het blijkt dat zij de pottenbakster is waarnaar wij op weg zijn. Ze geeft aan dat er nog wel iemand thuis is die ons het werk kan laten zien en dus rijden we even later verder en stoppen voor een Lobi-woning. Een oude man zit in een soort strandstoel in de schaduw van de boom en begroet ons vriendelijk in zijn eigen taal. De gids gaat op zoek naar een pottenbakster en komt even later terug met een jonge vrouw/ meisje, die een stuk plastic met daarin klei en nog wat andere attributen bij zich heeft. Ze neemt voor ons op de grond plaats op haar slippers. Ze legt tussen haar gespreide benen een stukje kalebas op de grond. Een klomp klei wordt losgemaakt van de rest en ze begint de klei te kneden. Na enige tijd, maakt ze een conische vorm van de klei, waar ze het smalste stuk vanaf haalt. Het bredere stuk plaatst ze op het stuk kalebas, dat daarna als een soort draaischijf fungeert. De binnenkant werkt ze omhoog, waardoor er een soort potje ontstaat. Daarna verstevigt ze vanuit de binnenkant de bovenkant met slierten klei. Zo maakt ze ook de opstaande bovenste rand. Men een stukje kalebas schraapt ze de buitenkant vlak en vult een enkel gaatje met wat natgemaakte klei. De klei haalt men uit een nabijgelegen leemput en wordt na te zijn vermengd met water enige tijd weggelegd, alvorens het te gebruiken voor het maken van de potten. De grote potten worden hier ook van gemaakt, maar dan wordt het leem eerst vermengd met nog twee andere materialen, om het meer stevigheid te geven. De bovenrand van de pot vormt ze met haar vingers. De laatste afwerking gebeurt met een klein natgemaakt ‘lapje’. Daarna wordt voordat de pot verder te drogen wordt gezet nog de gewenste versiering aangebracht. Met een ring omwikkeld met dunne koperdraadjes brengt ze eerst bogen in de rand aan, zowel buiten op de pot als aan de binnenkant van de bovenste rand. Daarna steekt ze met een kaurischelp elke keer één maal aan het einde van de halve boog in de klei. De pot is nu voorlopig klaar.

We lopen naar de bakoven. Deze wordt volgestapeld met gedroogde potten. Daarna wordt de opening geheel dicht gemaakt. Aan de zijkant doet men het hout dat voldoende is om de oven de hele nacht te  kunnen stoken. Het as valt door roosters naar beneden en wordt er na afloop weer uitgehaald. Voor de oven ligt wat gebroken aardenwerk. Achter de oven staan wat zwarte en rode potten. De zwarte kleur ontstaat als de potten bedekt met brandend hout worden gebakken, de rode kleur blijft als ze worden gebakken in een oven zoals hier staat. Op de markt zelf worden ze soms nog voorzien van een laagje rode natuurlijke vernis, die men er met de hand op aanbrengt. Deze vernis wordt gemaakt van gestampte boomschors en mee naar de markt genomen in plastic limonade/ waterflessen. Het geeft de potten een mooie donkerrode kleur.

Daarna terug naar de markt, waar de bomen ons het zicht op het gedeelte van de pottenbaksters deels ontneemt. Balagy had ons van boven af een mooie foto ervan willen laten maken, maar helaas dat lukt dus niet. Dan toch maar even snel een foto maken als we beneden zijn. Hij zegt het te doen van achter zijn rug, omdat men ons dan nog niet in de smiezen heeft. Zodra men blanken ziet, gaan toch vaak de ogen in onze richting. Blanken blijven hier toch nog wel een beetje een uitzondering. We kijken wat rond tussen de uitgestalde potten terwijl Balagy zich vermaakt met de dames. Bij de mandenmakers hetzelfde, snel een foto uit de verte. We herkennen de dames die we gisteren bezocht hebben. Ook zij herkennen ons. De gids wisselt weer de gebruikelijke beleefdheden uit en we gaan verder langs allerhande kraampjes. Van slippers tot zonnecellen, nesten met emaillen pannen van acht tot tien stuks tot grote metalen kookpotten, van soumbala, die je in de verte al ruikt tot aan peulvruchten, alles is hier te vinden, ook de beroemde gedroogde rupsen uit de baobabbomen tot het blad ervan. In een ander deel van de markt zijn dieren te koop, met name kippen en geiten.

We brengen een bezoek aan de ‘chief’ van een grote Lobifamilie. Na enig zoekwerk wordt hij opgespoord en achter op een brommer naar zijn huis teruggebracht. Hij heeft een jachtgeweer over zijn schouder hangen en gebaart ons om zijn huis te betreden. Daar worden snel wat stoelen bij elkaar gezet. We worden door onze gids geïntroduceerd, waarna hij ons alleen laat met de chief. Hij blijkt uitstekend Frans te spreken. Zijn vader was een chief van het kanton, over een groot gebied en dus een belangrijk man. Hij had 39 vrouwen, zo vertelt hij. Er zijn in de regio beduidend meer vrouwen dan mannen, dus was en is polygamie een goede oplossing, als dus de chief.

Een witte pater, Père Boulanger, kwam hier in de regio werken. Vanwege het Animisme mocht hij hier geen kerk (of moskee) bouwen. Daarom besloot hij maar een privé  school te bouwen, omdat het aantal kinderen hier met 39 vrouwen erg groot was. Ze allemaal naar de stad Gaoua laten gaan was namelijk geen optie. De school was een geweldig succes. Deze Père Blanc heeft in alle opzichten veel voor de familie betekend. Bij zijn dood is er oprecht om zijn heengaan gerouwd. Bij het feest dat eens per jaar voor alle overledenen van het jaar georganiseerd wordt en waarbij de geesten van de voorvaderen, dus ook die van père Boulanger overgaan zijn filmopnames gemaakt om te kunnen bewaren als souvenir en nagedachtenis aan deze weldoener. Desgevraagd blijkt hij wel de naam Père Willy Burm te kennen, maar hij kende hem niet persoonlijk. Opvallend vind ik dat waar je ook komt in Burkina men zijn naam eigenlijk overal wel kent. Hij is dit voorjaar, nadat hij 50 jaar in Burkina heeft gewerkt overleden en begraven in Ouaga.

De vader van de chef heeft in de Tweede Wereldoorlog gediend in het Franse leger, maar mocht het leger verlaten omdat hij ziek was. De huidige chef heeft slechts twee vrouwen en twaalf kinderen (het landelijk gemiddelde per vrouw is zes). Het grootste probleem van het hebben van veel kinderen zijn de kosten van het schoolgeld. Als we vragen hebben wil hij die graag beantwoorden. Daarna vraagt hij naar wat wij doen in het dagelijkse leven en waar wij vandaan komen. We proberen in ons beperkte Frans ook nog uit te leggen dat delen van ons land onder waterniveau liggen. De chef kijkt bedenkelijk en ook de gids mengt zich nu in het gesprek.

Dan mogen we een deel van de traditionele woning bekijken. Iedere vrouw had en heeft haar eigen woning, dus met 39 vrouwen was het een enorm complex geheel van aan een gebouwde woningen. Bij het overlijden van de bewoonster, wordt er geen onderhoud meer gepleegd aan een woning en vervalt deze op termijn, omdat de banco door regen en wind behoorlijk slijt.

Normaal heeft een lobihuis één ingang, de hoofdingang. Omdat deze enorme familie zoveel kinderen kent, hebben ze drie ingangen gemaakt. De hoofdingang mag niet door de kinderen gebruikt worden. De oude chef wilde na zijn thuiskomst uit het leger niet meer eten volgens oude gebruiken en drinken uit kalebassen. Hij voerde het bord, bekers en bestek in. Ook de huidige chef woont inmiddels in een betonnen huis met hier en daar nog wat banco elementen in de ommuring en in de keuken buiten. Toen de oude chef overleed is hij zoals de traditie dat voorschreef begraven binnen de muren van zijn erf. Zijn tombe, betegeld met witte tegels, is voorzien van de voorwerpen die hij belangrijk vond, te weten een bord en beker en ook met twee slagtanden van olifanten. De chef was een beroemd olifantenjager. De slagtanden zijn door spelende kinderen op het erf afgebroken, net als het plastic bord dat door UV-licht ook niet meer geheel ongeschonden in het cement zit. De overige graven zijn over het algemeen te vinden net buiten de huizen. Bij de meesten is de betonnen tombe voorzien van de bekende geglazuurde witte tegels. De enige andere uitzondering is de eerste vrouw van de grote Naaba. Zij stond er op om op de binnenplaats begraven te worden na haar dood. Ze ligt dan nu ook op een niet te missen plaats op de binnenplaats van de huidige Naaba. We gaan een woning binnen. De vele potten opgestapeld tegen de muur geven haar rijkdom aan. Ook de pot van ‘divorce’ staat pontificaal in haar keuken. Haar kinderen slapen of bij haar op de kamer of in de keuken. Van enig bed (matje) is niets te bekennen. Vermoedelijk slapen ze gewoon op de grond. In een tweede woning is het gat in het dak nog afgesloten, waarschijnlijk vanwege de regen van de afgelopen dagen. De jongen die ons steeds voorgaat loopt terug en haalt het deksel van het gat, waardoor er licht en frisse lucht binnenkomt. Balagy vraagt de jongen om via de ladder, die uit een boomstam gekerfd is naar beneden te komen. Het lukt hem wel, maar blijkbaar doet hij dit niet vaak of misschien is het wel gewoon lastig. Aan de grote van het gat dat leidt naar het dakterras kan men zien hoe groot de vrouw des huizes is. Zo te zien is deze vrouw niet erg breed. Dit geldt voor het merendeel van de vrouwen die we in deze regio zien. Ze zijn sterk en gespierd, maar verre van dik te noemen. De uitzonderingen zijn in de stad te vinden, maar niet zo zeer in de dorpen. Deze kamer is bijzonder omdat de potten en ook de vloer zijn voorzien van kauri’s, als teken van welvaart. Wie het zich kan veroorloven kauri’s (oud betaalmiddel) in potten of vloeren te verwerken moest wel rijk zijn. Balagy denkt dat de ruimte te donker is om de potten te kunnen fotograferen. Ik zet mijn flitser aan en hij is erg verbaasd over het resultaat. De derde kamer die hij toont bevat de muziekinstrumenten, waaronder ook een grote (heilige) trom. Deze mag alleen bespeeld worden door geïnitieerden en alleen bij begrafenissen en om kinderen die op weg zijn naar hun initiatie te begeleiden. Bij elke buitendeur staat nog een familiefetisj, om de familie te beschermen en voorspoed te brengen. Een jachtfetisj staat binnen in een doorgang tussen twee ruimtes. Daarna neemt hij ons mee naar een boom waarin kalebassen groeien. Dit heb ik nog nooit gezien. Ik ken wel de kalebassen die op de grond groeien, maar in een boom, nee dat heb ik nog nooit gezien. Een deel van de inhoud is eetbaar, de rest niet. Geweldig zoals je hier iedere dag wel weer iets ziet of mee maakt, waarvan je het bestaan niet kende.

Terug naar het huis van de chef. Daar krijgen we nog een enorme plattegrond te zien van alle huizen van de familie. Een stadje op zich. We mogen ook de winkel betreden. Zo te zien wat oudere fetisjbeelden, wat koperen sieraden met een kameleon er op en een tweetal nieuwe driepootkrukjes en een wat ouder uitziend vrouwenkrukje met vier poten en nog wat mandjes. Heico pakt twee aan elkaar zittende poppen op, althans hij wil dat doen, maar ondanks hun redelijk kleine formaat zijn ze behoorlijk zwaar. Ze blijken van steen te zijn. De gids had het gisteren wel gezegd, ze kunnen van allerlei materiaal gemaakt zijn, maar op het eerste gezicht hadden ze gewoon van hout geleken. Er is niets van onze gading bij en dus verlaten we de winkel en nemen afscheid van de chef.

We rijden daarna langs de familie van de goudzoeksters. Al generaties lang in deze familie het werk van vrouwen. Mannen mogen dit heilige metaal niet zoeken en vrouwen mogen het niet dragen. De vrouwen graven putten van vier of vijf meter diep, of dieper als ze dat nodig vinden en daar graven ze zijgangen waaruit ze de grond graven, waarin ze hopen dat er minuscuul kleine stofdeeltjes goud zitten. Een zwaar maar zeker ook gevaarlijk werk. Gangen kunnen instorten en zeker nu het regentijd is en onder in de putten gewoon water staat. Nieuwsgierig kijk ik over de rand van een zo’n put naar beneden en zie zo snel twee zijgangen en water waarvan ik niet weet hoe diep het is. De gids trekt me er snel bij weg, zodra hij me er ziet staan. Overal op het gehele terrein zijn vrouwen bezig. Regelmatig passeren we een gat. Bij één dame staan we stil. Ze is bezig het grove lichte gesteente eerst te verwijderen. Ze heeft naast zich een metalen bak staan, waarin uitgegraven ‘zand’ al wat vermengd is met water. In de grote kalebas herhaalt ze het vermengen met water nog diverse malen. Met volle handen tegelijk worden de bovenste lagen telkens verwijderd, als ze weer een minuutje door de modder heeft gewoeld met haar handen. Ze giet het modderwater af en voegt nieuw schoon water er weer aan toe. Een meisje brengt haar een emmer water uit de nabij gelegen pomp. Een ander brengt een nieuwe bak met zand. Vervolgens neemt ze het mengen van de modder met water over van de oudere vrouw. Na dit enige malen te hebben herhaald laat ze trots een flintertje goud zien, nog niet eens de grote van een speldenknop. De vrouw zelf had net daarvoor iets meer geluk, zij had wel vier flintertjes goud. Elke vijf dagen wordt de opbrengst verkocht op de plaatselijke goudmarkt. Veel meer dan een marginaal bestaan levert dit zware en gevaarlijke werk over het algemeen niet op. Als we de dame niet te veel in beeld brengen mogen we er foto’s van maken. Bij het afscheid krijgt ze van de gids wat muntjes, als dank voor haar bereidheid om ons haar werk te laten zien. Zo hou je mensen bereid om je klanten tevreden te houden. En waarom ook niet.

We bezoeken ook nog een ontmoetingsplaats van de Dagara in Gaoua, een bevolkingsgroep die ruimschoots in Gaoua vertegenwoordigt is. In de schaduw van grote mangobomen zitten al heel wat mensen te genieten van een kommetje dolo, een stukje vlees, wat tô en wat gebakken oliebolletjes. Na vijf uur als de markt een beetje op zijn einde loopt, zal het hier nog veel drukker worden met Dagara die hier hun dolo komen drinken. Men biedt hier zelfs klaargemaakte hond aan. Onze gids mag dat echter niet eten, omdat de hond voor zijn familie een heilig dier is. Overal krijgen we zaken aangeboden. We slaan het vriendelijk af en ook de dolo. Een wat oudere vrouw biedt ons bij voortduring iets van haar bordje aan, het lijkt me dat het tô is, maar ook haar bedanken we vriendelijk. Balagy slaat een kom dolo echter niet af. Hij neemt een paar slokken en geeft de rest aan zijn buurman. Als je weg gaat, moet je natuurlijk niet vergeten het geconsumeerde even af te rekenen. De groep mensen die in onze kring rondom het dolovat zitten blijven er gezellig achter, dus de verkoopster zal een goede omzet gedraaid hebben.

Tot slot rijden we nog even naar een heuvel net buiten de stad. Van daaraf hebben we een mooi overzicht over de stad. Daarna is het weer tijd om een indrukwekkende dag af te sluiten en terug te keren naar ons hotel.

 

 

 

 

’s Nachts stil in een natuurpark, vergeet het maar

 

 

Maandag 8 juli

Tegen negen uur vertrekken we uit Hotel Hala. De baas zelf wordt gehaald om met ons af te rekenen. De man, die ons alle dagen zo vrolijk en attent bediend en geholpen heeft, brengt onze koffers naar de auto. Een geweldige kerel, we hebben samen met hem ook veel plezier gehad.

Op naar de grotten van Diebougou. De gids aldaar staat bij de doorgaande weg al op ons te wachten en stapt bij ons in. Het blijkt niet veel verderop te zijn. Een steile, ongelijke trap omhoog brengt ons al snel op het juiste niveau om de berg in te gaan. Er zijn door de Burkinese dwangarbeiders onder de Franse koloniale overheersing drie gangen gemaakt. De Franse gouverneur woonde beneden aan de berg, waar men ook water kon halen. In de berg zelf zijn tussen de diverse gangen diverse doorgangen gemaakt in het ten dele vulkanische gesteente. De gids knipt wat zaklampen aan en toont de eerste gang. We zien meteen vele tientallen vleermuizen onrustig heen en weer vliegen. De stank van uitwerpselen is verschrikkelijk. Links in de eerste gang is ook een kleine gang gemaakt met links en rechts een soort opslagruimte. In het midden, tevens het einde van de eerste gang is een soort luchtkoker naar boven. Hierlangs heeft met ook het uit de gangen gehakte gesteente naar buiten gebracht. Vanuit dit midden zijn er nog twee andere gangen met ieder ook een eigen uitgang, ook weer onderling op vele plaatsen met elkaar verbonden.  Ook in deze gangen zijn hier en daarop opslagruimtes aan de zijkanten voor militairmateriaal. In het midden zit ook een ruimte voor de bewaker, die vanuit deze ruimte alle drie de gangen kon overzien. In de derde gang waren ook grotere ‘kamers’ voor de officieren. Aan het einde van hun gang zit een ‘nooduitgang’. Een laddertje dat naar een gat er boven leidt, dat normaal afgesloten was met een groot rotsblok. Nu ligt het blok ernaast en komt er daglicht door naar binnen. In alle gangen zit het vol met vleermuizen, die onrustig worden zodra we de gangen betreden. De krokodillen, die er soms een rustig plekje zoeken, zijn er nu niet. We verlaten de grotten via het trapje en de nooduitgang. Boven op de rots waren de verblijven van de gewone soldaten. De bergtop was ommuurd en voorzien van een flinke droge sloot. Ze hadden van hieruit een goed zicht op naderende vijanden. De greppel die aan de hoge zijde was gegraven was zeker 2,5 meter diep en drie meter breed. Aan de overliggende zijde zaten bovendien schuilplaatsen, van waaruit men eventuele vijanden, die het waagden in de sloot te springen nog in de rug te verrassen. De stenen die gebruikt waren om deze greppel te bouwen waren in de nabij gelegen groeve gehouwen eveneens door de slaven. Nu is er een man bezig, die het voor zijn broodwinning doet. Deze vulkanische stenen zijn wel veel duurder van banco stenen, ook in de regio overal verkrijgbaar, maar ze zijn ook veel duurzamer. Tegenwoordig worden ze vooral ook gebruikt voor woningen van rijke mensen. Via een trap aan de buitenkant gaan we weer terug. Terwijl we teruglopen vertelt de gids over zijn eigen ervaringen in Europa, Frankrijk om meer precies te zijn. Hij is er éénmaal geweest en vond het leven er erg snel gaan, mensen hadden weinig tijd vond hij. Hij vond ze ook erg in zichzelf gekeerd en een enorme tegenstelling met het leven in Burkina, waar iedereen alles altijd op zijn gemak doet, de tijd neemt voor elkaar en heel veel samen doet. Ik denkt dat ik snap wat hij bedoelt.

Door naar Léo voor de lunch. Het landschap blijft erg groen, maar er lijken wat minder bomen in te staan. Er zijn ook meer open akkers, die omzoomt zijn met diguettes, kleine dammetjes om het water langer vast te houden. Dit lijkt geen overbodige luxe, want de landbouwpercelen lijken aardig af te lopen. Bij sommige boeren zijn de diguettes mooi gesloten, maar hier en daar vertonen ze ook behoorlijk gaten, waardoor ze hun functie eigenlijk verliezen. Ook passeren we enorme kuddes met vee.

In Léo hebben we gegeten en gezien het feit dat we de afgelopen dagen wel erg lang onze kip moesten wachten besluiten we maar te gaan voor iets snellers, rijst met tomaten- of pindasaus. En jawel hoor, binnen de kortste keren arriveert de serveerster met ons eten op een groot dienblad. Hoewel eenvoudig, smaakt het prima. De prijs is al even eenvoudig, het kost even veel als een cola 500cfa p.p.

Na Léo wordt de piste smaller, maar is wel in prima staat. Het warmste van de dag is aangebroken en naast een enkel voertuig en wat geiten die langs de kant van de weg staan te grazen is de weg helemaal voor ons. Pascal stopt onderweg even om de weg te vragen. Geen wonder alle paden lijken op elkaar en richtingsborden hebben dit deel van het land nog niet bereikt. In een dorp nemen we het eerste padje links, tussen twee hutten door. Het pad wordt alsmaar smaller en kuileriger tot hij overgaat in een romantisch paadje, waar onze wagen soms nauwelijks door kan. Overal struikgewas en rietstengels die over het pad heen groeien. Termieten die zowel op als naast het pad hun heuveltjes aan het bouwen zijn. Die midden op het pad, maken niet echt veel kans overeind te blijven, want die schrapen zo af en toe tegen de onderkant van de auto. We hobbelen en schudden zo kilometers lang over het pad tot we bij een omgevallen boom komen. Daar kunnen echt niet langs. Een paar meter terug lijkt een soort pad te lopen voor fietsers en brommers. Dan dat maar nemen. Help, op een bepaald moment past de auto daar echt niet meer door. Twee flinke stammen aan weerszijden versperren ons de weg. Dan nog maar verder de bush in. Gelukkig met een 4x4 terreinwagen sta je niet zo snel stil en dus hobbelen we over takken en struiken verder totdat we eindelijk weer op het oude pad komen, dat zo te zien ook al veel te lijden heeft gehad van waterstromen. Diepe geulen zitten in het pad en stapvoets rijden we verder. Het avontuur is nog niet ten einde. We zijn inmiddels in het natuurreservaat Nazinga aangekomen, zo blijkt uit een bord aan de kant van het pad. Er wordt een wolkje termieten binnengezwiept door een tak. Ik zit onder. Pascal stopt vrijwel onmiddellijk en ik probeer zo goed en zo kwaad als het gaat ze buiten te schudden. Later blijkt dat enkele termieten toch nog in de auto zijn achtergebleven en van lieverlee via mijn voeten en benen alsnog naar boven willen kruipen. Ik schud ook deze diertjes snel buiten. Ook een grote hommel denkt mee te kunnen liften en later nog een sprinkhaan. We houden erg van dieren, maar niet in onze auto. Dus zonder pardon komen zij ook weer buiten te staan. Dan naderen we een stroompje van enkele meters breed. Dat is op zich geen probleem, maar midden in ligt een vrij grote tak van een boom. Er omheen rijden is geen optie en dus stroopt Pascal zijn broekspijpen omhoog en stapt met kousen en schoenen nog aan zo het water in. Met behoorlijke krachtsinspanningen krijgt hij de tak opzij gelegd en is de doorgang weer vrij. We rijden verder door dit bijna kniediepe water. De weg wordt wat beter en we passeren wat stenen woningen, vermoedelijk van rangers. Dan ineens staan we voor ons campement. Er staan stenen woningen met rietmatten, die voor de ramen bevestigd zijn. Dit blijkt tegen de inslag van regen te zijn, want de woningen hebben geen glas, maar alleen muggengaas in de vensters. Een schuin golfplaten dak en rietmatten boven de veranda. Zoals overal waar we komen worden we enthousiast binnengehaald. Pascal verwisselt gelijk zijn kousen en schoenen. We krijgen het eerste huisje toegewezen. Hierin staan drie bedden, maar hangen helaas geen klamboes. Er blijkt ook nauwelijks gelegenheid om die zelf op te hangen, maar goed spuiten met deet vanavond dus.

We spreken af om om zeven uur te dineren, rijst met kip, we durven het nu wel aan, hoewel de man achter de bar aangeeft dat hij zes uur in ieder geval niet gaat halen en voor zeven uur zijn best gaat doen. Pascal wijst ons op de aanwezigheid van een uitkijkpost over het meer even verder op. Gewapend met camera’s lopen we even later in de aangewezen richting. Binnen de kortste keren wordt onze aandacht getrokken door een groep groene meerkatten die vlak naast ons huisje in de bomen en op de grond aan het eten zijn. De meesten schieten de bomen in als we naderen, maar een aantal apen blijven zitten om ons te bekijken. Ze beginnen vrolijk aan iets te knabbelen, terwijl ze toch ons in de gaten blijven houden. Na enige tijd lopen we door naar de uitkijkpost. Nog voor we die betreden horen we een grote plons in het water. Vermoedelijk is het de krokodil geweest, die we korte tijd later vanuit de uitkijkpost voorbij zien drijven. In de verte horen we het gerommel van onweer. Aan de overkant zien we een groepje meerkatten op het strandje. Ze rennen, dollen en springen er tot ons vermaak. En dan opeens uit het niets zien we een groep van acht olifanten die komen drinken aan het meer. We genieten van hun aanwezigheid. Met luid getoeter worden de aapjes verjaagd. Er wordt even water gedronken en  dan gaan de grotere olifanten heel nadrukkelijk in twee groepjes om de kleinste twee olifantjes heen staan, Een olifant staat wat dreigend achteraan, terwijl een andere aan de voorkant positie kiest. Waarom ze dat doen is ons niet helemaal duidelijk. Het gerommel in de verte houdt aan. Dan verplaatsten de olifanten zich weer en gaan er drie olifanten met hun slurf omhoog staan toeteren. Het gerommel is toegenomen en de lucht is bijna zwart geworden, het lijkt wel een waarschuwing voor het naderende onweer. De wind zwelt aan, er zijn flitsen te zien en het begint zachtjes te regenen. We besluiten net als de olifanten maar te vertrekken. We zitten wel in een redelijke beschutting in de uitkijkpost, maar niet wetende hoe lang en hoe heftig de bui zal gaan worden keren we toch maar terug naar ons huisje. Op de terugweg komen we de beheerder van het campement tegen, die blij is dat we bijna ‘thuis’ zijn. Achteraf gesproken blijkt de bui mee te vallen. Er is wel een behoorlijke hoeveelheid water omlaag gekomen, maar het echte onweer heeft niet doorgezet. Aangezien het pas vijf uur is en het aggregaat op het campement pas om zes uur aan gaat, hebben we geen elektra en dus ook geen licht in het huisje. Met de rietmatten die voor de ramen zitten is het dus al vrij donker binnen. Op de veranda is nog wel een boek te lezen, maar door het rieten afdak komen toch nog wel wat spetters heen en dus besluit ik binnen met een zaklamp maar verder te lezen. Rond zes uur horen we de generator aanslaan en ja hoor in ons huisje doet de lamp het nu ook. Het is inmiddels weer droog geworden en we lopen naar de uitkijkpost in de hoop dat er nog iets te beleven valt. De krokodil dobbert nog steeds rond in de vertrouwde hoek van het meer. De olifanten zijn nergens meer te bekennen. Met behulp van de telelens van mijn camera ontdek ik nog wel een waterbok aan de overkant aan het meer. Fotograferen gezien de duisternis en de afstand, dat kun je wel vergeten. Als we teruglopen ziet Heico op een pad nog een groot ‘hert’, maar tegen de tijd dat ik bij hem ben is dat weer uit het zicht verdwenen. Terug in ons huisje horen we de groene meerkatten spelen op het dak van ons huis. Op de golfplaten maakt dat een behoorlijk kabaal.

Wie denkt dat het ’s nachts stil is in zo’n natuurpark heeft het mis. Er is onnoemelijk veel kabaal. Met name krekels, vogels en iets dat een geluid maakt dat nog het meeste lijkt op druppels die in een emmer water vallen. Tegen de ochtend zijn de meeste geluiden wel verstomd, behalve de krekels, die nog steeds van zich laten horen.

 

 

Veel geluk in het natuurreservaat

 

 

Dinsdag 9 juli

Om half zeven begint de safari en dus zitten we om zes uur al aan het ontbijt. We zien in de verte waterbokken bij het water. De man die ons ontbijt heeft klaargemaakt wijst ons op parelhoeders die voorbij lopen. Deze blijken wel erg schichtig, want als we ze proberen te benaderen schieten ze snel de struiken in. Ook een roodsnaveltok laat zich zien, met zijn lange rode gebogen snavel. Na het ontbijt stapt de gids bij ons in de wagen en gaan we het park in voor een toer van ongeveer twee uur. Het begint meteen goed. Een flinke groep cobs de buffon staan op een 100 meter voor ons op de weg. Als we naderen schieten ze weg de struiken in, waar ze op hun hoede zijnde naar ons blijven kijken alvorens verder de struiken in te verdwijnen. Regelmatig ontdekken we weer dieren, vaak op een niet al te grote afstand van de weg. Waterbokken, een troep bavianen, cobs,  wrattenzwijnen, hamerkopvogel, wederom een roodsnaveltok, enz. Dan verspert een boom ons de weg. Vermoedelijk is deze omgeduwd door een olifant, want we zien hier meer schade aan de bomen en struiken. De gids zegt ons de natuur in te rijden over jonge boompjes en struiken heen. Of nu een olifantenkudde hier door heen gaat of ons metalen monster  op vier wielen, maakt waarschijnlijk niet veel uit. Even later komen we terecht in een heerlijke glijpartij. Ondanks onze fourwheeldrive zitten gewoon vast. De gids stapt uit en breekt hier en daar wat takken af en legt deze onder het achterwiel. Na wat pogingen en nog wat extra takken krijgen de wielen weer grip en kunnen we verder. Dan in eens als vanuit het niets staan we oog in oog met een grote groep olifanten. Ze zijn net in het water geweest en gaan nu weer verder. Als ze ons gepasseerd zijn, althans ik denk dan nog dat ze allemaal verder zijn en we verder rijden, zie ik vanaf de zijkant er nog meer naderen. De rest blijkt nog wat langer de tijd te nemen om te badderen en water te drinken en komt er nu langzamerhand aan zetten. Pascal had ze wel gezien, maar had besloten dat het toch veiliger was in zijn vooruit weg te kunnen rijden mocht er gevaar komen, dan in zijn achteruit. Er wordt duidelijk door de olifanten op ons gelet. De kleintjes worden in veiligheid gebracht. De moeders wapperen met hun oren en draaien dreigend hun koppen in de richting van onze auto en doen wat stappen onze kant op. Gelukkig besluiten de olifanten dat we geen echt gevaar vormen en lopen daarna gestaag verder. Wat een mazzel dat we ze treffen. De olifanten uit het park trekken heen en weer tussen dit park en een vergelijkbaar park in Ivoorkust. Dus dat ze nu hier zijn is voor ons wel geluk hebben. Er zitten als ze in Burkina zijn ongeveer 100 olifanten in het park. Sommige delen van het jaar zitten er maar enkelen. Dat we hier een groep van 30 tot 40 stuks, ik heb ze niet geteld is dan toch wel wonderbaarlijk. Bijna terug bij het campement zien we bij het water nog een sporenkieviet zitten en ook ‘onze’ krokodil drijft nog altijd in zijn vertrouwde hoekje rond.

Terug in het campement heeft de kunstenaar zijn winkeltje al geopend en spulletjes buiten uitgestald. We kunnen wat onderhandelen over de prijs zegt hij. Als we dat even later ook daadwerkelijk proberen lukt dat echter minimaal. Hij legt uit waarom. De bronzen beeldjes zijn erg duur voor wat betreft het brons. Dat wisten we eigenlijk al, dat is al jaren zo. De prijs zit vast aan de wereldprijs voor brons. De prijs die hij er voor vraagt klinkt ook niet echt onredelijk, aangezien we bij onze vorige reis hier er net iets minder voor hebben betaald bij een vriend in Ouaga.

Dan is het tijd om te vertrekken naar Tiébélé. De weg die ons gisteren bij dit kamp bracht was lang en moeizaam geweest. We blijken nu via een betere weg te kunnen vertrekken. We zijn nog maar amper vertrokken of we zien twee Abbesijnse Hoornraven in het gras tussen de struiken zitten. Het is een behoorlijk zeldzaam dier, dat met uitsterven bedreigd wordt.  Even later vliegen ze weg en kunnen we zijn enorme vleugels zien, en ook het witte verenkleed wat onder de zwarte veren verborgen heeft gezeten. In Burkina is dat in het verleden veel jacht gemaakt op dit dier vanwege de witten onderveren die gebruikt worden in de traditionele kostuums, die bij de maskerdansen worden gedragen. Ik weet dat een dierentuin in Nederland met enkele van deze dieren ze daarom speciaal voor hen verzamelt en ze hier naar  toe stuurt.

Weer zo’n gelukstreffen deze ochtend. Net als gisteren komen we verder geen verkeer of personen tegen. Wel zien we nog ineens naast ons in de struiken een klein groepje olifanten lopen. Hoe is het mogelijk, zoveel geluk op één dag. Bij de toegangspoort van het park is niemand aanwezig en op het toeteren door Pascal wordt ook niet snel gereageerd. Dus doe ik zelf de ketting maar opzij, zodat we door kunnen rijden. De poort zelf is prachtig beschilderd met diverse in het park aanwezige dieren.

We hebben een voorspoedige reis naar Pô, die bekend staat als garnizoensstad. Pascal stelt voor de benen even te strekken op de markt. Er is zoals in meer steden het geval is een stuk overdekt, hier voorzien van betonnen tafels. Er zijn er nogal wat leeg. Anderen worden gebruikt als opslagplaats of om er heerlijk (!) een tukje op te doen. Nu de zon af en toe weer door de wolken heen schijnt voelt het weer snel warm aan en geeft iedereen, ook wij, er de voorkeur aan om de schaduw op te zoeken. Naast de overdekte markt zijn er zeker nog zoveel plaatsen buiten de markt waar spullen verkocht worden. Maar ook hier is het verre van druk te noemen. Kinderen, maar ook volwassenen roepen ons na en sommige kinderen durven ons wel de hand te schudden.

We gaan richting Tiébélé, een 30 kilometer gelegen vanaf Pô, vlakbij de Ghanese grens. De grens verloopt hier erg grillig en de grensposten zijn soms vanaf de weg al te zien. We passeren het traditionele Cour Royal, de woning van de belangrijkste chef in dit gebied. We zullen het later deze middag met een gids gaan bezoeken. Het ligt een paar honderd meter verwijderd van ons campement. Het campement bestaat uit traditioneel uit banco gemaakt hutten, rond en vierkant. We kiezen  de eerste de beste ronde hut uit. De eigenaar toont het ons en vraagt of het goed is. Geweldig, zowel binnen als buiten is de hut traditioneel beschilderd. Voor de deur hangt een lap, die eigenlijk wel aan vervanging toe is, om de insecten tegen te houden en er is een raam, dat gewoon open staat, zonder vliegengaas. Wel hangt er een klamboe over het betonnen bed met een zachte matras. De spiegel in de kamer is versierd van allerlei afvalijzer en ook staan er twee rieten stoelen en een tafeltje. Alles bij elkaar voor ons een prima onderkomen. We kunnen met een bancotrap naar boven naar ons terras. De treden lopen wat schuin, dus voorzichtigheid is geboden. Vanaf het terras kijken we uit over het campement en de terrassen van de buren. Ook zien we de toilet en douche even verder op liggen. Het is een voor ons bekend ommuurd geheel met één ruimte waarin je je kunt wassen met een emmer water en de andere ruimte met een heuse toiletpot, maar waarbij jezelf het spoelmechanisme bent. Ofwel met een emmer water kun je na de toiletgang de boel even doorspoelen. In de doucheruimte zijn meer dan voldoende haakjes om je spullen en handdoek op te hangen, ook deze zijn gemaakt van afvalijzer. Een dame brengt even later een aantal emmers met water naar deze twee ruimtes. Er blijk op het campement geen stromende water aanwezig te zijn, want we zien dat een ezelkarretje met een grote metalen vat er op even later naar de pomp rijden om weer fris water te gaan halen.

Als we rijst willen eten is dat zo klaar, als we iets anders willen zal het wat langer duren. Rijst met een groentesausje vinden we prima en dus wordt het even later al gebracht.

Daarna hebben we nog wat even tijd voor een kleine siësta, niet verkeerd zo op het heetst van de dag. In ons huisje is het goed uit te houden, de temperatuur is daar redelijk aangenaam, dankzij de dikke banco muren.

Rond vier uur zal Casimir, onze gids ter plaatse ons op komen halen om ons rond te leiden op de Cour Royal in Tiébélé. Casimir is een jongeman, en na een korte introductie vertelt dat hij eerst de oudere mannen van de familie moet gaan begroeten, die onder de boom aan de ingang van de ‘woning’ zitten. Hij kan dan meteen toestemming vragen om ons de huizen te laten zien. Het totale Kassena volk, waartoe deze familie ook behoort telt 52 dorpen, die eeuwen geleden in deze streek zijn komen wonen, op zoek naar betere landbouwgronden.  Hier hebben ze de oorspronkelijke bevolking toen verdreven. Aanvankelijk woonden ze op de heuvel, maar later hebben ze hun woningen in het uitgestrekte dal gebouwd. Er liggen bij de ingang 52 platte stenen. Voor elk van de vertegenwoordigers van elk dorp één. Bij een samenkomst met de Koninklijke chef zaten zij dan daar, terwijl de Koninklijke heren verderop onder de boom zaten.

Rechts staat een bouwsel/ overkapping waar rechtgesproken werd. Geschillen konden hier worden voorgelegd en een beslissing werd dan daar genomen. Tussen de zitstenen, de boom en de overkapping in staat de fetisj van het ‘dorp’, de familie. Tevens ligt er ook een tombe. Dit alles mag niet gefotografeerd worden, zo vertelt Casimir desgevraagd. We passeren de mannen bij het binnen gaan en groeten hen door met de handen in elkaar te slaan en een knikje van ons hoofd. Twee heren aan het einde van de rij steken hun hand uit en we schudden die, terwijl de laatste daar duidelijk heel blij is. We weten op dat moment nog niet dat hij niets ziet. Hij stelt zichzelf aan Heico voor als Blaise. Dit is een probleem dat meer in deze families voorkomt, net als doofheid en het niet kunnen spreken. Op de binnenplaats van de mannen krijgen we een eerste indruk van de beschildering van de woningen. Het bouwen van de woningen is mannenwerk, het beschilderen wordt door de vrouwen gedaan. Zij doen dit grotendeels met de hand en de zwarte kleur soms ook met veren. Ze werken met drie natuurlijke kleuren, zwart, rood (kleur van de strijd) en wit (kleur van de vrouw).

Elke drie jaar worden de symbolen opnieuw aangebracht. De zwarte kleur vervaagt het eerste, want die wordt boven op de andere kleuren aangebracht.

Er ligt op deze mannenbinnenplaats een tombe. Hierin worden de familieleden van de chef begraven, mits ze animist zijn. Katholieke en Islamitische familieleden worden buiten de omheining begraven in de buurt van de fetisj. Een graf is ongeveer één meter diep. Aan de onderkant worden zijgangen gegraven, zodat ongeveer tien personen in één tombe kunnen worden begraven. De tombe wordt aan de bovenkant afgesloten met een ronde deksel.

De huizen staan vol met figuren en afbeeldingen, die allen een betekenis hebben. De W-zigzag, gemaakt van vier strepen stelt een roofvogel (adelaar) voor, daarnaast een zigzag van drie strepen stelt de poten van een kip voor. Samen betekenen ze dat de mensen goed op hun kippen moeten letten, omdat anders de roofvogel (adelaar) de kippen zal opeten. De twee strepen zigzag ofwel ‘V’ staat voor een pijl, van en pijl en boog, die men gebruikt in de jacht en bij de strijd. De driehoeken staan voor stukken van de kalebas. De kalebas is een van de belangrijkste voorwerpen in het dagelijkse leven van de Kassena. Het macramé, de gevlochten touwen waarin de kalebassen worden bewaard en natuurlijk de onvermijdelijke kaurischelpen. Kinderen leren al van jongs af aan dat je die niet mag oprapen, omdat ze gebruikt worden om offers te brengen.

De zon en de maan, de salamander, die heilig is voor de Kassena. Als eerste verschijnt meestal een salamander op de muren van een nieuw gebouwd huis en dat is dan een goed teken. Het heilige dier van de Koninklijke familie is de schildpad. Als je er een vindt in het bos, moet je hem mee nemen naar huis. Het zal betekenen dat je spoedig gaat trouwen, of als je al getrouwd bent dat je kind hetzelfde geslacht zal hebben als de schildpad. Een derde belangrijk dier is de slang. Deze staat voor de terugkeer van de geest van de overleden grootmoeder. Het teken van de familiegroep is een ster. Vroeger kreeg je dat als kind al op je lichaam of gezicht ingekerfd, als een herkenningsteken.

We klimmen via een trap naar een terras. We hebben van daaruit een goed uitzicht over alle huizen van deze Koninklijke familie. Het oorspronkelijke huis bestond uit twee vertrekken in een achtvorm. Het eerste vertrek was de woon/ slaapkamer en het tweede de keuken. De restanten van dit eerste huis liggen er nog, zoals meer restanten van huizen die onbewoond zijn geraakt door het overlijden van haar bewoners. Aan de andere kant zien we een nieuw exemplaar dat ook in deze vorm gebouwd is. Verder zien we zowel ronde als vierkante huizen. De ronde huizen zijn voor kinderen en ongetrouwde personen en de vierkante huizen voor getrouwde stellen. Her en der verspreid staan de granaries van de verschillende gezinnen. De meesten zijn beschilderd en worden gebruikt voor de opslag van de oogst. De bovenkant is afgesloten met een rietendak.

Dan kruipen we een woning binnen, een ander woord kun je er eigenlijk niet voor gebruiken. De deuropening is amper 50 centimeter hoog en net daarachter zit een opstaand muurtje. We stappen er zijwaarts overheen en komen dan in een verrassend hoge ruimte terecht, de woon/ slaapkamer, waarin je gemakkelijk kunt staan. Links is een betonnen verhoging, waarop diverse spullen staan en ’s nachts in gebruik is als bed. Nu mogen we er even op de brede rand gaan zitten om de boel verder te bekijken. Aan de andere kant van de kamer staan krukjes. Aan de muur boven de opening naar een tweede kamer hangen nieuwe versierde kalebassen. Deze worden gebruikt als men gasten heeft. Het is niet respectvol als men dan met de kalebassen voor het dagelijks gebruik aan komt zetten. Ook hangen er diverse gevlochten rieten mandjes met kauri’s versierd. Daarna door naar de tweede ruimte, die mogelijk nog een lagere doorgang met het daarachter staande muurtje heeft dan de eerste. Door deze muurtjes kon men zichzelf redelijk goed beschermen en kon men de aanvaller / indringer zijn hoofd afhakken zodra deze boven het muurtje uitkwam. Bovendien kijk je als bewoner naar het licht toe en moet een indringer eerst nog wennen aan de duisternis waar de bewoner zich in bevond. Mocht een indringer vuur naar binnen gooien in de hoop je uit te roken, dan was er altijd water binnen om dat dan te doven. De rook kon men via een gat in het dak latten ontsnappen. Dit gat (schoorsteen) zorgt niet alleen voor frisse lucht, maar ook als het open staat voor wat licht. Alleen in de regentijd wordt hij afgesloten om inregenen te voorkomen. In de tweede ruimte staan de potten en borden van de vrouw opgesteld tegen de muur. Er hangt ook een macramé gevlochten net met daarin de kalebassen voor dagelijks gebruik. Zo opgeborgen heb je de minste kans op breuk van de kwetsbare kalebassen. In de hoek staan drie maalstenen. Eén voor het malen van gierst en maïs, één met opstaande randen voor pinda’s en één voor de karité. Tegen het plafond hangen grote rietmatten, die gebruikt worden om overledenen in te wikkelen en te begraven.

De echte keuken met een haardvuur blijkt in een derde ruimte, nog verder in het huis te zijn. Een stapel hout ligt er al klaar voor gebruik. Hier wordt eigenlijk alleen gekookt als het regent. Normaal kookt men buiten. Het gat in het dak fungeert dan als schoorsteen, maar gezien eerdere ervaringen in andere huizen denk ik dat toch het hele huis vol met rook zal komen te staan. We keren terug naar de slaapkamer. De gids geeft aan dat het huis van grootmoeder is en dat we als dank voor het bezichtigen haar wel een of twee ‘pieces’ mogen geven. We kruipen weer uit het huis en zien op de binnenplaats behalve oma nog meer met name vrouwen en kinderen verzameld. Toen we er aankwamen waren er dat beduidend minder geweest. Ik bedank oma en stop haar wat geld toe. Ze knikt en spreekt wat tot ons in haar eigen taal, ik neem aan een bedankje voor het geld, maar zeker weet ik dat natuurlijk niet.

We lopen langzaam in de richting van de uitgang als we door twee jonge mannen worden aangesproken. Als ze merken dat we de Engelse taal beter beheersen krijgen we een tekst in het Engels te lezen, op een blad dat een aantal officiële stempels en handtekeningen bevat. Ze zamelen geld in voor een stichting die minderbedeelden en weeskinderen, maar vooral ook meisjes wil helpen hun schoolgeld bij een te brengen. We mogen op een lijst schrijven hoeveel we willen schenken. Om de hoek staat wederom iemand, de man die ons bij de ingang zo vriendelijk de hand had geschud en die zich toen voorstelde als Blaise. Hij heeft ook een map bij zich en houdt een in het Frans opgestelde tekst omhoog. Daar merken we dat hijzelf blind is. Hij vraagt onze hulp, samen met een begeleider voor visueel en gehoor-gehandicapten. Ook hier mogen we in een schriftje noteren wat we willen doneren voor deze stichting. En ook hieraan kun je natuurlijk niet zomaar voorbij gaan. Er blijken zo vertelt Casimir laten behoorlijk wat gehandicapte kinderen te wonen in deze omgeving. Op zich niet zo vreemd gezien de beslotenheid van de leefgemeenschap en dus inteelt in deze families. Een doofstom jongetje had eerder al onze aandacht willen trekken, maar werd toen door Casimir op een afstand gehouden. Toen hij even later toch ongezien bij mij in de buurt kon komen en mij een hand kon geven, was hij zichtbaar blij en daarna ook weer snel vertrokken.

Tot slot staan in een hoek van de binnenplaats een vijftal verkopers om hun producten aan te prijzen. Vier van de vijf wachten hun beurt netjes af om ons uitleg te geven over hun werk en om ons te interesseren voor hun voorwerpen. De vijfde probeert ons een aantal malen naar zijn uistalling te lokken, waarna ik hem vertel dat we zo ook bij hem komen, waarna hij iets meer op afstand blijft. We nemen de tijd voor allen en bekijken alles en vragen zo nodig om uitleg. Allerhande kalebassen, al dan niet versierd, potjes gemaakt van kleine kalebassen en natuurlijke vele sieraden en maskers. Een artiest had een kunstzinnig iets gemaakt. Drie poppetjes ineen gevlochten en gemaakt uit één stuk hout, echt knap. Hij toont ons hoe het oorspronkelijk aan elkaar gezeten heeft.

Na de rondleiding gaan we net buiten het dorp nog even wat drinken met Pascal en Casimir. Er schuift ook nog een andere vriend aan, die in redelijk Engels vertelt dat hij eigenlijk sieradenmaker is van beroep. Door het wegblijven van de toeristen de laatste jaren was hij gedwongen daar mee te stoppen. Zijn gezin moest tenslotte ergens van leven. Hij is nu gouddelver geworden. We gaan er morgen meer van zien als we de goudmijnen gaan bezoeken. De anderen steken een beetje de draak ermee. Hij vertelt namelijk dat hij regelmatig behoorlijke ‘klompen’ goud vindt. Aangezien de vrouwen in de andere regio slechts kleine stofdeeltjes vonden zijn we erg benieuwd hoe groot ze hier dan wel niet zijn.

Op het campement eten we die avond couscous met een prima groetensaus en een zeer smakelijk flink gezouten kippetje. Op de mango als toetje moeten we even wachten, die moet nog even gehaald worden, want bij het doorsnijden ervan merkt de kok dat hij niet goed meer is. De nieuw gehaalde mango is het wachten zeker waard geweest. Het sap druipt langs alle kanten van mijn  handen af.

Zodra we klaar zijn met eten meldt zich een man aan onze tafel. Even eerder heeft hij met de Italianen, die overigens naast Frans ook goed Engels spreken zo hebben we al gemerkt, al gesproken en daarvan had ik al een en ander opgevangen. Hij vertelt ons dat ze in het dorp een dans- en zanggroep hebben die graag voor ons wil optreden. Ze gebruiken in hun optreden traditionele Kassana dansen en liederen. Het lijkt ons inderdaad leuk om dat te zien en ook de gids van de Italianen voegt toe dat het zeker de moeite waard is. Als ook de Italianen klaar zijn met eten staan de stoelen al klaar voor het ‘podium’ en worden nog snel de lampen uit de ‘eetkamer’ verhangen naar het ‘toneel’. Ook een draagbare lamp wordt zo neergezet dat het podium geheel verlicht is. Dan komen de ‘artiesten’ binnen, twee heren en een drietal jonge meiden. Nog wat kinderen volgen, maar die blijken met name als publiek meegekomen te zijn en nemen plaats op een bank. Het zoontje van de eigenaar van het campement gaat naast de ‘artiesten’ staan en blijkt tijdens de voorstelling al aardig mee te kunnen doen. Na elk lied/ dans wordt uitgelegd wat de betekenis is ervan. Bijvoorbeeld een welkomstdans, een dans waarbij een meisje de keuze heeft tussen één jongen met een fiets, symbool van weinig rijkdom en één rijke jongen met een bromfiets. De keuze zo wordt in het lied duidelijk gemaakt is dat armoede wel degelijk tot een gelukkig leven kan leiden samen en dat rijkdom mogelijk kan leiden tot scherven. Dat laatste slaat op een gebruik dat één van beide huwelijkspartners de scheidingspot (canari de divorce) kapot kan slaan en dat dan het huwelijk beëindigd is.

Vaak danst men om de beurt een stukje alleen. Dat is gezien het snelle ritme waarin armen en benen zich bewegen ook wel te snappen. Je zou er van buiten adem raken als je dit lang doet. De bewegingen zijn nog het beste omschrijven als kippen met fladderende vleugels (armen), snel bewegende voeten, afwisselend rechts links rechts en links rechts links en een voorovergebogen lichaam. Of het echt kippen voor moeten stellen heb ik niet gevraagd, maar de bewegingen doen me er in ieder geval wel aan denken.

Een kinderspelletje. Met gespreide benen zonder met je hand de grond te raken een muts oppakken met je mond. De meesten krijgen het voor elkaar. Een enkeling zet de muts wat omhoog, waardoor het alsnog lukt. Eén van de heren lukt het niet, waarna hij snel de muts oppakt en in zijn mond stopt, tot groot plezier van de omstanders. En dan het onvermijdelijke moment, De Italiaan, die de hele tijd zo vrolijk met zijn kalebas mee had zitten rammelen wordt uitgenodigd het ook te proberen. Hij wijst resoluut af. Ook Heico ontvangt deze vraag en die wil het ook niet echt proberen. Dus gaat men verder met de show.

Het laatst twee nummers worden aangekondigd en dan gebeurt er iets waardoor de show abrupt stopt. Het vel van de djembé scheurt. Iedereen wordt dan de vloer opgetrokken en dansen we samen met hen. Ook een ingewikkeld voetenspel, wat zij eerder lieten zien mochten we in slow motion proberen. De collectezak komt rond en natuurlijk geven we wat, want we hebben er erg van genoten.

 

 

 


 

De pottenbakster is zeer tevreden met de schaal

 

 

Woensdag 10 juli

Op naar het pottenbakkersdorp Bounkou tegen de Ghanese grens. Twee families houden zich hier bezig met pottenbakken, tenminste het vrouwelijke deel van de families. De mannen werken op het land. We trekken bij aankomst weer het nodige bekijks. Op de binnenplaats worden we begroet door oma, die slechts enkele woorden Frans spreekt. Gelukkig tolkt Casimir voor ons. We mogen in een speciaal voor dit doel ingerichte hut plaatsnemen. Aan de ene kant staan potten en aan de andere kant is een banco rand tegen de muur gemaakt, waarop we mogen gaan zitten. Oma gaat zitten op de grond, de rok wat omhoog getrokken, zodat ze tussen de knieën wat grof zand kan aanbrengen. Ze mengt de klei hier ook wat mee. Dankzij dit grovere zand plakt de klei niet aan de bodem vast. Ze doet er nog wat anders door en kneedt het geheel tot een stevige bal. Een deel ervan neemt ze apart en begint er een flinke stevige bodem van te maken. Daarna werkt ze vanuit het midden de zijkanten omhoog. Van de tweede klomp maakt ze nu een vijftal worsten. Dan schraapt ze met een natgemaakt stukje kalebas zowel de buitenkant als de binnenkant glad. De eerste worst wordt wat vochtig gemaakt en langs de binnenkant rondom vastgemaakt. Hierbij zorgt ze er met de andere hand voor dat de buitenkant in tact blijft. Na vier worsten te hebben aangebracht volgt opnieuw het gladstrijken van de pot. Met de laatste worst vormt ze de bovenrand, die ze met een nat lapje mooi vlak gemaakt. Alle oneffenheden kun je er goed mee wegwerken. Dan maakt ze nog wat dunne slangetjes, die ze op de zijkant als versiering aanbrengt. De pot is nu klaar om te drogen. Ze toont ons een al gebakken exemplaar.

Met een handgebaar en een klomp klei in haar andere hand nodigt ze me uit het ook eens te proberen. Tja, wat voor een gedrocht zou ik gaan produceren. De opstaande wanden zijn toch altijd lastig om te maken. Toch begin ik er aan vol goed moed. De bodem, die is prachtig. Dan het opwerken van de wanden door de klei vanuit het midden omhoog te duwen. Er wordt goedkeurend geknikt. Ik krijg een stukje kalebas aangereikt en ze gebaart me de buitenkant glad te schrapen en later met een kleiner stukje kalebas ook de binnenkant. Dan maakt ze een worst die ze voor me vochtig maakt. In mijn onhandigheid breekt hij, maar ik ga stug door en duw het gewoon weer tegen elkaar. De kinderen die in en bij de ingang zitten te kijken hebben er veel plezier om. Ook wat oudere dames komen kijken naar een mogelijk nieuwe collega. Of moet ik zeggen concurrente. Oma blijft tevreden knikken en lachen. Dan het lapje voor het randje. De pot lijkt wat breder te zijn geworden dan het oorspronkelijke voorbeeld, maar ik mag gewoon verder gaan. Dan gebaart oma me de pot te geven. Ik reik hem aan en binnen enkele minuten staat er voor oma een juweeltje, om trots op te zijn. Ze haalt een soort diep bord achter zich te voorschijn en zet die er naast. Ja, daar lijkt hij wel op. Casimir vertelt dat ze hem later nog wel gaat versieren. Dan hoe kan het ook anders worden alle kant en klare potten, schalen en dergelijke voor ons uitgestald. We kiezen er twee uit, nadat we eerst voorzichtig bij Casimir hebben geïnformeerd of men van 10.000 cfa terug zal kunnen geven, want kleiner geld heb ik op dit moment niet bij me. Dat moet geen probleem zijn zegt hij. We vragen naar de kosten. De vast prijs is 2000 cfa per pot. Eigenlijk vinden we de vaste prijs wel fijn, want echte onderhandelaars zijn we niet en we gunnen hen eigenlijk ook altijd wel de opbrengst. Een man die al eventjes stond te kijken in de deuropening, springt met ons briefje op de fiets en komt een aantal minuten later weer terug met kleinere coupures. Hij geeft het aan oma, die het op haar beurt allemaal doorgeeft aan Casimir. Hij geeft oma 4.000 en ons de rest. Oma komt met een armbandje en doet me dat om. Casimir geeft aan dat dit een geschenk is als dank voor onze aankoop. Ook hij krijgt er een omgedaan. We vertrekken handenschuddend en in mijn ooghoeken zie ik Casimir wat muntjes uitdelen aan drie meisjes die er ook bijna de gehele tijd dat wij er waren bij hadden gezeten.

Terug richting Tiébélé, naar de goudmijnen van de mannen. Casimir vertelt dat hij zelf ook wel eens naar beneden is geklommen. Een put is een kleine meter in het vierkant en wordt regelmatig ondersteund middels kleine balkjes, die aan de zijkant geplaatst zijn. De put kan wel 30 tot 40 meter diep gegraven worden. Her en der worden zijgangetjes gegraven, met dusdanige hoogte dat de gouddelver er in kan staan. Op twee manieren kan men er in of er uit klimmen. Met behulp van een touw met daarin knopen of gewoon door handen en voeten tegen de zijwanden te plaatsen. Als Casimir per ongeluk tegen een steentje schopt horen we pas na geruime tijd dat het beneden aankomt. Gelukkig valt het niet bij een van de mannen op het hoofd. Hoofdbescherming, daar heeft men hier nog niet van gehoord. Met pikhouweel, hamer en een zaklamp die om het hoofd gebonden wordt met een elastiek daalt men hierin af. Een opengewerkt watervat wordt later door een ander naar beneden gelaten aan een touw, Hiermee wordt het losgewerkte materiaal, waarin hopelijk veel goudstof zit, naar boven gehesen. Er zijn ontelbaar veel putten. Sommige putten zijn ingestort. In elke put werkt een man of tien, die samen de opbrengst van de dag delen. De eigenaar van de mijn betaalt per hoeveelheid naar bovengebracht materiaal.

Opvallend is dat overal mannen liggen te niksen. Een enkeling maakt een nieuwe steel voor zijn  pikhouweel, brouwt iets te eten op een vuurtje of probeert met een grote vijzel een rotsblok fijn te stampen op zoek naar goud. Slechts een enkeling zien we in een eerder ingestort deel of in een open put nog aan het werk. Dan horen we de reden. De pomp, die er voor moet zorgen dat het water uit de diepe putten wordt gepompt, het heeft begeven. Zonder pomp is het gevaarlijk om naar beneden te gaan en dus ligt iedereen in de schaduw te wachten totdat er iemand komt om de pomp te repareren. Een slechte dag dus voor deze mannen. Normaal werken een 1000 man in deze mijn. Nu zijn er slechts enkele tientallen mannen aanwezig, die hopen op een snelle reparatie van de waterpomp. Onze interesse voor de mijn vinden ze wel grappig en bij ons vertrek vragen ze om een sigaret. Ik zeg naar waarheid dat ik niet rook, dus dat ik hen daaraan niet kan helpen. De volgende onvermijdelijke vraag (om geld), wacht ik dus ook maar niet af en loop verder.

Onder aan de heuvel zijn twee jongens bezig met goud te pannen. Een flinke hoeveelheid grind en zand vermengen ze telkens met water en de lichtere delen worden er zo uitgespoeld. De grotere stukken worden er met de hand uit gehaald. Het water met de kleinere en zwaardere stukjes wordt op een schuin naar beneden lopende helling gegoten gemaakt van een metalen bak met daarop richels en vervolgens daarop weer oude stukken handdoek. Echt goudstof kan ik er niet in ontdekken. Na enige tijd worden de handdoeken uitgespoeld in een waterbak en begint het eigenlijke zoekwerk naar het goudstof. Dat gebeurt door het te pannen en opnieuw de grovere en lichtere delen te scheiden van de rest. De jongens vertellen twee goede dagen te hebben gehad, waarin ze veel gevonden hebben. Een van de twee laat me een hoeveelheid zien ter grote van een erwt. En ook in de bak waarin hij nu bezig is ziet hij en als ik goed kijk ik ook wat goudstof zitten.

We wensen hen nog veel van zulke goede dagen en lopen door het dal verder terug naar de doorgaande weg. Het is een prachtig groen dal. Wat opvalt net als in de rest van de wijde omgeving is dat er zeer grote bomen staan. Vooral enorme meters dikke baobab’s, maar ook een Néré, waarbij zo’n reus van een baobab in het niet valt. De hemel is prachtig blauw met witte wolken. Omdat de zon vrijwel continu schijnt is het nu ook warmer dan de afgelopen dagen. Ook onderweg zien we in een andere mijn mannen bij putten aan het werk. Zij hebben het geluk dat hun pompen het nog wel doen en vele liters water uitspuwen, die zich een  weg zoeken naar het dal.

We halen onze bagage op bij het campement, terwijl Casimir zijn spullen thuis ophaalt. Hij wil graag meerijden naar Ouagadougou. Dat is natuurlijk geen probleem. Een aardige beschaafde knaap, gun je toch zeker een comfortabel en gratis ritje in plaats van te moeten betalen voor een samengeperst plaatsje in een overvolle en hete bus. Pascal heeft het dan vaak over een blik sardientjes, als we weer zo’n busje voorbij rijden. Een afgeladen wagen, waar alles en iedereen die mee wil in of opgepropt wordt.

Eerst nog zo’n 30 kilometer over de piste naar Pô. Daar stoppen we even bij een apotheek, want Casimir blijkt een malaria-aanval te hebben, wat hij ons niet vertelt heeft en heeft daarom medicijnen nodig. De rest van de weg is bijna een feestje. Een prachtig geasfalteerde tweebaansweg, slechts op één punt onderbroken, vlakbij een checkpunt van de gendarmerie. Grote gaten en kuilen in de weg en een brug over een watrtje, waar de leuning er half af ligt. Ik ben blij als we veilig aan de overkant aangekomen zijn en de brug nog op zijn plaats staat.

De gendarmes wenken ons sloom dat we verder mogen rijden en de fijne weg begint weer, ongeveer 130 kilometer naar Ouaga. Voor we het in de gaten hebben zijn we al in de voorstad van Ouaga aangekomen en zetten we Casimir ergens aan de kant van de weg af. Het is inmiddels al lang etenstijd, maar we besluiten toch maar eerst door te rijden naar het hotel. Daar kunnen we ook prima eten. We worden door de personeelsleden herkend en al snel naar onze kamer gebracht met onze spullen. Met Pascal eten we nog gezellig in de tuin, waarna hij terugkeert naar zijn gezin, die hem nu toch ook al weer bijna anderhalve week niet gezien hebben.

Nu blijkt dat Heico zijn telefoon niet meer zonder pukcode aan de praat te krijgen is zijn we meteen ook ons telefoonnummer van Juliette kwijt. Ik besluit met mijn telefoon, die wel kan sms-en maar niet kan bellen hier, een andere vriendin, waarvan ik wel het telefoonnummer heb te sms-en. We krijgen al snel via een ander nummer een reactie,waardoor ik denk dat het Juliette is die reageert. Na nog wat over en weer te hebben ge-sms’t begrijp ik dat het toch Pascaline is, maar dat die met haar tweede telefoon naar ons reageert. Uiteindelijk regelen we op deze manier dat zij Juliette zal laten weten dat we de andere dag tussen half elf en elf uur klaar zullen staan bij het hotel, voor een bezoek en kennismaking met de moeders en kinderen van de association. We kunnen dan meteen wat van de kleding uitdelen aan de kinderen.

Nu we dat geregeld hebben zijn we van plan nog even wat te gaan wandelen, maar er breekt een onweersbui los. De temperatuur daalt daardoor tot een aangename hoogte. Met het schrijven van een reisverslag en het lezen van een boek brengen we zo de tijd door. Als het ophoudt met regenen is het tijd voor het avondeten. De platte de jour is sinds ons vorige bezoek niet verandert, zo zagen we bij onze binnenkomst, en zeboe is na al die dagen met kip weer eens een welkome afwisseling. Bovendien hoef je dan niet eindeloos te kluiven. Zodra de salade opgediend wordt beginnen we er meteen aan. De vorige keer hadden we gewacht tot ook het vlees en de frites gebracht werden en de serveerster keek ons toen wat vragend aan of het niet goed was. De salade is bedoeld als een voorgerecht en daarom laten we het ons alvast maar goed smaken. Na het eten gaan we nog even de straat op. De hele dag bijna in de auto gezeten en de rest in het hotel, we hebben wel even de behoefte om de benen te strekken. Bovendien kom je op straat bijna altijd wel in contact met aardige mensen. Ik wilde eigenlijk zeggen een frisse neus halen, maar dat kun je hier in Ouaga eigenlijk wel vergeten. Je kunt hier eigenlijk alleen maar stofhappen, of de stank van voorbij ronkende motortjes en oliedamp in de lucht spuitende taxis en auto’s inademen. Verder wordt er langs de weg nog veel gestookt op houtskoolvuurtjes om het eten te bereiden en ook daar kun je als je gezondheid je lief is het beste met een grote boog omheen lopen. In het donker lopen we een heel eind door de straat. Rue de la Liberté, een veelzeggende naam voor een oud-kolonie. Het meeste leven speelt zich op straat af en overal is men druk doende om mogelijke klanten te voorzien van voedsel en drank. Maar ook een reparateur van auto’s en een lasser zijn druk bezig. Wat kledingverkopers waarvan er enkelen een prachtig betegelde boetiek hebben met grote glazen ramen en afgesloten deuren. De labeltjes van de merken hangen duidelijk in het zicht. De voorbijganger moet wel zien dat het hier om duurdere merkkleding gaat en niet de goedkope dump uit China. Hoewel de temperatuur prima is is de luchtvochtigheid erg hoog en loopt het zweet toch in straaltjes van onze rug af. Na ruim twintig minuten besluiten we om te draaien. Echt iets spannends zijn we nog niet tegen gekomen. Hier en daar worden we wel begroet. Hier en daar zijn vrachtwagens bezig winkels te bevoorraden, zoals een supermarkt waar grote dozen met spaghetti worden bezorgd. Dan komt er een grote vrachtwagen met knipperlichten in de verte uit een zijstraat aangereden. Het blijkt een enorm zwaar beladen vrachtwagen te zijn. Dit soort enorme trucks afgeladen vol zagen we vandaag ook in een hele stoet van Pô richting Ghana rijden. Ik kon toen in enkele van de wagens rode uien ontdekken. De rest zat uitstekend verpakt onder grote plastic zeilen. Als je deze wagens ziet rijden snap je ook meteen waarom die de pistes niet opmogen als het pas geregend is en de wegen er zacht door geworden zijn. Er zou niets van de weg overblijven.

 

 

 

 

 

Iets krijgen is fijn, maar iets geven nog veel fijner

 

 

Donderdag 11 juli

Pascal komt even langs in het hotel om af te spreken dat hij ons morgen omstreeks half zeven ’s avonds zal komen ophalen om ons naar het vliegveld te brengen. We drinken nog even een expresso, iets wat we eigenlijk al anderhalve week niet gedaan hebben, maar eerlijk gezegd ook niet echt gemist hebben. We zullen aan het einde van de ochtend opgehaald gaan worden, dat is geregeld door Juliette. Door wie we hebben geen idee, we zullen het wel zien. Een blanke dame stapt op ons af. Wij zijn helemaal verbaasd als zij het is die ons komt ophalen en al helemaal als ze zich voorstelt als Laura, de dame die de P.R. verzorgt voor de association, waarmee ik al enkele keren mailcontact heb gehad. Zij blijkt een Italiaanse ingenieur te zijn die hier is blijven hangen na haar stage en getrouwd is met een Burkinabé. Zij heeft inmiddels een kind van twee jaar oud en een tweede is op komst. Haar man werkt als laborant (waterkwaliteit) in Ouaga, maar zij leerden elkaar kennen bij hun werkzaamheden meer naar het noorden. Ze brengt ons naar Juliette en onderweg praten we over van alles en nog wat.

Juliette haalt de kledingtassen, die we uit Nederland hadden meegebracht te voorschijn en ik vertel nogmaals dat ze er mee mogen doen wat ze willen. Weggeven, voor een klein bedrag verkopen aan mensen van de association of verkopen op de markt. Ze vertellen me dat op de markt een shirt van Chinese makelaardij op dit moment slechts 1000 cfa (anderhalve Euro) kost, dus dat de kleding zo verkopen niet echt veel zal opbrengen. Hoewel, toen ze de kleding goed bekeken, ontdekken ze diverse dikke kledingstukken, waarvan ze menen dat ze daarvoor op de markt toch wel 1000 cfa zouden kunnen vragen, ook al was het niet allemaal meer gloednieuw. Er wordt al snel een schifting gemaakt tussen de gewone kleding en de kleding, die geschikt is voor de verkoop. Het blijkt toch nog wel een behoorlijke berg te zijn. Ondertussen zijn meerdere vrouwen van de association binnen gekomen in het kleine huisje van Juliette. Ze nemen ergens langs de kant plaats. Ook kinderen verschijnen erg terughoudend maar wel nieuwsgierig in de deuropening. Dan wordt besloten dat alle kinderen van ons twee kledingstukken zullen krijgen vanuit de gewone stapel. De kinderen worden opgesteld in een rij buiten bij de deur en samen met Juliette en Laura delen we de spulletjes uit. Liefst twee verschillende kleuren shirts of één shirt en één broek. De kinderen staan geduldig op hun beurt te wachten en niemand duwt of probeert voor te dringen. Het is geweldig zo van alles uit te kunnen delen onder het goedkeurende en toeziende ogen van de dames. Alle aanwezigen zijn er duidelijk mee in hun nopjes, met dit onverwachte cadeau uit Nederland. Enkele vrouwen vragen of zij ook kleding mogen kopen. Ja natuurlijk is het antwoord, het maakt niet uit wie het koopt als het maar ten goede komt aan de association. Nog voor de middag om is is er al 12.000 cfa in het laatje gekomen en er zal nog meer gaan volgen, dat is duidelijk. Hoewel Afrika nu niet zo bekend staat als land waar men warme truien draagt, zien we nu al regelmatig dat Burkinabé een warme trui aan hebben, terwijl de thermometer nog echt boven de twintig graden wijst. De koudste tijd moet hier nog komen, dus die warme truien zullen echt wel goed van pas gaan komen. Ook de tweede zoon van Juliette Aubin, die volgende maand naar de Verenigde Staten gaat voor zijn vervolgstudie zal waarschijnlijk de warme truien daar hard nodig gaan hebben. Het uitdelen voelt toch wel een beetje als Sinterklaas spelen. Ook alle dankbare reacties die we die middag krijgen, doet je toch wel beseffen dat je dit niet voor niets hebt gedaan. Het waren twee zware tassen om mee te sjouwen, ieder zo’n twintig kilo, maar de dankbaarheid die je hier voelt en ontvangt maakt dat helemaal de moeite waard.

Over enkele weken gaat Laura terug naar Italië om daar te bevallen. Niet dat het hier niet goed zou gaan, maar het geeft haar een beter gevoel en bovendien weer een gelegenheid om haar familie daar weer eens te zien. Zij neemt dan ook wat zaken mee die ze daar voor de association probeert te verkopen. Dit alles vanuit het uitgangspunt, alles wat men er voor geven is goed en komt de association ten goede. Er wordt gevraagd of ik ook spulletjes, in dit geval sieraden op die manier mee zou willen nemen. Pas als ik ze verkocht heb hoef ik het bedrag over te maken. Ik geef aan dat ik ze liever hier koop tegen een goed bedrag en dat ik ze probeer daar thuis voor te verkopen, dan dat ik ze mee neem en ze pas op termijn daar iets van terug gaan zien. Ik vraag om de huidige prijs op de markt. Ze blijken daar ongeveer 2000 cfa (3 Euro) per stuk op te leveren. Ik besluit er vijf mee te nemen en 25 Euro achter te laten. Dan zie ik in Nederland wel hoe ik er van af kom. Soms is een Kerstmarkt op school daarvoor een geschikte plaats en ook kan ik ze gewoon aan mensen in mijn omgeving cadeau gaan doen.

Een aantal van de jongens wil wel met hun spulletjes op de foto. Ik ga na de zomervakantie proberen om een stukje voor de nieuwsbrief van de basisschool waarvan ik de gevonden voorwerpen mee mocht nemen te schrijven om hun te bedanken. Een foto met wat leuke koppen erop is dan altijd een mooie aanvulling. Laura informeert of het ook mogelijk is een ‘jumelage’ aan te gaan of dat een school bijvoorbeeld eenmalig of voor meerdere jaren zich wil inspannen om schoolgeld voor een kind bijeen te krijgen. Ik zeg toe de mogelijkheden daartoe in ieder geval eens na te gaan.

Langzamerhand vertrekken de dames weer en met hen ook de kinderen. Juliette wil me de graanmolen laten zien, waar ze nu op dit moment hun maïs en andere zaken voor de association laten malen. Ze zou er ook graag een voor de association hebben, want dan kan men de kosten voor het gebruik van dit apparaat verminderen en dus de opbrengsten verhogen. Bovendien zouden ze dan ook geld kunnen verdienen door voor anderen het graan te gaan malen. Als we de grote motor die er voor nodig is zien staan, beseffen wij in ieder geval wel, dat dit geen wens is die zo een twee drie te vervullen zal zijn. We vragen ze wel om eens een gedetailleerde begroting te maken van allerhande wensen die ze hebben. Ze willen namelijk ook graag een eigen gebouw hiervoor, een ruimte om kinderen op te kunnen vangen, een soort microkrediet om extra maïs en andere voorraden aan te kunnen schaffen en zo nog meer. Als we die hebben kunnen wij nagaan in hoeverre wij er vanuit Nederland misschien een steentje aan kunnen gaan bijdragen. Daarna lopen we nog wat over de markt, waar Juliette duidelijk voor velen een bekend gezicht is. Overal groeten mensen haar en ook ons. Over de markt lopen met blanken in je kielzog is natuurlijk altijd goed voor je imago, zo hebben we dat al eerder gemerkt. Ze biedt ons een drankje aan in het plaatselijke café. Dat is misschien wel een groot woord voor iets wat overkapt is en met rietmatten omgeven is, maar zo ervaart men het daar wel. Als de flessen op tafel komen blijkt dat we het drankje krijgen aangeboden van de eigenaar, wiens vrouw ook in het bestuur van de association zit. Als we dat bijna op hebben komt de ‘petit frère’ van Juliette langs en ook hij biedt ons wat te drinken aan. Het mag dan wel warm zijn en transpireren doen we er veel, maar een liter cola wegwerken in korte tijd is toch een behoorlijke opgave, maar nee er tegen zeggen is toch eigenlijk ook geen optie. In het café zitten met name veel mannen en de plaatselijke Naaba te herkennen aan zijn rode chapeau.

Daarna lopen we terug via een straatje op de markt waar dolo verkocht wordt, de plaats waar Juliette ook regelmatig haar dolo aan de man bracht en brengt.

Daarna gaan we naar Pascaline, die een lichte griep onder de leden heeft. Aangezien we morgen zullen gaan vertrekken naar huis heeft ze verschillende zaken klaar liggen die ze graag voor Sjef mee wil geven. Een brief, een copie van het certificaat dat Sainte Mère Teresa heeft gekregen met het slagingspercentage erop van dit jaar, lappen stof waarvan de schoolkleding komen jaar zal worden gemaakt. Geheel zelf ontworpen met de namen en afbeeldingen van de scholen erop. Als klap op de vuurpijl komt ze ook nog met drie mango’s voor Sjef, want die vindt hij altijd zo heerlijk als hij hier is. Ik vraag haar hoe ik die mee zal kunnen nemen. Ze zegt me dat Sjef ze vorige keer goed had ingepakt en in zijn koffer heelhuids mee kunnen nemen naar huis. Dan moet ik dat toch ook kunnen denk ik dan. Ook voor mij heeft ze lappen stof van de beide scholen.

Het eten is klaar en dus gaan we aan tafel. De kip smaakt wel, maar is taaaaaai, ik lever er een heel gevecht mee vooraleer hij loslaat van het bot. Pascaline schuift even later aan en neemt ook een stukje kip, waarna ze constateert dat hij toch wel erg oud moet zijn geweest. Ik kan het alleen maar beamen. Na het eten brengt Pascaline ons terug naar het hotel. Morgen de laatste dag van onze vakantie zal ze ons ’s morgens weer op komen halen voor een laatste dag in Ouaga.

 

 

 

Staking op het vliegveld in Ouaga, oh help wat nu……..

 

 

Vrijdag 12 juli

De tassen staan ingepakt klaar voor vertrek vanavond. Aan het ontbijt vliegen de muggen irritant om ons heen. De ventilator die op ons verzoek wordt aangezet brengt enige verlichting. Voor de temperatuur zou die nu niet aan hoeven te staan, want die is eigenlijk wel aangenaam. Even later komt de serveerster met iets brandends wat op een flesje hangt. Wat het precies is weten we niet, maar het heeft qua geur het meeste weg van wierook. Ze plaatst het onder onze tafel. Het blijkt een wondermiddel te zijn. Alle muggen zijn in één klap verdwenen. Nu kunnen we eindelijk genieten van ons ontbijt, in plaats van ons zorgen te maken over deze irritant prikkende beestjes. Even later komt een naar we later horen Filippijnse dame voor haar ontbijt. Ze spreekt geen / nauwelijks Frans en gebruikt naast Engelse woorden haar handen om duidelijk te maken was ze wil. De muggen zitten binnen de kortste keren rond haar tafel. We hebben met haar te doen nu we zelf muggenvrij zijn gemaakt. We vertellen jaar van de oplossing onder onze tafel en dat ze gerust bij ons mag komen zitten. Ze wijst het vriendelijk af, want ze zegt niet tegen de geur te kunnen. Ze gaat wel wat meer onder de ventilator zitten. We blijven toch een beetje aan de praat. Haar aantrekkingskracht op de muggen blijft onverminderd en dus besluit ze toch maar bij ons aan tafel te komen zitten. We hebben een gezellig ontbijt samen met haar. Ze blijkt in Ghana vrijwilligerswerk te doen en is benieuwd of Ouaga/ Burkina vergelijkbaar zou zijn met bijvoorbeeld Accra/ Ghana. Ze is met de bus hier naar toe gekomen en wil met name de markt zien en kijken wat men er zoal verkoopt. Bij de grensovergang Ghana Burkina dacht ze hier een goed wegennet aan te treffen. De weg was namelijk een mooie geasfalteerde weg. Echter toen ze in Ouaga aankwam constateerde ze dat naast de hoofdwegen er weinig goede wegen te vinden zijn. Van de straat hier voor het hotel schrok ze helemaal, zo vertelt ze. Haar vriendin had haar dit hotel aanbevolen als een prima en betaalbaar hotel. Toen ze de straat inkwam en zag dat de straat helemaal opgebroken was had ze wel gedacht, waar kom ik nu in terecht. Gelukkig zo constateerde ze is het hotel verder prima.

We vertellen van onze fantastische reis en dat we vandaag afscheid gaan nemen van onze vrienden hier in Ouaga en vanavond terugvliegen naar huis. Na een iets of wat uitgelopen ontbijt nemen we afscheid van haar en wensen haar nog een fijn verblijf hier in Ouaga en daarna een goede terugreis naar Ghana. Op onze kamer wachten we daarna totdat Pascaline ons komt halen. Ze heeft ons gisteren helemaal terug gebracht naar onze kamer, dus ze weet waar we zitten. Met een boek komen we de tijd goed door.

Een klop op de deur, gevolgd door de bekende vrolijke stem van Pascaline. Gisteren was ze erg slap geweest vanwege de griep, en vandaag gaat het alweer wat beter. We pakken de noodzakelijkste spullen mee en lopen langs de receptie. Ik heb daar vanochtend geregeld dat we onze spullen op de kamer kunnen laten staan en dat we de kamer aanhouden tot vanavond, zodat we voor ons vertrek nog even kunnen douchen. Voor de zekerheid heb ik toen ook nog wat Euro’s gewisseld in cfa’s. De man van de receptie spreekt in het voorbij gaan Pascaline aan. Hij vertelt haar dat Pascal gebeld heeft om te melden dat onze vlucht vanavond geannuleerd is. De reden ontgaat me even, dat woord zat niet in mijn woordenschat, een ‘grève’, naar ik later verneem een staking van het veiligheidspersoneel op de luchthaven. De eerst volgende vlucht gaat pas op maandagavond krijg ik ook nog mee. Mijn eerste gedachte is ‘shit, wat nu?’ Tijdens de rit naar Juliette gaat er van alles door mijn hoofd. Hoe nu verder? Het hotel bijboeken zal waarschijnlijk geen probleem vormen, het lijkt verre van volgeboekt. Hoe kunnen we voorkomen dat we al de komende dagen gaan leunen op Juliette en Pascaline, we moeten het thuisfront informeren en zo nog meer. Terwijl we rijden barst een onweersbui los en Pascaline stopt bij een internetcafé. Aanvankelijk wachten even in de auto, maar aangezien het buiten niet lijkt te gaan veranderen besluiten we er toch maar doorheen te gaan lopen. Daar binnen gekomen worden meteen de eerste twee computers voor ons vrij gemaakt. We besluiten ieder 30 minuten te nemen, niet wetende of dat genoeg is. Pascaline laat een paklijst uitdraaien van spullen die vanuit Nederland de komende maanden naar Ouaga zullen komen en ik probeer uit te vinden hoe het nu verder moet met onze terugvlucht. Na ongeveer twintig minuten met name wachten op allerlei verbindingen en een onhandig raar toetsenbord, zodat je verkeerde zaken intypt en dat dus weer foutmeldingen geeft, zitten we eindelijk op de juiste website. Pascaline vraagt voor de zekerheid maar extra minuten voor ons aan, zodat we de gevonden verbinding niet weer kwijt raken als de tijd om is. Er is geen enkel bericht te vinden over de annulering op de site van Brussels Airlines. Ten einde raad zoeken we via Google naar een telefoonnummer van het vliegveld, want de site van Brussels Airlines geeft alleen een e-mailadres als contactadres. Dat blijkt gelukkig sneller te vinden te zijn. Zodoende kunnen we na 40 minuten ploeteren en zuchten de luchthaven bellen. Ze bevestigen de annulering en vertellen dat we vanavond op het vliegveld de tickets kunnen omzetten naar maandagavond. Het is niet anders en we gaan ons hier best nog wel een paar dagen bezig houden.

Pascaline heeft nog wat zaken af te handelen op Sainte Elisabeth en het is voor ons een mooie gelegenheid te zien hoe het er na anderhalf jaar na opening bij ligt. We hebben gisteren al de speciaal voor de school-uniformen ontworpen stof gezien. Door de regenbui, het is inmiddels wel weer droog geworden, staan de straten in de wijk van de school nog overal vol met water. Voorzichtig manoeuvrerend tussen plassen en bulten in de weg door, rijden we naar de school. Kinderen zijn hier in Burkina net als in Nederland, ze spelen heerlijk in de plassen. Een meisje staat ons wat aan te staren als we passeren. Ze zal hier niet zo vaak ‘nassara’ zien. Helaas voor haar staat ze vlak bij een behoorlijk diepe plas. Het water schiet omhoog in haar richting. Ik hoop dat ze er niet al te vuil van geworden is.

Bij Sainte Elisabeth aangekomen toetert Pascaline even en een dame komt even later vanuit de administratie op een holletje aanlopen om de poort voor ons te openen. De door ons in 2011 geplante mangobomen staan er prima bij. Op het terrein zelf lijkt niet veel verandert te zijn. Het gebouw dat in 2011 nog in aanbouw was is al in gebruik genomen. Daarachter wordt door een aantal mannen gewerkt aan een volgend gebouw. Hopelijk is dat voor het nieuwe schooljaar in september af, om de derde jaars er in onder te kunnen brengen. Daarna zijn er nog plannen voor een laatste gebouw, namelijk dat voor de vierde jaars.

In het administratiegebouw krijgen we de huidige schooluniformen te zien. Ik verbaas me er over dat er ook een uniform is voor jongens. Het is toch een meisjesschool? Dat was wel de oorspronkelijk opzet zegt ze, maar er zijn verzoeken van jongens binnen gekomen om ook het vak van kleermaker hier te mogen leren. Daarop is positief gereageerd.

Kleding die tijdens de lessen wordt gemaakt wordt eens per jaar tijdens een cultureel feest (kermis) verkocht voor 1000 cfa (anderhalve Euro). Ik kijk erg verbaasd. Dat blijkt ook de waarde op straat te zijn, van de goedkope ingevoerde Chinese kleding te zijn. Alle kledingprijzen staan hierdoor erg onder druk.

Rond twaalf uur arriveren we bij Juliette. De couscous, saus en kip staan al op ons te wachten en dus scheppen we meteen onze borden vol. We vertellen haar dat we vanavond niet zullen kunnen vertrekken en ze biedt haar telefoon aan om naar huis te kunnen bellen. Wij moderne rijke westerlingen hebben niet eens een goed werkende telefoon, een beetje om ons over te schamen, denk ik nog. Als ik wil betalen voor dit gesprek wordt dit door Juliette resoluut van de hand gewezen. Volgende keer misschien toch maar een Burkinees nummer aanvragen als we aankomen. Dat voorkomt alle ellende waar wij nu in verzeild geraakt zijn met onze telefoons. Met mijn telefoon is alleen te sms-en, totdat het beltegoed op is. Bellen om op te waarderen is voor mij niet mogelijk, dus beltegoed op, betekent ook nu voor mij einde telefoonverhaal.

Juliette heeft zich vertilt en heel erg veel last van haar rug, ze gaat er even bij liggen. Ze is al snel in slaap gesukkeld. Reine, haar dochter wil wel graag onze foto’s zien van onder andere de Cascades. Ze heeft ze wel eens op tv gezien, maar dit vindt ze echter. Ze is erg geïnteresseerd in de foto’s, maar snapt niet waarom we salamanders, gekko’s, spinnen en duizendpoten gefotografeerd hebben, Ze gruwt ervan, terwijl ze ze hier in huis en op het erf toch ook regelmatig zal tegenkomen. Ja, bevestigt ze, maar ook dan moet ze er niets van hebben. Ze geniet erg van alle plaatsjes die voorbij komen. Dat we op een krokodil gezeten hebben en zelfs zijn staart hebben opgetild is ook een van de foto’s die haar achteruit doen deinzen. Tegen drie uur is Juliette weer wakker en het is tijd om naar Pascaline te gaan. Lopen gaat haar niet goed af met haar rug en daarom stuurt ze Reine mee. We hebben het nog even over haar eindexamen, waarvan de uitslag morgen komt. Ze weet nog niet wat ze wil gaan doen zegt ze. Ook is het financiële plaatje voor het volgende schooljaar op dit moment nog niet echt duidelijk. De oudste zoon George loopt een onbetaalde stage en maakt lange dagen. De middelste, Aubin heeft een studiebeurs voor de Verenigde Staten gekregen en wat daar allemaal nog voor kosten bijkomen is op dit moment ook nog niet allemaal duidelijk. Dat het veel geld zal gaan kosten is iets wat hen al wel duidelijk is. Dus of er geld zal overblijven om haar aan een nieuwe studie te laten beginnen weet ze nog niet.

Pascaline heeft ook een rustmomentje gehad en komt uit haar kamer te voorschijn als we arriveren. De huishoudelijke hulp wordt onmiddellijk gevraagd voor water te zorgen. We hebben deze keer onze sandalen maar buiten uit gedaan, naar Burkinees gebruik. Ze zitten dankzij de regenbui onder de modder. Pascal met wie Pascaline vanmorgen nog contact gehad heeft belt op om ons op te komen halen. Reine zal hem vanaf een bepaald punt in de wijk de weg wijzen, want in deze wirwar van straatjes zou hij mogelijk anders de weg niet weten te vinden.

Met Pascal melden we ons op het vliegveld. Het is er akelig stil. De sjouwers zitten werkeloos in de schaduw te wachten tot ze weer aan de slag kunnen. Als we het loket van Brussels Airlines gevonden hebben is het omwisselen van de tickets snel geregeld. We krijgen nieuwe tickets voor maandagavond. Nu maar hopen dat de staking dan over is. We worden teruggebracht naar het hotel, waarna we nog even naar buiten gaan voor een ommetje. We weten inmiddels hoe we van hier uit op Place de Nations Unies moeten komen om eventueel Oumar daar op te gaan zoeken. Als we het hotel verlaten loopt daar ook de Filippijnse (Evi). We lopen wat samen op waarbij ze aangeeft in onbekende omgeving altijd voor zekerheid te kiezen en dus niet hier of daar een zijweg in te slaan. Ze is als de dood de weg kwijt te raken. Wij vertellen dat we voorlopig alleen maar rechtuit gaan, om te kijken hoever een bepaald kruispunt is en zij loopt gezellig met ons mee. Op een bepaald moment draait ze om. Wij lopen nog wat verder totdat we het kruispunt vinden. Doorlopen naar Place de Nations Unies zit er niet meer in. Het blijkt toch te ver voor deze avond en dus keren we bij invallende duisternis terug naar het hotel. Onderweg kopen we voor twee maal 1000 cfa twee T-shirts. We dingen niet verder af, omdat de verkoper ons gewoon als klanten behandelt en ons niet ziet als rijke blanken, die je een hogere prijs kunt vragen. Ook kopen we onderweg in een supermarkt nog wat flessen water.

Terug in het hotel bestellen we de dagschotel, zonder op het bord te kijken, want die is nog geen enkele keer veranderd en prima bevalt. Mee dat de ober weg is zie ik tot mijn grote verbazing dat het menu vanmiddag veranderd is. Geen zeboe dus vanavond, maar gewoon weer kip, dit keer met gebakken aardappels. De salade vooraf en de mango toe zijn wel onveranderd. Het smaakt ook prima. We zijn bij terugkomst bij de Filippijnse aan tafel aangeschoven. Als ze ons de mango’s ziet eten lijkt haar dat ook wel lekker. We helpen haar  met het bestellen er van. Maar helaas voor haar, de mango’s zijn op in de keuken. Ik bied aan een van onze mango’s te halen. Nu we hier nog drie dagen zullen verblijven vrees ik dat de mango’s overrijp in Nederland zullen gaan aankomen. Met Pascaline heb ik het er al over gehad en zij zal zorgen voor nieuwe om maandag mee te nemen voor Sjef. Deze moeten we maar opeten, heeft ze gezegd. Ik vraag de ober of de kok onze mango voor haar zou willen klaarmaken. Hij gaat het meteen vragen en komt even later terug. Geen probleem meldt hij. Sjef moest eens weten dat wij nu hier van zijn mango zitten te smullen. We vertellen het verhaal aan de Filippijnse en ook zij moet er om lachen. Na het eten hebben we nog een scala aan onderwerpen besproken. De dame blijkt van vele markten thuis. Ervaringen worden over en weer uitgewisseld en ook de verschillen tussen de culturen en landen blijven niet onbesproken. Morgen gaat ze weer terug met de bus naar Ghana. Aan het einde van de avond wensen we haar ‘bon soir’, wat ze meteen herhaalt en vraagt naar de betekenis. Ze wil heel graag Frans gaan leren en in deze paar dagen in Ouaga heeft ze al een aantal woordjes opgestoken. Echter een gesprek in het Frans aan gaan met mensen hier heeft ze toch wel gemist. Vandaar haar vast voornemen deze taal ook maar te gaan leren.

 

 

 

 

 

Een groene oase in een stoffige wereldstad

 

 

Zaterdag 13 juli

Na het ontbijt maar eerst even wat kleding wassen. We hebben tenslotte gedacht vandaag thuis aan te komen. Daarna vragen we de receptie om hulp bij het regelen van een taxi naar Urbain Parc Bangr Weoogo. De man loopt met ons mee naar de overkant van de straat, hoe makkelijk kan het zijn waar een aantal gebutste groene taxi’s op klanten staan te wachten. De chauffeur van de eerste taxi komt snel aangelopen als hij ons met de man van het hotel aan ziet komen lopen. De man van het hotel legt uit waarheen we willen. Ik vraag daarna aan de taxichauffeur wat de rit kost voor twee personen. Hij zegt 2500 cfa. Dat lijkt me erg veel en de man geeft als tegen antwoord dat het erg ver weg is. Ik heb de kaart van te voren bekeken en weet dat de afstand wel mee valt. Ik zeg dat hij ons voor 2000 cfa mag wegbrengen, een nog steeds te hoge prijs denk ik, maar heb ook geen zin in eindeloze discussies. En de afstand lopen met deze temperatuur, terwijl we ook nog graag van alles in het park willen genieten lijkt me ook niet verstandig. De man glimlacht en gebaart ons in te stappen in zijn wagen. Eigenlijk mag het die naam niet hebben. De wagen rijdt, we komen zonder problemen op de plaats van bestemming, maar daarmee is ook al het goede wel gezegd. De buitenkant is zoals alle taxi’s hier bekrast en gebutst. In de ruiten zitten scheuren en sterren. De bekleding van de stoelen en zelfs het dashboard zit vol met gaten. Bij het dashboard heeft hij er maar een poster overheen geplakt. De achterklep kan niet goed meer dicht en dus kun je er onderdoor gewoon de straat zien. De binnenbekleding van het dak is gescheurd en deels afwezig. Maar, wat doet het er toe als de daar komt waar je naar toe wilt, tegen  een prijs waar ze in Nederland nog niet eens voor je stoppen. Deze chauffeur is in ieder geval meer dan tevreden met de ritprijs. Hij zet ons af bij een ingang, naar wat even later blijkt het speelgedeelte voor de kinderen. Een beetje vergane glorie. Op zich leuk aangekleed met grote olifanten, giraffes, zebra’s en andere dieren. Hier en daar verspreid staan kermisachtige attracties en zit personeel in de schaduw wat verveeld op klanten te wachten. Alleen bij de waterfietsen zijn twee kinderen. Voor de rest loopt er nog slechts een enkeling rond. Er is zeker meer personeel en bewaking aanwezig dan kinderen. We kunnen de ingang van het bos niet vinden en dus lopen we naar een van de jonge vrouwen, die lui op een bank wat naar muziek luistert. Als we ze aanspreken komt ze omhoog en wijst ons de weg. Rechtsom het park uit en dan de eerste ingang weer aan de rechterkant. Het blijkt niet ver te zijn. We kopen er een entreekaartje à 100 cfa per persoon. Als we foto’s willen maken kost dat 1000 cfa. Volgens mij verkoopt ze die kaartjes niet zo vaak, want ze moet diep in de la zoeken naar het bonnenboekje. Ik moet ook eerlijk zeggen, ik heb de rest van de dag ook geen enkele andere camera gezien in het park. Mensen komen er alleen om wat te recreëren, te wandelen of te joggen. We ontdekken boven ons hoofd al snel een hele zwerm grote vleermuizen ofwel vleerhonden. Luid schreeuwend vliegen ze in en uit de boom boven ons. Wij hopen maar dat ze veel muggen zullen vangen. De hele dag hebben we er in ieder geval geen gezien, en ook met andere insecten valt het mee.

Het af en aan vliegen van de vleermuizen is een geweldig schouwspel. Ze op de foto vastleggen met hun grote vleugels is echter een lastiger verhaal. Gedurende de hele dag komen we ze telkens weer in andere delen van het park tegen. Blijkbaar verplaatsen ze zich regelmatig naar andere bomen. Al waar ze neerstrijken ziet het er letterlijk zwart van in de bomen. Helaas is er op zo’n moment eigenlijk geen andere vogel meer te bekennen in de buurt. Waarschijnlijk worden deze door het gekrijs afgeschrikt. Op veel plaatsen komen we miljoenpoten en duizendpoten tegen. Een prachtig gezicht hoe zij pootje na pootje optillen en verplaatsen. Ook zien we uit het water een prachtige sprinkhaan klauteren en lekker gaan zonnen op een blad. Tegen een uur of twaalf gaan we op zoek naar een restaurant, waar we iets kunnen eten en drinken. Bij een vorig bezoek had dit bij de ingang gezeten, maar niets lijkt meer te zijn net als toen. Ook het dierentuingedeelte hebben we vandaag nog niet gevonden. Omdat we zelf niets gevonden krijgen en richtingborden ontbreken in het park besluiten we het maar bij de ingang te gaan vragen. Er blijkt aan de overkant van de doorgaande weg, buiten het park een restaurant te zitten. De man loopt mee naar de rand van de weg en wijst in de verte een gebouw aan. We lopen er heen, naar waar we denken dat de man ons gewezen heeft. Mis, het gebouw blijkt een busremise te zijn, afgesloten door een hek met een groot hangslot. Hij zal toch niet dat kleine kioskje bedoeld hebben, waar ze limonade e.d. verkopen? We zien wel hier en daar stoelen onder de verspreid staande bomen staan. Dan zien we wat vrouwen in een overdekte maar verder open ruimte bezig iets te koken boven een vuurtje. Dit lijkt ons niet echt hetgeen we zoeken en lopen verder. Dan terwijl we verzinnen wat we nu gaan doen vraagt iemand aan ons of we iets willen eten of drinken. Een cola kan geen kwaad, dus bestellen we bij hem twee cola. Hij wijst ons naar stoelen onder een boom. Hij loopt weg en we nemen plaats op twee gestoffeerde stoelen, in de schaduw en er is zelfs een heerlijk verkoelend briesje. Na enkele minuten komt hij terug met een soort flessenrek, met daarin twee flessen cola, 2 glazen met ijsblokjes en een heuse rekening. Het ijs, wat er mee te doen? We besluiten het er maar op te wagen en hopen dat ze van veilig water gemaakt zijn. Op veel plaatsen wordt hier in Ouaga ijsblokjes verkocht. We hopen er maar het beste van, want de cola zelf is niet overdreven koud. We genieten er van. Heerlijk koel op deze warme zweterige dag. Het eten laten we maar even achterwege en met een halve liter cola kunnen we er in ieder geval weer even tegen. Op een braakliggend stukje grond, tussen het afval van de stad wordt ijverig door een man en vrouw iets ingezaaid.

We keren terug naar het park en vertellen de man aan de entree, dat hij een prima advies gegeven heeft. De man is blij met ons compliment.

We vermijden nu een beetje de plaatsen waar de vleermuizen aanwezig zijn en we zien meteen andere vogels. De roodsnaveltok, een vrij algemeen voorkomende vogel hier en een grote blauwe vogel met een lange staart. Ook diverse andere vogels en vogeltjes ontdekken we tussen de struiken en op open delen tussen de bomen. Diverse vlinders laten zich zien. Als we rond drie uur besluiten het park te gaan verlaten zien we op diverse plaatsen kleine (jonge?) krokodillen het pad oversteken en zich verstoppen in het struikgewas. Mogelijk dat dit nazaten zijn van de krokodillen die in 2009 zijn ontsnapt na een gigantische de hele dag durende hoosbui, die vele delen van Ouaga onder water zette en waarbij in dit park vele dieren, waaronder krokodillen, zijn ontsnapt.

Het is een leuke en relaxte dag geweest. We zijn nu van plan Oumar te gaan bezoeken, een kunstenaar, die ik al sinds 2006 ken. Bij ons laatste bezoek in 2011 heeft hij ons laten zien hoe het werk van het ontwerp in was tot en met eindproduct van het brons gieten volgens de verloren wasmethode in zijn werk gaat. Hij was toen bovendien bezig om jonge mannen op te leiden in dit vak. Zijn diverse werkplaatsjes zaten over delen van de stad verspreid. s’ Avonds zijn we nog even bij hem thuis geweest en hebben we kennis gemaakt met zijn vrouw en kinderen. We krijgen bij hem altijd alles voor en vriendenprijs. Bij hem is je krijgt van me een vriendenprijs ook werkelijk een vriendenprijs. Afdingen hoef je bij hem dan ook niet meer te doen. We lopen langs de weg op zoek naar een taxi, als een taxichauffeur die ons ziet lopen naar ons zwaait. We komen een prijs overeen van twee maal 500 cfa. Lijkt me redelijk en zeker gezien de kosten voor de heenrit, die nagenoeg van gelijke afstand was. We laten ons vlakbij Place de Nations Unies afzetten. Oumar heeft hier al jaren lang zijn winkeltje. Aanvankelijk iets meer achteraf, tegen het stadsriool aan, maar na een aantal inbraken, waarbij ze met name zijn bronswerk hadden gestolen had hij de laatste keer een winkeltje tegenover de chique bronswinkels in een ander straat. Ik maak terwijl we de wereldbol op dit plein passeren nog gauw even wat foto’s ervan. Terwijl ik daarmee bezig ben roept iemand dat hij ook foto’s maakt en we dus collega’s zijn. Ik vind dat wel een originele manier van aandacht trekken en draai me om. Hij laat ons postkaarten zien. Dit kunnen we dan naar huis sturen zegt hij. Slim hoor, behalve als je eigenlijk op het punt staat naar huis te gaan. De man begrijpt de hint. Dan geef ik aan dat we op zoek zijn naar een vriend. Hij vraagt naar wie dat dan is. Ik vertel hem dat hij Oumar heet. Zijn achternaam weet ik even zo snel niet, maar dat blijkt geen enkel probleem. Er verschijnt een fonkeling in zijn ogen en dan vraagt hij me of we hier twee jaar geleden ook zijn geweest. Wat een geheugen heeft die man, want inderdaad anderhalf jaar geleden waren we ook bij Oumar op bezoek. Een van de andere verkopers die rondom ons heen is komen staan biedt aan ons naar hem toe te brengen, want hij weet waar hij is. Hij blijkt inmiddels weer een nieuwe plek te hebben, dichterbij de eerste plek. Het is een klein stalletje en Oumar is op dat moment er niet aanwezig, maar zijn naam staat wel op het stalletje waar we ingeloodst worden. We mogen alvast wel rondkijken zegt hij, terwijl hij zal zorgen dat Oumar geroepen wordt. Als ons iets bevalt zullen we een goede prijs krijgen zo belooft hij. Ik vertel hem dat ik al diverse beelden heb van Oumar, maar dat de beelden die nu in de winkel staan helaas geen gezichten hebben. Ook vertel ik hem dat ik mogelijk op zoek ben naar muziekanten in die stijl. Hij vertelt dat er in verband met de vele inbraken nu weinig in de winkel staat, maar dat er in het magazijn mogelijk nog wel de gewenste beeldjes zullen zijn. Hij gaat ze wel even voor me halen zegt hij.

Het is vreselijk warm binnen in dit kleine metalen containertje, want zo valt dit winkeltje het beste te omschrijven. Ik pak een kledingstuk om het zogenaamd buiten even beter in het daglicht te kunnen bekijken, want hier binnen kan ik het niet veel langer volhouden. Dan zie ik in eens aan de overkant van de straat Oumar aan komen lopen. Hij was gewaarschuwd, dat er blanken voor hem waren en hij had in eerste instantie niet aan ons gedacht. Toen hij ons zag staan voor zijn winkeltje was er dan ook in eerste instantie een blik van verbazing, maar kort daarna een blik van herkenning en een grote lach. Hij was blij ons te zien en nodigde ons uit voor zijn winkeltje plaats te nemen op wat stoelen. De man die ons de weg heeft gewezen weet inmiddels waar ik ‘naar op zoek ben’ en komt even later terug met een aantal beelden van muzikanten. We praten wat met Oumar en ondertussen proberen een aantal verkopers onze aandacht te trekken, totdat Oumar het helemaal beu is. We verstaan het niet wat hij zegt in het Mossi, maar zijn lichaamstaal vertelt ons meer dan genoeg. Een aantal jongens druipt af, zo niet onze ‘gids’ met een kameraad, die muziek verkoopt. Deze laatste houdt nu echter wel zijn mond. Ik snap door de uitval van Oumar, dat deze knul niet bij zijn winkeltje hoort, maar zo wel onder zijn duiven probeert te schieten en negeer hem in eerste instantie. Oumar bevestigt dat er sinds de inbraken van afgelopen jaren waarbij met name de bronzen beelden meegenomen zijn nu minder beelden in de winkel uitgestald staan. Bovendien staan ze meer uit het zicht. Als hier niets naar mijn zin bij staat, heeft hij op de grond nog een aantal niet afgewerkte, net gegoten exemplaren liggen. Ik haal er een aantal uit die ik mooi vind. Uiteindelijk kiezen we er twee uit. Hij zal ze vandaag of morgen af maken en voorzien van de ‘groene’ kleding, zoals de meeste van mijn andere beelden die ook hebben. Daarnaast kies ik ook nog een wikkelrok met hesje uit zijn winkel. Als ik zeg dat ik deze meeneem, zegt hij, maar we hebben het nog niet over de prijs gehad. Ik lach er om en vertel hem, dat ik me daar bij hem geen zorgen over maak, omdat hij ons altijd een echte vriendenprijs geeft. En vriendenprijzen werden het, 4500 voor de kleding en 6500 voor elk van de beeldjes. Vorige keren heb ik voor de beeldjes 8000 en 10.000 betaald, dus betaal ik het hem met veel plezier. Dat is wat je noemt nu een echte vriendenprijs.

Als ik weer buiten plaats neem voor de winkel probeert onze ‘gids’ opnieuw mijn aandacht te trekken. Ik vertel hem dat ik hier in eerste instantie ben om mijn vriend te bezoeken en dat ik later wel een kijkje zal nemen in zijn winkeltje, maar nu graag even niet lastig gevallen wil worden. Dan houdt hij eindelijk zijn mond.

Op een bepaald moment besluit ik dan toch maar even naar zijn beelden te kijken. Net allemaal wat anders van stijl dan die van Oumar, maar ook zeker leuk om te zien. Ik leer bovendien wat over een traditionele gebogen fluit, die als een soort panfluit bespeelt wordt en over de hoed die ik altijd aan de Peuhl had toegeschreven, dat die eigenlijk gewoon een Mossi hoed is. Als ik hem zeg het mooi te vinden, maar er niets van wil kopen, blijft hij aandringen. Op een bepaald moment vraagt Oumar me of alles goed gaat. Ik vertel hem dat het prima is. Een tijdje later komt de man terug op het feit dat ik toegezegd heb zijn winkel te komen bekijken. Ik zeg dat ik met hem meega, maar dat ik niet zal gaan kopen. Oumar vraagt wederom of alles goed is, wat ik beaam. Het is weliswaar een vervelend ventje, maar die kan ik wel aan. In zijn winkeltje aan de overkant van de straat hangen vele soorten souvenirs. Van sieraden, tafelkleden, batiklappen en van afval gemaakt ijzeren autootjes tot maskers en beeldjes toe. Een tweede jonge man komt er ook bij staan. Ik vraag naar allerhande zaken, soms alleen maar om het gesprek gaande te houden, omdat ik het antwoord eigenlijk al wel weet, en zodoende langzamerhand de winkel door te kunnen lopen. Ik zie ook informatieborden, zoals men die vaak op scholen hier gebruikt om onderwerpen duidelijk te maken. Bij gebrek aan goede leerboeken gebruikt men dan deze plaatjes om het aan de kinderen te kunnen laten zien. In een van de gevallen gaat het over allerhande specialisten, die men in een ziekenhuis kan aantreffen. Ik deel nog maar even een compliment uit voor de leuke winkel en sta zo zonder problemen weer buiten. Maar dan nemen ze me ook nog mee naar de winkel er naast. Ik moet om de slinkse handelswijze eigenlijk wel wat lachen en besluit er nog eentje mee te bekijken. Er hangen verschrikkelijk veel kettingen in deze winkel en één bepaalde soort trekt al meteen mijn aandacht. Een ketting met maskertje er aan. Hij vertelt dat het maskertje gemaakt is van een duur soort hout, dat tweekleurig is. Daarom zijn sommige maskers geheel zwart en ander maskers, speciaal om het aan te tonen in twee kleuren. Ik besluit een maskertje uit te kiezen, maar wil absoluut bij deze kwal het onderste uit de kan zien te halen. Hij krijgt niets cadeau van me. Hij zegt me omdat ik een vriend van Oumar ben, die zijn vriend is dat hij me geen toeristenprijs zal vragen maar een vriendenprijs. Ik denk dat ik de prijs niet goed versta en hij typt hem in op zijn telefoon, 22.000 cfa (35 Euro). Volgens mij ziet hij aan mijn reactie dat ik er echt van schrik, en dat het niet gespeeld is. Meteen daarop zegt hij dat dit de toeristenprijs is, ja…ja…. Mijn Frans is niet echt geweldig, maar een minuut geleden verstond ik toch echt wat anders, vrienden hè…….! Ze vragen me een bod te doen. Ik twijfel eerst sterk of ik dat wel moet doen, maar besluit een zeer laag bod te doen en dat daarna ook niet meer te verhogen. Na mijn bod komt natuurlijk de poppenkast weer op gang. De andere verkoper vertrekt. De man blijft erg opdringerig en kleverig. Mijn bod moet wat omhoog zegt hij. Ik vertel hem dat ik soms voor 1000 of 1500 cfa kettingen kan kopen. Nu met dit masker erbij, ietsje meer dus en dat 2000 dus mijn uiterste bod is. Hij blijft nog wat mopperen en een beroep doen op het feit dat vele jongens van de coöperatie hier wel van moeten leven en dat ze blij zijn als ik ze een beetje help door wat te kopen. Ik laat me niet ompraten en probeer langzamerhand naar buiten te lopen. Dan stopt hij het ineens in mijn hand. Ik weet niet goed wat ik van deze actie moet denken en besluit de onschuld te spelen. Ik doe als hij het me geeft, en zeg hem dat hij er zo helemaal niets mee opschiet. Hij mompelt bijna onverstaanbaar, dat ik hem niet goed snap en dat hij akkoord gaat met mijn bod. Hij brengt me daarna netjes terug naar Oumar en is daarna snel verdwenen. Oumar informeert weer of alles goed is en ik vertel hem de gang van zaken. Ik heb een goede prijs gemaakt zegt hij. Hij vertelt hoe sommige met name jonge collega’s het helemaal niet snappen. Deze jongen heeft geen eigen winkel maar werkt op provisie basis. Hij vroeg eerder ook al Oumar om geld, omdat hij ons hier naar toe had gebracht. Oumar had dat, zo vertelt hij dat in eerste instantie afgewezen, hoewel hij wel van plan was geweest hem later nog iets te geven. Toen ik met hem mee ging naar ‘zijn’ winkel, heeft hij ook zelf de kans gehad iets aan mij te verkopen en besloot Oumar hem toch niets meer toe te stoppen.

Hij is ondertussen al aan het vijlwerk van onze beeldjes begonnen. Er is na het gieten altijd nog veel werk aan te doen, voordat ze er helemaal mooi bij staan. Ondertussen heeft hij bij Heico geïnformeerd naar de ‘beloofde’ mobieltjes. Heico snapte dat niet helemaal en vroeg me toen ik terug kwam om het nog eens na te vragen. Ik kan me inderdaad herinneren dat we het bij ons vorige bezoek hierover gehad hebben en dat we toen vertelden dat we inderdaad wel aan ‘oude’ mobieltjes voor hem zouden kunnen komen. Ik leg hem tevens uit dat we niet verwacht hadden hier nog te zijn, dus ook niet gedacht hadden tijd te hebben om hem op te zoeken. Door de staking op het vliegveld kregen we in eens tijd om onder andere hem op te gaan zoeken. Daarom hebben we niets voor hem mee gebracht, maar de belofte staat nog open, zo vertel ik hem. Tevens vraagt hij of we iets kunnen betekenen om voor hem een laptop te regelen. Hij wil het niet aan Sjef vragen, want die doet al zoveel voor hem. Hij laat slagletters en cijfers zien, die ook uit Nederland komen en waar hij erg blij mee is. Hij heeft Sjef nu gevraagd om nog een aanvulling. Ik leg hem uit dat laptop, die nog geschikt zijn voor verzending niet voor het oprapen liggen in onze omgeving. Hij begrijpt dat, maar het zou erg welkom zijn om er in zijn winkeltje op te kunnen werken. Thuis heeft hij wel een gewone computer staan, maar die is natuurlijk niet dagelijks mee te nemen.

We nemen afscheid bij Oumar en hij regelt een taxi voor ons. Hij zegt dat 200 of 300 cfa een prima prijs is om naar het hotel gebracht te worden. Dat we 500 cfa betaalt hebben vanaf het park vindt hij veelt e hoog. Hij praat wat met de bestuurder, die al twee stevige dames in de wagen heeft zitten. Er wordt flink gelachen. Oumar vertelt dat hij twee maal 300 cfa heeft afgesproken. Zodra we rijden mompelt de chauffeur twee maal 500 cfa. Ik herhaal twee maal 300 cfa. Hij brengt ons als eerste weg. Ik geef 1000 cfa en herhaal nogmaals twee maal 300 cfa. Hij grabbelt wat en geeft me dan 200 cfa terug en kijkt lachend om en zegt dan zoiets van ‘middelen van de prijs?’. Ik begin te lachen en schud zijn hand. Ik zie de lol er wel van in en ook de dames lachen mee.

’s Avonds na het eten zoeken we Emmanuel op straat op. Hij heeft ons vanochtend toen we de taxi instapten aangesproken en gevraagd wanneer we weer terug zouden zijn. Ons vorig contact was aangenaam geweest. We hadden toen geen geld gehad, omdat de automaat onze kaart niet accepteerde en spontaan kregen we toen van hem allebei een armbandje cadeau.  Hij zet voor ons een bankje klaar om op te gaan zitten. Wat andere jonge mannen komen om ons heen staan. Als ik ze even opneem vertelt hij dat dit kameraden zijn uit zijn woonwijk. Hij laat ons zien hoe je de armbandjes maakt en laat het me dan ook proberen. Als ik een stukje gevlochten heb, maakt hij een soort schuifsluiting. Een prima resultaat, al zeg ik het zelf. Ook Emmanuel is tevreden. Zo terwijl hij ons bezighoudt heeft hij er mij toch mooi weer eentje laten maken, die hij straks kan gaan verkopen denk ik nog. Maar dan tot mijn verbazing haalt hij de helft die ik gevlochten heb weer uit, want dan kan ik nog een keertje oefenen, zegt hij. Vlijtig begin ik opnieuw aan de klus. Gelukkig doet hij weer de laatste afwerkingen. Dan komt natuurlijk, waar het allemaal om begonnen is, de verkoop. Hij wil me er wel tien verkopen voor 19.000 cfa. De onderhandelingen kunnen beginnen. Ik wil er wel vijf afnemen voor 5000 cfa. Er wordt gerekend, althans hij doet alsof, want de kralen zijn erg duur zegt hij. Hij zakt naar 8000 cfa en ik ga naar 6000. Als hij 7000 zegt gaan we beiden akkoord. We hebben tenslotte met de twee ‘gratis’ armbandjes er bij een prima prijs 1000 cfa per stuk. Hij probeert nog even of ik er niet toch 10 voor 12.000 wil nemen, maar nee, wat moet ik er met zoveel. We zijn beiden tevreden, en zo hoort het eigenlijk ook.

 

 

 

Slapend rijk worden

 

 

Zondag 14 juli

’s Ochtends aan het ontbijt  worden we aangesproken door een man, die vraagt of wij Els en Heico zijn. Hij stelt zich daarop voor als de man van Marianne. Hij schuift bij ons aan en Marianne komt even later ook erbij. We zijn een beetje verbaasd hen te zien, want van Pascal hadden we begrepen dat de groep pas maandagmiddag aan zou komen. Het wordt allemaal al snel duidelijk. De groep komt inderdaad morgen en zij wilden daarvoor nog wat zaken regelen hier in Burkina. Ze zouden eigenlijk vrijdag al aangekomen zijn, maar toen hoorden ze in Brussel van de staking en dat hun vlucht geannuleerd was. Na een nachtje in Brussel te hebben gebivakkeerd konden ze alsnog hun reis naar Burkina vervolgen. Toen ze van de problemen hier op het vliegveld hoorden en de annulering van de vluchten hebben ze meteen Pascal gebeld om dat te melden.

Terwijl ook hun ontbijt gebracht wordt hebben we onze reiservaringen uitgewisseld en horen we dat zij vandaag nog naar Kaya willen gaan om daar projecten te gaan bezoeken.

Veertien juli, de Nationale feestdag in Frankrijk en dus eigenlijk ook een beetje een feestdag in Burkina Faso, als voormalig Frans kolonie. Op de overdekte markt tegenover het hotel merken we er echter niets van. Wat er wel opvalt is dat vrij veel kooplieden in hun kraampje liggen. Ze denken zo zeker slapend rijk te worden. Anderen spreken je aan en vragen wat je zoekt. We zoeken eigenlijk niets speciaals en vertellen dat ook. Ze vinden het prima. Weer anderen vragen of we Amerikaan of Fransman zijn en op weer andere plaatsen raken we in leuke gesprekken verzeild met kooplui over de meest uiteenlopende onderwerpen. Ook zijn ze graag bereid uitleg te geven over allerhande zaken die te koop zijn op de markt en mogen we van alles proeven. Als we vragen waarvoor elastische rubbers zijn, die we al op meer plaatsen hebben zien liggen wijst men ons de katapulten aan die boven hun hoofden hangen. Het is ons nu meteen duidelijk. We lachen heel wat af. Ook een man waarmee we een lang gesprek hebben en die graag wil weten wat we voor ons drinkwater betalen per maand. We weten het zo geen van beiden uit ons hoofd. Hij neemt ons tenslotte mee naar zijn winkeltje en opent er een la met een sleuteltje. Nu komt de aap uit de mouw. Hij toont ons dollars en Euro’s, hij geeft een eerlijke wisselkoers zegt hij. Hij wil eventueel wel geld wisselen in cfa’s. We gaan hopelijk morgen naar huis, dus vertellen we hem dat we daar geen gebruik van maken. De wisselkoers die hij biedt is overigens wel een goede.

De markt heeft grotere brede lichte gangen die behoorlijk dichtgebouwd zijn door allerhande uistallingen van koopwaar, maar ook donkere smalle gangetjes, waar je soms moeilijk kunt onderscheiden wat er te koop wordt aangeboden. Na eerst de grote gangen doorkruist te hebben wagen we ons dan ook in deze donkerdere gangetjes. Er zit onder andere een kleermaker, die gewoon aan het werk is. Je vraagt je af of hij het nog wel goed kan zien. We kijken ook hier wat rond en maken hier en daar een praatje, een prima tijdverdrijf.

We nemen nog snel wat te drinken mee, want ook al is deze markt grotendeels overkapt,de temperatuur loopt er toch aardig in op.

Via SMS laten we aan Juliette en Pascaline weten wat onze plannen zijn. Helaas wil de sms aan Juliette niet verzonden worden. Later blijkt dat mijn beltegoed op is. Bellen kan ik hier niet en dus even bellen om met mijn opwaardeerkaart het saldo te verhogen zit er dus ook niet meer in. Ik hoop nu maar dat ze vandaag niet op ons rekent voor het eten. Gisteren was het voor haar blijkbaar ook niet helemaal duidelijk dat we niet langs zouden komen.

Rond etenstijd barst een onweersbui los. Als de ergste wind is gaan liggen en er dus ook geen stof meer door de lucht vliegt gaan we in het restaurant eten. Het is heerlijk aan het afkoelen, tegen het frisse aan, en de serveerster heeft het zichtbaar koud. Een andere is er duidelijk beter op voorbereid, want die heeft inmiddels een warme trui aangetrokken. Ze kunnen zich er niets bij voorstellen dat we deze temperatuur aangenaam vinden. Na het eten, het is weer droog geworden, gaan we op zoek naar een taxi. De gemakkelijkste manier zou zijn naar de taxistandplaats lopen aan de overkant bij de markt, waar altijd wel taxi’s staan te wachten op klandizie. Maar gisteren hebben we wel gemerkt, dat omdat je duidelijk uit het hotel komt, je de hoofdprijs voor de rit mag betalen. We lopen daarom alvast in de door ons gewenste richting. Waar normaal altijd taxi’s bumper aan bumper lijken te rijden, is er nu niet één te bekennen. Andere keren als we door de straat liepen, werden we om de haverklap gevraagd of we een taxi wilden. Dan uiteindelijk stopt er toch een. Ik vertel hem waarheen we willen en, wat aarzelend, geeft hij aan ons er wel heen te willen rijden. Na wat aandringen krijg ik een prijs van hem, samen 2000 cfa. We stappen in en hij keert de wagen. Hij blijkt het opgegeven adres niet te kennen en raadpleegt onderweg wat collega’s. Hij stopt onderweg nog een paar keer. Ik meen me te herinneren dat het aan de weg ligt bij de pediatrie. Dat kent hij wel en als we daar aankomen vraagt hij aan de telefoonkaartverkopers verder de weg. Hij komt terug met de vraag of Tele-Vie- Déo de televisie is. Ik denk dat je dat wel zo zou kunnen zien en dus rijdt hij verder. En gelukkig even later zien we inderdaad het gebouw aan onze rechterkant liggen.  Ik laat hem daar stoppen en zeg dat we verder wel te voet zullen gaan. Als ik uitstap vraagt hij om extra geld, omdat hij veel heeft moeten draaien. Daar ga ik niet op in, hij neemt onze rit aan voor een bepaalde prijs en dat hij de weg niet kent en dus af en toe extra kilometers moet maken is zijn risico. Hij knikt heel lichtjes begrijpend en gaat akkoord. De temperatuur is prima om even een lekker stukje te wandelen. Straks bij Juliette kunnen we toch wel weer lang genoeg zitten. Bovendien vermoeden we dat veel straten behoorlijk blank zullen staan. Het eerste deel verloopt voorspoedig, maar dan slaat de twijfel toe. Moeten we hier nu in of niet. De straat lijkt toch wel wat verandert sinds we hier anderhalf jaar geleden waren. We dwalen en dwalen en komen in straten waar we helemaal niets bekend meer kunnen ontdekken. We spreken een voetganger aan en vragen naar de school Mère Teresa. Hij kijkt wat moeilijk en wijst na enig nadenken naar rechts. Daar vinden we uiteindelijk wel een school, maar niet de juiste. Op ons gevoel dwalen we nog wat verder en dan besluit ik het eens bij een paar jongentjes te proberen. Ja, zij kennen de school wel. Eerst wijzen ze rechts, links, er volgen nog wat armbewegingen en dan zeggen ze dat ze ons er wel heen zullen brengen. Ze hebben er behoorlijk de sokken in. Hier en daar worden ze door mensen aangesproken, net zoals ons dat gebeurt. Ik heb het idee dat ze het wel geweldig vinden de nassara de weg te mogen wijzen. Wij zijn daar natuurlijk ook heel blij mee. Uiteindelijk komen we aan in de straat van de school. Ik herken het aan het straatnummer 28.388. Bij de school aangekomen willen ze voor ons op de poort kloppen. Ik weet dat nog net te voorkomen, want wij hoeven namelijk niet bij de school zelf te zijn, maar erachter waar Juliette woont. Ik overlaad ze met bedankjes en geef ze bovendien nog wat snoepjes, die ik toevallig nog in mijn tas heb zitten. Hun gezichten spreken boekdelen en ze lopen samen weer blij terug.

Juliette is erg verheugd ons te zien. Ze had ons al eerder verwacht en ik leg uit dat het eerst kwam door de regenbui, een taxichauffeur die de weg niet wist te vinden en tenslotte dat we verdwaald waren hier in de wijk.

De secretaris van de association, die er vrijdag niet bij had kunnen zijn is er nu wel. Ze vertelt dat ze heel erg blij zijn met alle kleding die we uit Nederland voor hen hebben meegebracht. We horen ook dat Riene geslaagd is, tot heel erg grote opluchting van haar moeder. Of ze door kan gaan aan de universiteit, zal mede af gaan hangen aan de financiële situatie binnen het gezin. Zoals zo vaak als we hier zijn is het er een zoete inval. Een Italiaanse vriendin van Laura, ook getrouwd met een Burkinabé, komt binnen waaien met haar twee kinderen. De jongste moet vreemd genoeg niets van onze blanke gezichten hebben. Hij is bij zijn moeder niet weg te slaan. Hij zou door zijn moeder toch eigenlijk gewend moeten zijn aan blanke gezichten, maar niets is minder waar. Ook van Laura moest hij in het begin helemaal niets hebben. Op een bepaald moment betrap ik hem er echter wel op dat hij ons zit te bestuderen, vanaf de veilige moederschoot. Als hij merkt dat ik kijk duikt hij meteen weer weg bij zijn moeder. Deze dame heeft het niet zo gemakkelijk. Haar man steunt erg op haar financieel gezien en heeft in Juliette een luisterend oor gevonden. Maar zoals Juliette ons later vertelt kan zij haar toch niet echt adviseren met haar probleem. Ook haar ‘petit frère’ komt nog even langs. Omdat Juliette nog steeds last heeft van haar rug moet Reine zich bezig houden met de voorbereidingen van de gierst voor het maken van de dolo, het wassen en laten wellen er van. Er blijken nog behoorlijk wat steentjes tussen het gierst te zitten,die zij er probeert uit te halen. Zij weet niet goed wat ze van onze belangstelling voor dit werk moet denken.

Pascaline heeft al een paar maal gebeld en ge-sms’t blijkt dan ineens, maar het geluid van de telefoon van Juliette stond uit. Ook van mij heeft ze natuurlijk niets meer gehoord omdat mijn beltegoed op is.

Als alle visite weg is gaan we snel naar haar op pad. Heico wordt als eerste weg gebracht achter op de brommer bij Aubin en ik loop samen met Juliette alvast een stukje in de goede richting.  Hij begroet iedereen die daar is, zonder het te weten dat hij die ene erg goed kent van de vorige reis. Als ik aankom staat ze me dan ook al op te wachten bij de poort. Ik herken haar vrijwel onmiddellijk en we vliegen elkaar om de hals. Het was voor haar ook een grote verrassing om Heico te zien, want zij wist ook niet dat we in Burkina waren. Toen ze Heico zag had ze wel meteen begrepen, dat ik dan ook wel ergens zou moeten zijn.

Na het eten vertelt ze na wat aandringen, waarom ze had gezegd ‘ca va un peu’. Inbrekers hebben twee van haar vier naaimachines gestolen uit haar atelier en bovendien de pagnes van haar klanten. Uiteraard hebben ze de beste twee machines meegenomen, een ook die ze ooit van Sjef had gekregen. De pagnes van haar klanten is ook een ramp, want de kosten daarvan moet ze nu beetje bij beetje zien terug te betalen. Voor de rest gaat het eigenlijk wel redelijk goed weet ze gelukkig wel te melden, maar niet erg goed. Een terugkerend verhaal waar je hier ook komt. Ook vraagt ze natuurlijk waarom ik niet even heb gemaild dat ik naar Burkina zou komen. Tja, het zou normaal gesproken ook allemaal niet gepast hebben in ons reisprogramma, maar door de staking kunnen we nu wel allerhande ‘oude’ vrienden ontmoeten.

’s Avonds brengen Pascaline en Juliette ons weer terug naar ons hotel. We drinken samen buiten nog een drankje. De waaier wordt al automatisch voor ons aangezet, het helpt wel iets om de muggen op afstand te houden. Als Juliette en Pascaline de waaier voelen veren ze meteen weer van hun stoel omhoog. We wisselen met hen van plek. Juliette heeft het zichtbaar koud en ik haal voor haar een omslagdoek. Als ik even later merk dat ook Pascaline het koud heeft, vraag ik toch maar aan de ober de waaier uit te zetten.

Morgen zal Pascaline ons om negen uur ophalen om naar het graf van Père Willy te gaan. Dat is een zwager van Sjef, die in het voorjaar is overleden, na vijftig jaar hier veel goed werk te hebben gedaan. Hij ligt hier in Ouaga begraven op een terrein van de witte paters. Nadien zal ze ons bij Juliette afzetten. Ze kan ons ’s middags niet meer terugbrengen naar ons hotel. Geen probleem we nemen wel een taxi terug, in de hoop dat deze dan wel weet waarheen hij moet.

 

 

 

 

 

 

Onverwacht op bezoek bij de witte paters

 

 

Maandag 15 juli

We horen een vliegtuig over vliegen, een goed teken. Niet dat we er nog niet achter waren dat er weer gevlogen werd vanaf Ouaga. Andere gasten van het hotel, die zaterdag naar huis zouden vliegen hebben we tenslotte niet meer teruggezien.

Tegen half tien verschijnt Pascaline. Ze is vanochtend al bezig geweest te regelen dat we ontvangen kunnen worden bij de witte paters. We rijden eerst naar een gebouw vlakbij het hotel. We praten er met de aanwezig witte paters over wat algemene dingen en dan komt het gesprek op Père Willy. Ze hebben daar zijn spullen nog liggen en ook heel veel foto’s. Er wordt gevraagd of we die mee zouden kunnen nemen voor zijn familie. Natuurlijk willen we dat wel doen. Een tas en koffer worden op tafel gezet en men laat zien wat er zoal inzit. Onderscheidingen van Burkina, maar ook een Nederlandse, foto’s, en zo meer. De koffer die er bij zit willen ze graag houden. Ook dat moet geen probleem zijn we hebben zelf nog wel een lege tas over. En dan komt een pater met een grote metalen hutkoffer aanzetten. Oh help, denk ik, dat is lastiger. Gelukkig zit deze maar half vol en de koffer zelf hoeft niet mee, zo zegt de pater. Die mag gerust hier achter blijven. Waarschijnlijk heeft hij mijn verschrikte ogen gezien, toen hij er mee aan kwam lopen. Tenslotte komt een man aanlopen met iets wat Père Willy ooit als onderscheiding heeft gehad, maar dat wel zwaar is, zo wordt gezegd alvorens ze het mij in handen geven. Dat wordt te veel van het goede denk ik en zeg dat het of de foto’s en dergelijke wordt of deze onderscheiding. Men begint te lachten. Ze vertellen dat ze dit eigenlijk straks op zijn graf willen plaatsen, want ze snappen dat het eigenlijk ook wel erg zwaar is om zo even mee te nemen. We vinden dat een uitstekend idee, voor zover wij daar natuurlijk iets over te zeggen zouden kunnen hebben. Er worden plastic zakken geregeld om alle foto’s en andere spullen in mee te kunnen nemen. Men bedankt ons alvast voor onze moeite en we worden uitgezwaaid.

We rijden dan door naar het seminarie, waar eerste jaars priesters hun opleiding beginnen. Daar is ook de algemene begraafplaats van de witte paters. Velen zijn begraven in de dorpen waar ze zijn overleden. Wel staan al hun namen op een plaquette van het algemene monument. De eerste stamt uit 1901. Père Willy staat er nog niet op vermeld, dat moet nog worden geregeld. De studenten, zo’n 40 in getal, zijn op dit moment vanwege de vakantie niet aanwezig. Het is erg rustig op het terrein. We worden ontvangen door iemand die er nu op retraite is. Hij neemt ons mee naar de begraafplaats achter op het terrein. Links en rechts passeren we twee gebouwen van twee verdiepingen hoog, waarin de studenten gehuisvest worden. Op de begraafplaats liggen nog een zestal andere graven en het verse graf van Père Willy. Er wordt gewacht met het aanbrengen van de rand en het plaatsen van het naambord tot na de regentijd. Dan zal de grond aangezakt zijn en kan met het omranden met rode stenen. Zo als te zien is bij de andere graven. Het naamplaatje wordt geplaatst op een standaard waarop Afrika en een kruis staan. We maken wat foto’s voor de familie, want daarvoor waren we hier eigenlijk naar toe gekomen.

We krijgen binnen nog wat te drinken aangeboden. Een oudere blanke pater voegt zich nog even bij ons en heet ons welkom. Ook enkele jonge mannen uit Ghana, Nigeria en Niger meen ik me te herinneren voegen zich kort bij ons gezelschap.

Alle spullen brengen we daarna maar eerst terug naar het hotel. Die moeten we straks op ons gemak maar proberen zorgvuldiger in te  pakken, zodat ze ongeschonden mee naar Nederland kunnen. In het hotel zit Oumar op ons te wachten. Hij heeft die ochtend al contact gehad met Pascaline en gehoord dat we rond deze tijd hier weer terug zouden zijn. Hij heeft de beide door ons bestelde beeldjes af en komt ze nu afleveren. Bovendien vertelt hij dat hij niet in de gelegenheid zal zijn ons op het vliegveld uit te komen zwaaien. Een serveerster vraagt met handgebaren vanuit de verte of we iets willen bestellen. Ik weet dat Oumar in de vastentijd zit, dus wenk haar dat ze niet hoeft te komen.

Bij Juliette komt ook Tina alvast even afscheid nemen van ons, want ook zij kan vanavond niet, want dan moet ze werken. Ze herinnert ons nog even aan haar tweede naam, Fatimata. Ze zegt dat het met Fatimata goed gaat. Dit was vorige keer haar tweede naam, toen ze niet wilde dat Pascaline wist dat ze ons stiekem achterna gereisd was naar Kokossin. We hebben toen afgesproken over Fatimata te praten als we het over zaken hadden die daar gebeurd waren. Vooral de geheimzinnigheid er om heen, maakte dat we er toen en ook nu nog veel lol om hadden.

Achter op de brommer bij Juliette en Tina worden we naar een taxistandplaats gebracht in  hun wijk. Tina regelt voor ons de prijs, 1500 cfa samen. Wat een feestje zijn deze wagens toch telkens weer. Rammels onder mijn zitting. De wagen valt af en toe stil en wordt weer gestart door twee draden tegen elkaar aan te houden. Maar het moet wel gezegd worden, we komen zonder problemen op de plaats van bestemming. Dit keer zonder fout te rijden of te vragen.

We pakken onze tassen verder in en ook de spullen van Père Willy vinden probleemloos een plaatsje. Daarna nog heerlijk even douchen, want het zal een lange avond en nacht gaan worden. Morgen rond vijf uur zullen we in Brussel landen en opgehaald gaan worden door onze zoon.

De rest van de tijd nog wat relaxen, tot rond half zeven Pascal de nieuwe groep opgehaald heeft van het vliegveld en ons er weer heen zal gaan brengen. We horen wat stemmen op de gang en die blijken van de Nederlandse groep te zijn. We begroeten elkaar en wij gaan daarna alvast onze rekeningen betalen bij de receptie. Gedeeltelijk met dollars en de rest met Euro’s. We krijgen zelfs nog 3300 cfa terug.

Nog snel even eten, pittig gekruide schapenworstjes met frites en tomatensalade met basilicum en natuurlijk ook voor de laatste keer zo’n overheerlijke mango. We nemen afscheid van het personeel, dat ons alle dagen van ons verblijf zo prima heeft bediend en van Marianne en Pieter, die al weer druk bezig zijn de nieuwe groep wegwijs te maken.

We rijden daarna vlot naar het vliegveld alwaar Aubin, Pascaline en Juliette staan om ons uit te komen zwaaien.

Koffers ingeleverd, paspoortcontrole, controle van de handbagage door een apparaat en daarna ook nog eens door een beambte die alle vakjes opent. Onderin mijn rugzak vindt hij een doosje met daarin de hoge Burkinese onderscheiding. Hij kijkt me vragend aan. Als ik hem uitleg dat ik dat voor de familie van een hier overleden pater mee neem naar Nederland en dat er onderin mijn rugzak nog meer onderscheidingen zitten, knikt hij en sluit hij verder mijn rugzak. Hij zoekt niet verder meer.

De wachtruimte stroomt langzamerhand voller en voller. Afrikanen, Europeanen, Amerikanen en hier en daar ook kinderen die apart genomen worden omdat ze alleen reizen. Mensen met een gitaar of een bendre bij zich, een witte pater, die we op de heenreis ook al gezien hebben, de een die voor zich uit zit te staren, en anderen vrolijk pratend, muziekluisterend of met de telefoon spelend. Het is een bonte verzameling van mensen. En ik, wel ik zit weer eens te schrijven. Straks thuis als ik dit allemaal teruglees, zie ik mezelf weer helemaal zitten in deze wachtruimte. De televisie staat wel aan, maar ik geloof dat weinig mensen er naar kijken. Het wachten is op de bus die ons naar het vliegtuig zal gaan brengen.